Māgandiyasutta - Rede aan Māgandiya

(Majjhima Nikāya 75)

uit oude nota’s van Shitoku (Ōchō-in) midden 1950 (?)

Dit heb ik gehoord.

Eens vertoefde de Verhevene in het land ven de Kuru ‘s, bij een stad van de Kuru’m, met name Kammāsadamma, aan de offerhaard van een Brahmaan uit het geslacht Bhāradvāja op een stromat. Nu dan vroegtijdig gereed, nam de Verhevene mantel en bedelnap en begaf zich naar Kammāsadamma om te bedelen, en toen hij in Kammāsadamma spijzen bijeengebedeld had, at hij ze op en begaf zich naar een naburig bos om er de middag door te brengen. Binnen in dit bos zette hij zich neer aan de voet van een boom om er tot de avond te vertoeven.

Toen dan kwam Māgandiya, een pelgrim, op een wandeling voor zijn genoegen, bij de offerhaard van de Brahmaan Bhāradvāja. Daar zag Māgandiya, de pelgrim, bij de haard van de Brahmaan Bhāradvāja de stromat uitgespreid en toen hij die gezien had, sprak hij aldus tot de Brahmaan Bhāradvāja:

“Voor wie toch is die stromat bij de haard van de heer Bhāradvāja uitgespreid? Het ziet eruit als een ligplaats voor een asceet.”

“Het is de asceet Gotama, o Māgandiya, zoon van de Sakya’s, die van het erfgoed der Sakya’s afstand heeft gedapan. Deze heer Gotama begroet men echter overal met verheugde kreten van lof, aldus: ‘Dit is de Verhevene, de heilige, volmaakt ontwaakte, de in wijsheid en wandel beproefde, de Welkome, de wereldkenner, de hoogste leider van het menselijk wezen, de meester der goden en der mensen, de Ontwaakte, de Verhevene.’ Voor deze Heer Gotama is dit leger bereid.”

“Waarlijk, iets kwaads, o Bhāradvāja, hebben wij gezien, nu wij het leger van die heer Gotama, die verwoester hebben gezien.”

“Zeg dat niet, o Māgandiya, zeg dat niet, o Māgandiya! Vele geleerde vorsten en geleerde priesters en geleerde burgers en geleerde asceten zijn door deze heer Gotama bezield en in een heilige, juiste, heilzame leer ingewijd.”

“Zelfs al kwam, o Bhāradvāja, deze heer Gotama voor ons gezicht, in zijn gezicht zouden wij hem zeggen: ‘Een verwoester is de asceet Gotama’ en waarom dat? Omdat hij als een zodanige tegen onze instellingen optreedt.”

“Als het heer Māgandiya niet onaangenaam is, zou ik dit aan asceet Gotama willen mededelen.”

“Ik wil Heer Bhāradvāja hiermee niet lastig vallen, maar laat hij het maar zeggen .”

Nu hoorde de Verhevene met het hemelse oor, verhelderd, bovenmenselijk, het gesprek van de Brahmaan uit het geslacht Bhāradvāja met de pelgrim Māgandiya . Toen nu de Verhevene tegen de avond zijn meditaties had beëindigd, begaf hij zich naar de haardstede van de Brahmaan Bhāradvāja terug en daar aangekomen, zette hij zich op de uitgespreide stromat.

Daarop nu naderde de Brahmaan Bhāradvāja de Verhevene, wisselde met de Verhevene een beleefde groet en zette zich naast hem. Toen zei de Verhevene tot de Brahmaan Bhāradvāja, die naast hem zat, aldus:

“Is er, o Bhāradvāja, tussen u en de pelgrim Māgandiya enig gesprek geweest over dit leger van stro?”

Bij deze woorden sprak de Brahmaan Bhāradvāja sidderend en ontroerd aldus tot de Verhevene:

“Dat willen wij juist aan de heer Gotama overbrengen, maar heer Gotama heeft mij doen verstommen.”

