Maha Dukkha Kkhandha Sutta - Sutra van de Bevrijding van het Lijden

(Majjhima-nikaya 13)

uit oude nota’s van Shitoku (Ōchō-in) midden 1950 (?), licht aangepast in bewoordingen, van alineanummers voorzien en woorden gecursiveerd en vet gemaakt, zodat het sutra kon aangevuld worden met een bordschema als analyse-instrument.

Indeling van het Sutra van de Bevrijding van het Lijden

alinea

I.

"Aldus heb ik gehoord"

1

II.

Inleiding van het sutra

Wie? Monniken

2

Waar (a)? Bij asceten

2

Waarover?

3

verlangen

vorm

gewaar-wording

Waar (b)? Bij Verhevene

4

Waarover?

5-6

verlangen

vorm

gewaar-wording

III.

Midden van het sutra

verlangen

vorm

gewaar-wording

genoegens van

?

7

18

27

!

8

19

28

ellende van

?

9

20

29

!

10-14

21-23

30

bevrijding van

?

15

24

31

!

16-17

25-26

32-33

IV.

"Aldus sprak de Verhevene"

34

1. Aldus heb ik gehoord.

2. Op een morgen, terwijl de Verhevene te Savatthi in het park Jeta verbleef, trokken een groep monniken, na hun pijen aangetrokken te hebben, met de bedelnap in de hand, naar de stad om er hun voedsel te bedelen. Dan schoot hun de gedachte te binnen: “Het is nog te vroeg om te beginnen aalmoezen te vragen. Laat ons een bezoek brengen aan het park waar de andere asceten vertoeven.” En zij begeven zich naar de asceten van de andere sekten, en na de gebruikelijke begroetingen gebracht te hebben, gingen zij aan dier zijkant zitten.

3. Dan zeiden deze asceten hun dit: “Vrienden, de asceet Gotama geeft een volledige en volkomen bepaling over het verlangen, maar ook wij geven een volledige en volkomen bepaling. De asceet Gotama geeft een volledige en volkomen bepaling van de vorm, maar ook wij geven er een. De asceet Gotama geeft een volledige en volkomen bepaling van de gewaarwording, maar wij ook. Dus, welk onderscheid, welk verschil, welke afbakening scheidt de asceet Gotama van ons wat betreft de bevrijding van de boodschap of de boodschap zelf?”

4. Toen stonden de monniken op zonder instemming of afkeuring uit te drukken over de woorden die zij gehoord hadden, en vertrokken met het inzicht aan de Verhevene de betekenis te vragen van wat hun gezegd was. Zij gingen naar Savatthi om hun aalmoezen te vragen en na de maaltijd kwamen ze bij de Verhevene. Zij brachten hem hulde, namen plaats aan zijn zijkant en herhaalden hem de woorden van de andere asceten en hun wens om van de Verlichte de betekenis er van te leren.

5. “Ziehier, o monniken, wat er te antwoorden was aan de asceten van de andere sekten die aldus gesproken hebben: Wat zijn, vrienden, de genoegens van het verlangen? Wat is de ellende van het verlangen? Wat is de bevrijding van het verlangen? Wat zijn de genoegens van de vorm? Wat is de ellende van de vorm? Wat is de bevrijding van de vorm? Wat zijn de genoegens van de gewaarwording? Wat is de ellende van de gewaarwording? Wat is de bevrijding van de gewaarwording?

6. Aldus ondervraagd, zouden de asceten in verlegenheid gebracht zijn, en waarom? Omdat die zaken buiten hun bereik vallen, want, monniken, noch in de hemel noch op aarde, in de heerscharen van Māra of van Brahma, of onder de asceten en de kluizenaars, nergens zie ik iemand hij machte het hart te verlustigen door het antwoord op deze vragen, dan enkel de Volmaakte of de leerling van de Volmaakte of degene die bij hem gestudeerd heeft.

7. En wat zijn nu de genoegens van het verlangen?

8. Er zijn vijf mogelijke gelegenheden tot verlangen: de vormen zichtbaar voor het oog, de geluiden gehoord door het oor, de geuren opgevangen door de neus, de smaken geproefd door de tong, en de aanrakingen gevoeld door het lichaam, en al deze gelegenheden worden opgezocht, bemind, heerlijk, behagend, verleidelijk, uitdagend. Zulks zijn de vijf gelegenheden tot verlangen, en wat ook het genoegen en de voldoening die er uit voortspruiten mogen zijn. Dit alles zijn de genoegens van het verlangen.

