Saccavibhanga-sutta - Boeddha’s Eerste Prediking

(Majjhima-nikāya 141)

(Leerrede over de Indeling van de Waarheden)

Nadat de Boeddha de verlichting verwezenlijkt had, besloot hij, volgens de legende op verzoek van Brahma zelf, de door hem doorgronde Leer te verkondigen aan hen “die weinig stof op de oogleden hebben”. Als eersten zoekt hij de vijf asceten op die hem voorheen in de steek gelaten hadden en zet hun de Vier Edele Waarheden uiteen, waardoor hij het “Rad van de Leer” in beweging zette.
De Vier Edele Waarheden, die in deze tekst worden samengevat, vormen het fundament van de Leer van de Boeddha. Ze zijn het kader waarbinnen gans het Boeddhisme, zowel het Kleine als het Grote Voertuig, zowel het vroege als het latere Boeddhisme, zich situeert.
Deze Vier Edele Waarheden, of deelaspecten daarvan, zijn dan ook de ‘rode draad’ die men in geheel de boeddhistische literatuur aantreft.
Alhoewel men spreekt van Boeddha’s Eerste Prediking, is deze tekst in zijn huidige vorm blijkbaar pas ontstaan rond de 3de eeuw vóór onze tijdrekening. Dit kan men o.a. afleiden uit de titulatuur die men aan de Boeddha toekent, maar ook uit het algemene karakter van de tekst. Zo bemerkt men dat het psychologisch/ethische aspect van de Leer, hoofdzakelijk verwoord in de Eerste en de Vierde Edele Waarheid, beduidend meer aandacht krijgt dan de eerder ‘filosofische’ Tweede en Derde Edele Waarheid.
De gebruikte terminologie is zeer technisch van aard. De monniken, tot wie deze tekst zich richt, werden verondersteld de precieze betekenis van de gebruikte termen te kennen, wat enigszins het ontbreken van definities verklaart. De tekst is dan ook in de eerste plaats pragmatisch bedoeld.
Ook illustreert deze tekst de mondelinge overleveringstraditie die ten tijde van de Boeddha, en zelfs nog eeuwen daarna, gebruikelijk was. Kenmerkend hiervoor is het gebruik van mnemotechnische middelen zoals vaste reeksen synoniemen en herhalingen, alsmede de typische constructie van vier, die men herhaaldelijk in boeddhistische teksten tegenkomt en die de basis vormt voor het logische tetralemma.
(Y. B. v. P.)

Aldus herhaalde Sāriputto aan de monniken:

De Verhevene[9], de Heilige Volkomen Ontwaakte, heeft te Varanasi, in Isipatana, in het Hertenpark, het hoogste rijk van de waarheid verkondigd: geen asceet of brahmaan, geen god, geen goede of kwade geest noch om het even welk wezen in de wereld kan zich hiertegen verzetten. Het is het aanwijzen, duidelijk maken, uiteenzetten, vertonen, onthullen, ontwikkelen, openbaren van de Vier Edele Waarheden.

Welke vier?

De Edele Waarheid van het Lijden, de Edele Waarheid van de Oorsprong van het Lijden, de Edele Waarheid van de Opheffing van het Lijden en de Edele Waarheid van het Pad dat voert naar de Opheffing van het Lijden.

Wat echter, o monniken, is de Edele Waarheid van het Lijden?

Geboorte is lijden, ouderdom is lijden, ziekte is lijden, sterven is lijden. Verdriet, jammer, pijn, ellende en wanhoop zijn lijden. Verenigd zijn met hetgeen men niet begeert, is lijden, niet verkrijgen wat men begeert, is lijden. Kortom, de vijf groeperingen van gehechtheid zijn lijden.

Wat nu, o monniken, is geboorte? Het worden, baren, vormen, kiemen, de conceptie, het verschijnen der delen, het tot bewustzijn komen: dat, o monniken, noemt men de geboorte.

Wat nu, o monniken, is ouderdom? Van alle voorkomende wezens in elke voorkomende soort, het verouderen en verslijten, het gerimpeld, gebrekkig en vergrijsd worden, het verval van de krachten, het afzwakken van de zinnen: dat, o monniken, noemt men de ouderdom.

Wat nu, o monniken, is het sterven? Van alle voorkomende wezens in elke voorkomende soort, het verdwijnen, oplossen, ontbinden, tenondergaan, doodgaan, tijdsvervullen, het uiteenvallen van de delen, het rotten van het lijk: dat, o monniken, noemt men het sterven.