En nauwelijks was dit gesprek van de Verhevene met de Brahmaan Bhāradvāja begonnen, toen de pelgrim Māgandiya, zijn wandeling voortzettende, bij de haard van de Brahmaan Bhāradvāja terugkeerde, waar de Verhevene was; hij wisselde beleefde groeten en vriendelijke, gedenkwaardige woorden met de Verhevene en zette zich naast hem neer. Toen sprak de Verhevene aldus tot de pelgrim Māgandiya die naast hem zat:

“Het oog, Māgandiya, verheugt zich over de vormen, verkwikt zich aan de vormen, verlustigt zich aan de vormen. De Volmaakte heeft het bedwongen, bewaakt, betoomd en beteugeld: om het te beteugelen zet hij de leer uiteen. Hebt gij misschien daaraan gedacht, Māgandiya, toen gij zei: ‘Een verwoester is de asceet Gotama’?”

“Zeker, juist daaraan heb ik gedacht, toen ik zei: ‘Een verwoester is de asceet Gotama,’ en waarom zeg ik dat? Omdat hij als een zodanige tegen onze instellingen optreedt.”

“Het oor, o Māgandiya, verheugt zich in de reuken, de tong, Māgandiya, verheugt zich in de smaken, het lichaam, Māgandiya, verheugt zich in de aanrakingen, de geest, Māgandiya, verheugt zich in de gedachten, geniet van de gedachten, verkwikt zich met de gedachten. De Volmaakte heeft de geest bedwongen, betoomd en beteugeld: om hem te beteugelen zet hij de leer uiteen. Hebt gij misschien daaraan gedacht, Māgandiya, toen gij zei: ‘Een verwoester is de asceet Gotama’?”

“Zeker, juist daaraan heb ik gedacht, toen ik zei: ‘Een verwoester is de asceet Gotama,’ en waarom zeg ik dat? Omdat hij als een zodanige tegen onze instellingen optreedt.”

“Wat denkt gij, Māgandiya, stel eens voor: een mens heeft zich eens bediend van de vormen, die door het oog in het bewustzijn doordringen, de begeerde, beminde, verrukkelijke, lieflijke, aan de begeerte beantwoordende, prikkelende; later heeft hij dan overeenkomstig de waarheid, het ontstaan en het vergaan, de verkwikking en de dorst naar de vormen onderdrukt, de koorts naar de vormen verjaagd, de brandende koorts bedwongen en de kalmte van zijn gemoed verkregen. Wat zoudt gij dan, Māgandiya, tegen zulk een mens kunnen zeggen?”

“Werkelijk niets, Gotama.”

“Wat denkt gij, Māgandiya, stel eens voor: een mens heeft zich eerst bediend van de geluiden, die door het oor in het bewustzijn doordringen, van de geuren, die door de neus in het bewustzijn doordringen, van de smaken, die door de tong in het bewustzijn doordringen, van de aanrakingen, die door het lichaam in het bewustzijn doordringen, de begeerde, beminde, verrukkelijke, lieflijke, aan de begeerte beantwoordende, prikkelende; later heeft hij dan overeenkomstig de waarheid, het ontstaan en het vergaan, de verkwikking en de ellende en de overwinning der aanrakingen onderdrukt, de koorts van de aanrakingen verjaagd, de brandende dorst bedwongen en de kalmte van zijn gemoed verkregen. Wat zoudt gij dan, Māgandiya, tegen zulk een mens kunnen zeggen?”

“Werkelijk niets, Gotama.”

“Ook ik, Māgandiya, leefde vroeger in een huis, genoot van het bezit en het genot van de vijf elementen der begeerte: van de vormen, die door het oog in het bewustzijn doordringen, van de geluiden, die door het oor in het bewustzijn doordringen, van de geuren, die door de neus in het bewustzijn doordringen, van de smaken, die door de tong in het bewustzijn doordringen, van de aanrakingen, die door het lichaam in het bewustzijn doordringen, de begeerde, beminde, verrukkelijke, lieflijke, aan de begeerte beantwoordende, prikkelende aanrakingen. En ik bezat, o Māgandiya, drie paleizen: een paleis voor de regentijd, een winterpaleis en een zomerpaleis. En ik bracht, o Māgandiya, de vier maanden van het regenseizoen in het regentijdpaleis door, bediend door spelende en zingende meisjes en ik daalde niet af van het platte dak. Daarna heb ik, overeenkomstig de waarheid, het ontstaan en het vergaan, de verkwikking en de ellende en de overwinning der begeerte begrepen, de dorst van de begeerte onderdrukt, de koorts van de begeerte verjaagd, de brandende dorst bedwongen en de kalmte van mijn gemoed verkregen.