9. En wat is dan de ellende van het verlangen?

10. Neem het voorbeeld van een eerlijk jongmens die zijn kost wil verdienen als secretaris, opziener, boekhouder, zaakvoerder, leverancier, pachter, boogschutter, dienaar van de koning of in gelijk welk ander beroep, en die in deze beroepen hitte en koude moet verdragen, lastig gevallen wordt door ongedierte en muggen, door de wind, de verblindende zon, de slangen, de kwellingen van honger en dorst? Dit zijn de gevaren die de verlangens van de zinnen begeleiden, hier en nu, met alles wat het geheel van het leed uitmaakt, dat alles omwille van het verlangen, komende uit het verlangen, om reden van het verlangen, werkelijk aan het verlangen verbonden en het verlangen hebbend als enige oorzaak.

11. Indien deze jonge man, ondanks zijn werkzaamheid, zijn energie en zijn ondernemingslust zijn fortuin toch niet kan maken, dan klaagt hij, jammert hij, weent hij, slaat op zijn borst en wanhoopt bij het zien dat al zijn inspanningen tevergeefs waren en zijn werkzaamheden zonder vruchten. Dit alles zijn de gevaren die de verlangens van de zinnen begeleiden, hier en nu, met alles wat het geheel van het leed uitmaakt, dat alles omwille van het verlangen, komende uit het verlangen, om reden van het verlangen, werkelijk aan het verlangen verbonden en het verlangen hebbende als enige oorzaak.

12. Indien, aan de andere kant, het succes de inspanningen van deze jonge man bekroont en dat hij zijn fortuin wel maakt, dan wordt hij besprongen door de angst er de belevenissen om dit fortuin te bewaren. Hij vraagt zich voortdurend af of de koningen of de dieven hem zullen beroven, of hij geruďneerd zal worden door het vuur of door overstroming of door de erfgenamen die hij verafschuwt. En ondanks zijn waakzaamheid en zijn zorgen, zal een of andere van die rampen zich op hem storten en hij zal klagen, jammeren, wenen, zich op de borst slaan en wanhopen bij het zien dat al zijn inspanningen vergeefs zullen zijn geweest, en zijn werkzaamheden zonder vruchten. Dit alles zijn de gevaren die de verlangens van de zinnen begeleiden, hier en nu, met alles wat het geheel van het leed uitmaakt, dat alles omwille van het verlangen, komende uit het verlangen, werkelijk aan het verlangen verbonden en het verlangen hebbende als enige oorzaak.

13. Het is eveneens uit oorzaak van het verlangen, om reden van het verlangen en met het verlangen als enige oorspronkelijke oorzaak dat koningen opstaan tegen koningen, edelen tegen edelen, brahmanen tegen brahmanen, burgers tegen burgers, de moeder tegen de zoon, de zoon tegen de moeder, de vader tegen de zoon, de zoon tegen de vader, de broer tegen de broer, de zuster tegen de broer, de vriend tegen de vriend, totdat ze in hun twisten, hun ruzies en hun betwistingen elkaar aanvallen met hun vuisten, hun knotsen, hun messen en hun zwaarden en zo komen de dood of de dodelijke verwondingen. Dit alles omwille van het verlangen, komende uit het verlangen, werkelijk aan het verlangen verbonden en het verlangen hebbende als enige oorzaak.

14. Meer nog, gedreven door het verlangen, doen de mensen het kwade in daden, woorden en gedachten, en wanneer de ontbinding van hun lichaam komt, dalen zij naar de hel af. Zulks is de ellende van het verlangen, het geheel van lijden dat het verlangen volgt, door het verlangen wordt meegebracht, uit het verlangen opkomt, uitsluitend door het verlangen wordt voortgebracht. Dit alles is de ellende van het verlangen.

15. En wat is dan de bevrijding van het verlangen?

16. In alles wat het verlangen betreft, is het de opheffing, het achterlaten der begeerten en van de lust, dat is de bevrijding van het verlangen.

17. En welke ook de asceten en de kluizenaars mogen zijn die – volgens de waarheid en de feiten – de genoegens van het verlangen, de ellende van het verlangen en de bevrijding van het verlangen niet begrepen hebben, het is onmogelijk dat zij het verlangen zouden verstaan of anderen ertoe zouden kunnen brengen het verlangen te verstaan. Maar indien die asceten en die kluizenaars – volgens de waarheid en de feiten – de genoegens van het verlangen, de ellende van het verlangen en de bevrijding van het verlangen begrepen hebben, dan zijn zij bij machte het verlangen te begrijpen en ook anderen tot dit begrijpen te brengen. Dit alles is de bevrijding van het verlangen.

