Bhayabherava-sutta - Leerrede over Vrees en Ontzetting

(Majjhima-nikaya 4)

Aldus heb ik gehoord.

Toen de Verhevene te Savatthi in het Jeta-park verbleef, kwam tot hem de brahmaan Janussoni en na hem eerbiedig gegroet te hebben, zette hij zich rechts van de Verhevene neer en sprak aldus:

“Eerwaarde, alle broeders die u volgen, hebben hun huis verlaten om het leven als huisloze[10] op zich te nemen. Ze hebben de eerwaarde Gotama als meester en als leidsman genomen en volgen zijn leer.”

“Zo is het inderdaad. Ze hebben in mij hun vertrouwen gesteld en hebben hun huis verlaten om zich te wijden aan de heilige levenswijze.”

“O Gotama, is het dan niet hard te leven in de wilde diepte van het woud? Ver van de woningen van de mensen moet de eenzaamheid zwaar wegen en het gemoed van een broeder die de hoogste concentratie nog niet heeft bereikt, belasten.”

“Zo is het. Ik dacht net hetzelfde vooraleer ik de volkomen verlichting verwezenlijkte. Eerst dacht ik hoe moeilijk het toch zou zijn in afzondering te leven en zich te verheugen in de eenzaamheid van het woud. Maar, na hierover nagedacht te hebben, zei ik bij mezelf: de zwerfmonniken die zich terugtrekken in de diepte van het woud zonder rein te zijn in daden, in woorden en in gedachten, wekken in zichzelf de vrees op precies omwille van hun onreinheid en hun verderf. Evenzo diegenen die de eenzaamheid ingaan zonder bevrijd te zijn van begeerten en die vervuld zijn van lusten; evenzo diegenen die kwaadwillig van gemoed of die lui zijn; diegenen die onrustige of rusteloze gedachten koesteren; diegenen die onzeker zijn, die twijfelen of die beïnvloedbaar zijn; diegenen die zich terugtrekken uit zelfverheffing en anderen minachten; diegenen die hopen een grote roem te oogsten en eerbewijzen of offergaven te ontvangen; diegenen die zich terugtrekken uit vadsigheid of uit lusteloosheid, uit onbezorgdheid of onaandachtzaamheid; diegenen die het doen uit verlangen naar verandering of uit domheid of uit waanzin. Al dezen, die geen reinheid hebben, worden in de eenzaamheid van het woud door angst en ontzetting overvallen.

Ik ben de eenzaamheid ingegaan na al die gebreken achtergelaten te hebben, rein in daden, in woorden en in gedachten, vervuld van welwillendheid, met een rustig en ingetogen gemoed, want ik mocht me beschouwen als een van de wezens die gekomen zijn tot dat punt van reinheid en levend ver van elke mensenwoonst. Dan, beseffend dat ik aldus was, ontluikte zich voor mij de vreugde van het leven in de eenzaamheid. Dan dacht ik: waarom zou ik niet, in de nachten van volle en nieuwe maan, van eerste en van laatste kwartier, voor die nacht niet in het woud gaan vertoeven om de vrees en de ontzetting te beproeven en te weten wat ze zijn.

En in de nacht van volle maan, vestigde ik me in het eenzame woud. Onder een boom gezeten, hoorde ik een gazel die voorbijkwam, een twijgje dat van een boom viel, het geluid van de wind in het gebladerte. Ik dacht: nu gaat de angst komen, maar ik zal hem niet onbeweeglijk afwachten. Zodra hij komt, zal ik hem vlak in de ogen zien en hem beheersen.

En de angst kwam. Ik stapte heen en weer, zonder één enkel ogenblik stil te staan, totdat ik de angst overmeesterd had. Wanneer ik stilstond, kwam de angst terug, maar ik wou niet gaan zitten vooraleer ik de angst overwonnen had. Dan eerst ging ik zitten, en de angst kwam opnieuw terug, maar ik wou me niet uitstrekken vooraleer ik ook deze angst overwonnen had. Na me uitgestrekt te hebben, is de angst nogmaals teruggekomen, maar ik heb niet bewogen zolang ik deze angst niet overwonnen had.