En ik zag de andere wezens, opgewonden door de begeerte, verteerd door de dorst van de begeerte, verbrand door de koorts van de begeerte, zich verlustigen in de begeerte; en ik benijdde hen niet, ik kon er geen vreugde in scheppen, en waarom niet? Omdat mijn vreugde, Māgandiya, in waarheid ver van begeerten, ver van niet-heilzame dingen, tot een hemels genot steeg: van zulk een vreugde genietend, kon ik die lagere niet benijden en ik schepte er geen vreugde in.

Evenals wanneer, Māgandiya, er een huisvader ware, of zoon van een huisvader, rijk, met geld en goed zeer gezegend, in het bezit en het genot van de vijf elementen der begeerte. En had hij in werken, woorden en gedachten zich goed gedragen en was bij de ontbinding van zijn lichaam na zijn dood langs juiste wegen in de hemelse wereld bij de drieëndertig goden beland. En hij leefde daar in het heerlijke bos, omringd door vele hemelse nimfen, in het bezit en het genot der vijf hemelse elementen der begeerte. En hij zag dan een huisvader, of zoon van een huisvader, in het bezit en het genot van de vijf elementen der begeerte.

Wat denkt gij, Māgandiya, zou die godenzoon, wonend in het heerlijke bos, in gezelschap van zoveel hemelse nimfen, in het bezit en het genot der vijf hemelse elementen der begeerte, die huisvader of die zoon van een huisvader benijden, de menselijke vijf elementen der begeerte missen, tot de menselijke begeerte terugkeren?”

“Dat zeker niet, Gotama!”

“En waarom niet?”

“De hemelse begeerten, o Gotama, zijn beter en hoger dan de menselijke.”

“Evenzo heb ik ook, Māgandiya, vroeger in een huis geleefd, was in het bezit en het genot van de vijf elementen der begeerte. Daarna heb ik, overeenkomstig de waarheid, het ontstaan en het vergaan, de verkwikking en de ellende en de overwinning der begeerte begrepen, de dorst van de begeerte onderdrukt, de koorts van de begeerte verjaagd, de brandende dorst bedwongen en heb de kalmte van mijn gemoed verkregen. En ik zag de andere wezens, opgewonden door de begeerte, verteerd door de dorst van de begeerte, verbrand door de koorts van de begeerte, zich verlustigen in de begeerte; en ik benijdde hen niet, ik kon er geen vreugde in scheppen, en waarom niet? Omdat mijn vreugde, Māgandiya, in waarheid ver van begeerten, ver van niet-heilzame dingen, tot een hemels genot steeg: van zulk een vreugde genietend, kon ik die lagere niet benijden en ik schepte er geen vreugde in.

Evenals wanneer, Māgandiya, een melaatse met een lichaam vol wonden en zweren, door wormen aangevreten, zich met de nagels de wonden openkrabde en zijn lijf bij een test met gloeiende kolen roosterde; en zijn vrienden en verwanten, makkers en neven, verschaften hem een heelmeester en deze heelmeester maakte een geneesmiddel voor hem klaar; en hij gebruikte dit geneesmiddel en werd van de melaatsheid bevrijd, voelde zich genezen, gezond, onafhankelijk, meester om te gaan waarheen hij wilde.

En hij zag dan een andere melaatse, die met een lichaam vol wonden en zweren, door wormen aangevreten, zich met de nagels de wonden openkrabde en zijn lijf bij een test met gloeiende kolen roosterde. Wat denkt gij, Māgandiya, zou hij die melaatse benijden, en de gloeiende kolentest en het gebruik van het geneesmiddel missen?”

“Dat zeker niet, Gotama!”

“En waarom niet?”

“Als men ziek is, Gotama, heeft men medicijn nodig, als men niet ziek is, heeft men geen medicijn nodig.”