Wat nu, o monniken, is het verdriet? Dat wat men ervaart bij gelijk welk verlies, bij gelijk welk ongeluk dat iemand treft, droefenis, kommer, hartzeer, innerlijke benauwenis, innerlijk wee: dat, o monniken, noemt men het verdriet.

Wat nu, o monniken, is de jammer? Dat wat men ervaart bij gelijk welk verlies dat men lijdt, bij gelijk welke tegenslag die iemand treft, klagen en jammeren, beklagen en bejammeren, weeklagen, weejammeren: dat, o monniken, noemt men de jammer.

Wat nu, o monniken, is de pijn? Al wat lichamelijk smartelijk, lichamelijk onaangenaam, door lichamelijke gewaarwording als smartelijk of onaangenaam ervaren wordt: dat, o monniken, noemt men de pijn.

Wat nu, o monniken, is de ellende? Al wat geestelijk smartelijk, geestelijk onaangenaam, door gedachteberoering als smartelijk of onaangenaam ervaren wordt: dat, o monniken, noemt men de ellende.

Wat nu, o monniken, is de wanhoop? Al wat bij gelijk welk verlies dat men lijdt, bij gelijk welke tegenslag die men oploopt, ontmoedigend en vertwijfelend is, het versaagd en vertwijfeld zijn: dat, o monniken, noemt men de wanhoop.

Wat voor lijden, o monniken, is het niet-verkrijgen van hetgeen men begeert? In de wezens, o monniken, komt de begeerte aldus op: “Och, waren wij toch maar niet onderworpen aan de geboorte, mocht ons toch geen geboorte meer ten deel vallen!” - maar dat kan men door begeren niet verkrijgen. Dat niet-verkrijgen van hetgeen men begeert, dat is lijden. In de wezens, o monniken, die onderworpen zijn aan ouderdom, sterven, verdriet, jammer, pijn, ellende en wanhoop, komt de begeerte op: “Och, waren wij toch maar niet onderworpen aan ouderdom, sterven, verdriet, jammer, pijn, ellende en wanhoop! Mocht ons toch geen ouderdom, sterven, verdriet, jammer, pijn, ellende en wanhoop meer ten deel vallen!” - maar ook dàt kan men door begeren niet verkrijgen. Dat, o monniken, niet verkrijgen van hetgeen men begeert, dat is lijden.

Wat voor lijden zijn nu, kort gezegd, de vijf groeperingen van gehechtheid? Er is de gehechtheid aan het lichamelijke, de gehechtheid aan de gewaarwording, de gehechtheid aan de waarneming, de gehechtheid aan de karmische vormingen en de gehechtheid aan het bewustzijn: dat, o monniken, noemt men in het kort de vijf groeperingen van gehechtheid als lijden.

Dat, o monniken, noemt men de Edele Waarheid van het Lijden.

Wat, o monniken, is de Edele Waarheid van de Oorsprong van het Lijden?

Het is de begeerte, steeds wederbestaan zaaiend, verbonden aan het verlangen naar genoegens, nu hier dan daar voldoening zoekend, het is de zinnelijke drift, de bestaansdrift en de bezitsdrift. Dat, o monniken, noemt men de Edele Waarheid van de Oorsprong van het Lijden.

Wat, o monniken. is de Edele Waarheid van de Opheffing van het Lijden?

Het is van de begeerte de volkomen, restloze uitroeiing, het afstoten, uitdrijven, vellen, verdelgen ervan. Dat, o monniken, noemt met de Edele Waarheid van de Opheffing van het Lijden.

Wat, o monniken, is de Edele Waarheid van het Pad dat voert naar de Opheffing van het Lijden?

Dat is het Edele Achtvoudige Pad, het naar de opheffing van het lijden voerende Pad, namelijk: het juiste inzicht, de juiste gezindheid, het juiste woordgebruik, de juiste handelwijze, het juiste levensonderhoud, de juiste inspanning, de juiste achtzaamheid en de juiste geestesconcentratie.

Wat, o monniken, is het juiste inzicht? Het lijden kennen, de oorsprong van het lijden kennen, de opheffing van het lijden kennen, het naar de opheffing van het lijden voerende pad kennen: dat, o monniken, noemt men het juiste inzicht.