Eindelijk bleef ik daar: ongetemd, met geconcentreerde geest, zonder afleiding, gevestigd in de kalmte, de gedachten gebundeld. Alle begeerten en kwaad afgelegd hebbend, het nadenken en het ontleden gebruikend, in de vreugde van de verzaking en het los-zijn van alle dingen, verkreeg ik de kennis van de eerste fase van de juiste meditatie.

Dan liet ik nadenken en ontleden achter, in een volmaakte innerlijke vrede en zo bereikte ik de tweede fase van de meditatie.

Vreugdig en bevrijd van alle driften, helder bewust, in de zaligheid van gelijkmoedigheid en geestesconcentratie, bereikte ik de derde fase van de meditatie.

Dan vreugde en verdriet achterlatend, alle voorbije vreugde en verdriet verwerpend, de geest rustig en geconcentreerd, volledig rein, kende ik de vierde fase van de juiste meditatie.

Met de gedachten rein, gevestigd, buigzaam, richtte ik het gemoed naar de herinnering en de voorbije bestaansvormen. Ik kon me de kenmerken van talrijke vroegere bestaansvormen herinneren in het eerste gedeelte van de nacht. Het weten was bereikt, de onwetendheid verdreven.

Daarop richtte ik het gemoed naar het verdwijnen en het wederverschijnen van de wezens. Door het goddelijk oog zag ik nederigen en adellijken geboren worden en verdwijnen, de mooien en de lelijken, de gelukkigen en de ongelukkigen, en ik zag ze allen herboren worden als gevolg van hun handelingen. Ik zag diegenen die zich overgeven aan het kwaad in daden, in woorden en in gedachten, een verkeerde weg volgen naar een slechte lotsbestemming. Na de dood volgen ze de droeve weg naar de werelden van het lijden. Ik zag ook anderen, goed in daden, in woorden en in gedachten, de weg van juistheid volgen naar een gelukkige lotsbestemming. Dat was de tweede kennis die ik omstreeks het midden van de nacht verkreeg.

Vervolgens richtte ik het gemoed naar de waarneming en de vernietiging van de oorzaken en zo begreep ik de Vier Edele Waarheden: de algemeenheid van het lijden, de oorzaak van het lijden, de opheffing van het lijden en het pad dat voert naar de opheffing van het lijden. Dit begreep ik en mijn geest werd bevrijd van begeerte, van bestaansdorst en van onwetendheid. De hoogste verlossing berust in deze bevrijding en ik zei: het doel is bereikt, ik heb gedaan wat gedaan moest worden, de wereld bestaat niet meer voor mij! Dat was de derde kennis die ik verkreeg in het laatste gedeelte van de nacht.

Misschien, o Janussoni, denkt gij bij uzelf: nu nog trekt de zwerfmonnik Gotama zich terug in de eenzame toevluchtsoorden in de diepte van het woud; misschien is hij nog niet helemaal bevrijd van begeerte, haat en begoocheling[11]. Neen, denk dat niet, Janussoni, ik leef het leven van de huislozen omdat het mij twee weldaden verschaft: mijn welzijn hier en nu, en het mededogen dat ik gevoel voor hen die na mij zullen komen en die mij zullen navolgen.”

“In waarheid,” hernam Janussoni, “de Verhevene heeft duidelijk zijn mededogen betoond voor al wie na hem zal komen, zoals het betaamt voor hem die de volkomen verlichting verwezenlijkt heeft. Wat verborgen was, is nu ontdekt. Het is de weg gewezen aan hem die verloren was; het is een licht gebracht in de nacht, opdat wie ogen heeft, zou kunnen zien. De Verhevene heeft mij zijn leer duidelijk gemaakt. Mocht de Verhevene mij als discipel aanvaarden. Ik stel heel mijn vertrouwen in hem, in zijn leer en in zijn gemeenschap[12].”


[10] anagārika.

[11] De 3 kenmerken van het bestaande.

[12] Boeddha, Dharma en Sangha zijn de Drie Juwelen (Tiratana), of de Drievoudige Toevlucht (Tisaranam).

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com


          home