18. En wat zijn nu de genoegens van de vorm?

19. Beeldt u een jong meisje in, van goede geboorte, in de lieflijkheid van haar zestien jaren, noch te groot, noch te klein, in de mooiste tijd van de lieftalligheid van gestalte en gelaat. Welke ook het genot en de voldoening kan zijn die voortspruit uit het zien van deze schoonheid en deze lieftalligheid, dit is het genoegen van de vorm.

20. En wat is dan de ellende van de vorm?

21. Veronderstel die zelfde zuster, wanneer zij de tachtig, de negentig, de honderd jaar bereikt, gebroken, gebogen, rillend, en steunend op een stok, gerimpeld, tandeloos, met grijze haren. Wat denkt gij, o monniken, is de vroegere schoonheid van gestalte en gelaat dan niet verdwenen, om plaats te maken voor de ellende?

22. En meer nog, indien gij u deze zuster inbeeldt, ziek, gelegen in haar eigen uitwerpselen, door anderen verzorgd, niet meer kunnende opstaan, alle schoonheid en alle aantrek verdwenen, niets meer latende dan de ellende van de vorm.

23. En wanneer wij dan die zuster zien op de begraafplaats, haar lijk ontbonden, opgezwollen, verrot, aangevallen door de raven en de gieren, of, na een jaar, het geraamte opgestapeld of in stof vallend. Wat denkt gij, o monniken, geheel die lieftalligheid en die schoonheid die geweest zijn, zijn en zijn niets meer dan ellende! Dat is de ellende van de vorm.

24. En wat is dan de bevrijding van de vorm?

25. De opheffing, de verwerping van alle lusten en verlangens voor de vorm, dat is de bevrijding van de vorm.

26. En welke ook de asceten en kluizenaars mogen zijn die – volgens de waarheid en de feiten – de genoegens van de vorm, de ellende van de vorm en de bevrijding van de vorm, niet begrepen hebben, het is onmogelijk dat zij de vorm zouden verstaan of anderen ertoe zouden kunnen brengen de vorm te verstaan. Maar indien die asceten en die kluizenaars – volgens de waarheid en de feiten – de genoegens van de vorm, de ellende van de vorm en de bevrijding van de vorm begrepen hebben, dan zijn zij bij machte de vorm te begrijpen en ook anderen tot dit begrijpen te brengen. Dit alles is de bevrijding van de vorm.

27. En wat zijn nu de genoegens van de gewaarwording?

28. Een monnik die het verlangen en de slechte dingen verworpen heeft, aandachtig is, nadenkend, in de vreugde en het geluk geboren uit de verzaking, bereikt de eerste Jhana. Dan, zijn geestesactiviteit tot rust brengend, bereikt hij de tweede Jhana. Dan, na zijn geest eengemaakt en geconcentreerd te hebben, bereikt hij de derde Jhana. En ten slotte, door het achterlaten van genoegens en verdrietigheden, verblijft hij in de vierde Jhana. En terwijl hij in de vier Jhana’s vertoeft, wordt zijn geest bevrijd van alle angst die hij zelf geschapen heeft of die door anderen veroorzaakt werd, hij beproeft de gewaarwording van vrijheid van alle ellende. Deze volmaakte bevrijding van ellende noem ik het genoegen van de gewaarwording.

29. En wat is dan de ellende van de gewaarwording?

30. De gewaarwording, o monniken, die troebel is, onderworpen aan alle wisselvalligheden, dat is de ellende van de gewaarwording.

31. En wat is dan de bevrijding van de gewaarwording?

32. De opheffing, de verwerping van alle lusten en verlangens voor de gewaarwording, dat is de bevrijding van de gewaarwording.

33. En welke ook de asceten en de kluizenaars mogen zijn die – volgens de waarheid en de feiten – de genoegens van de gewaarwording, de ellende van de gewaarwording en de bevrijding van de gewaarwording, niet begrepen hebben, het is onmogelijk dat zij de gewaarwording zouden verstaan of anderen ertoe zouden kunnen brengen de gewaarwording te verstaan. Maar indien die asceten en kluizenaars – volgens de waarheid en de feiten – de genoegens van de gewaarwording, de ellende van de gewaarwording en de bevrijding van de gewaarwording begrepen hebben, dan zijn zij bij machte de gewaarwording te begrijpen en ook anderen tot dit begrijpen te brengen. Dit alles is de bevrijding van de gewaarwording.

34. Aldus sprak de Verhevene.

Engelse versie, zie: http://www.accesstoinsight.org/tipitaka/mn/mn.013.than.html - Maha-dukkhakkhandha Sutta: The Great Mass of Stress
Resp.: http://www.accesstoinsight.org/tipitaka/mn/mn.014.than.html - Cula-dukkhakkhandha Sutta: The Lesser Mass of Stress 
Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com
          home