Wat, o monniken, is de juiste gezindheid? Op verzaking zinnen, geen wrok koesteren, geen haat voeden: dat, o monniken, noemt men de juiste gezindheid.

Wat, o monniken, is het juiste woordgebruik? Onwaarheid vermijden, laster vermijden, barse woorden vermijden, praatjes vermijden: dat, o monniken, noemt men het juiste woordgebruik.

Wat, o monniken, is de juiste handelwijze? Vermijden te doden wat leeft, vermijden te nemen wat niet gegeven is, vermijden buitensporigheden te begaan: dat, o monniken, noemt men de juiste handelwijze.

Wat, o monniken, is het juiste levensonderhoud? Wanneer de discipel de verkeerde kostwinning verlaten heeft en zijn leven op de juiste wijze voortzet: dat, o monniken, noemt men het juiste levensonderhoud.

Wat, o monniken, is de juiste inspanning? Wanneer, o monniken, een monnik zijn wil opwekt om de nog niet opgekomen onheilzame dingen niet te laten opkomen, daarvoor spant hij zich in, moedig bereidt hij zijn gemoed voor, maakt het strijdvaardig; - hij wekt zijn wil op om opgekomen onheilzame dingen te verdrijven; - hij wekt zijn wil op om nog niet opgekomen heilzame dingen te laten opkomen; - hij wekt zijn wil op om de opgekomen heilzame dingen te vestigen, niet los te laten, verder te ontwikkelen, te ontsluiten, te ontvouwen, te vervullen. Daarvoor spant hij zich in, bereidt hij moedig zijn gemoed voor, maakt het strijdvaardig: dat, o monniken, noemt men de juiste inspanning.

Wat, o monniken, is de juiste achtzaamheid? Wanneer, o monniken, een monnik wat het lichaam betreft over het lichaam waakt, onvermoeibaar, met heldere zinnen, bewust, na overwinning van de wereldse driften en zorgen; wat de gevoelens betreft over de gevoelens waakt, onvermoeibaar, met heldere zinnen, bewust, na overwinning van de wereldse driften en zorgen; wat het bewustzijn betreft over het bewustzijn waakt, onvermoeibaar, met heldere zinnen, bewust, na overwinning van de wereldse driften en zorgen; wat de gedachteobjecten betreft over de gedachteobjecten waakt, onvermoeibaar, met heldere zinnen, bewust, na overwinning van de wereldse driften en zorgen: dat, o monniken. noemt men de juiste achtzaamheid.

Wat, o monniken, is de juiste geestesconcentratie? In die toestand verblijft een monnik ver van begeerten en onheilzame dingen, voelend en denkend, in vreugde en zaligheid van de wijding van de eerste meditatietrap. Na het stillen van voelen en denken, wint hij de innerlijke vrede, de eenmaking van de geest, de toestand bevrijd van gedachtevorming en discursief denken, geboren uit de concentratie; in deze vreugde en zaligheid wint hij de wijding van de tweede meditatietrap. Na opheffing van die vreugde-ervaring, verwijlt hij evenwichtig, achtzaam, helderbewust; dan ervaart hij in zijn binnenste gemoed het geluk waarvan de Edelen zeggen: “Gelukzalig wijlt de gelijkmoedige, de achtzame,” en zo bereikt hij de wijding van de derde meditatietrap. Na het verdwijnen van vreugde en smart, door het wegzinken van alle vroegere vreugden en smarten, verwezenlijkt hij een toestand geenzijds van vreugde en leed, de gelijkmoedig-geestesklare wijding van de vierde meditatietrap: dat, o monniken, noemt men de juiste geestesconcentratie.

Dat, o monniken, noemt men de Edele Waarheid van het Pad dat voert naar de Opheffing van het Lijden.

De Verhevene, de Heilige Volkomen Ontwaakte, heeft te Varanasi, in Isipatana, in het Hertenpark, het hoogste rijk van de waarheid verkondigd: geen asceet of brahmaan, geen god, geen goede of kwade geest noch om het even welk wezen in de wereld kan zich hiertegen verzetten. Het is het aanwijzen, duidelijk maken, uiteenzetten, vertonen, onthullen, ontwikkelen, openbaren van de Vier Edele Waarheden.

Aldus sprak de eerwaarde Sariputto. Tevreden verheugden de monniken zich over de woorden van de eerwaarde Sariputto.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com


[9] bhagavant, Sanskriet bhagavat.

          home