“Evenzo heb ik ook, Māgandiya, vroeger in een huis geleefd, was in het bezit en het genot van de vijf elementen der begeerte. Daarna heb ik, overeenkomstig de waarheid, het ontstaan en het vergaan, de verkwikking en de ellende en de overwinning der begeerte begrepen, de dorst van de begeerte onderdrukt, de koorts van de begeerte verjaagd, de brandende dorst bedwongen en heb de kalmte van mijn gemoed verkregen. En ik zag de andere wezens, opgewonden door de begeerte, verteerd door de dorst van de begeerte, verbrand door de koorts van de begeerte, zich verlustigen in de begeerte; en ik benijdde hen niet, ik kon er geen vreugde in scheppen, en waarom niet? Omdat mijn vreugde, Māgandiya, in waarheid ver van begeerten, ver van niet-heilzame dingen, tot een hemels genot steeg: van zulk een vreugde genietend, kon ik die lagere niet benijden en ik schepte er geen vreugde in.

Evenals wanneer, Māgandiya, een melaatse met een lichaam vol wonden en zweren, door wormen aangevreten, zich met de nagels de wonden openkrabde en zijn lijf bij een test met gloeiende kolen roosterde; en zijn vrienden en verwanten, makkers en neven, verschaften hem een heelmeester en deze heelmeester maakte een geneesmiddel voor hem klaar; en hij gebruikte dit geneesmiddel en werd van de melaatsheid bevrijd, voelde zich genezen, gezond, onafhankelijk, meester om te gaan waarheen hij wilde.

En twee sterke mannen grepen hem bij de arm en trokken hem naar de test met de gloeiende kolen. Wat denkt gij, Māgandiya, zou hij niet op alle manieren zijn lichaam terugtrekken?”

“Zeker, Gotama!”

“En waarom dat?”

“Dat vuur, Gotama, is zeer pijnlijk om aan te raken, en zeer zengend en zeer schroeiend.”

“Wat denkt gij, Māgandiya, was nu pas dit vuur pijnlijk om aan te raken en zeer zengend en zeer schroeiend of was ook vroeger dit vuur pijnlijk om aan te raken en zeer zengend en zeer schroeiend?

Nu is dit vuur pijnlijk om aan te raken en zeer zengend en zeer schroeiend en ook vroeger was dit vuur pijnlijk om aan te raken en zeer zengend en zeer schroeiend. De melaatse echter, Gotama, met een lichaam vol wonden en zweren, door wormen aangevreten, die zich met de nagels de wonden openkrabde, was buiten zinnen en bij de pijnlijke aanraking van het vuur meende hij op verdwaasde wijze: ‘Dit doet goed!’

Evenzo nu, Māgandiya, waren ook in het verleden de begeerten smartelijk te verdragen en zeer zengend en schroeiend, en ook in de toekomst zullen de begeerten smartelijk zijn om te verdragen en zeer zengend en schroeiend, en ook in het tegenwoordige zijn de begeerten smartelijk te verdragen en zeer zengend en schroeiend. Deze wezens echter, Māgandiya, opgewonden door de begeerte, verteerd door de dorst van de begeerte, verbrand door de koorts van de begeerte, zijn buiten zinnen en menen bij het smartelijk verdragen van de begeerte: ‘Dat doet goed!’

Evenals wanneer, Māgandiya, een melaatse met een lichaam vol wonden en zweren, door wormen aangevreten, zich met de nagels de wonden openkrabt en zijn lijf bij een test met gloeiende kolen roostert; en hoe meer nu, o Māgandiya, die melaatse zich openkrabt en roostert, des te meer vullen zich zijn wonden met vuilheid, stank en etter, en toch gevoelt hij een zekere voldoening, een zeker genot, terwijl hij zijn wonden openkrabt.

Evenzo nu, Māgandiya, genieten de wezens, opgewonden door de begeerte, verteerd door de dorst van de begeerte, verbrand door de koorts van de begeerte; hoe meer nu de wezens, Māgandiya, opgewonden door de begeerte, verteerd door de dorst van de begeerte, verbrand door de koorts van de begeerte, hoe meer zij van de begeerte genieten, des te meer in hen de dorst der begeerte en worden zij door de koorts van de begeerte verbrand, en toch voelen zij een zekere voldoening, een zeker genot, terwijl zij aan de vijf elementen der begeerte toegeven.

Wat denkt gij, Māgandiya, hebt gij ooit een koning of een vorst gezien of ervan gehoord, die in het bezit en het genot van de vijf elementen der begeerte – zonder de dorst der begeerte onderdrukt, zonder de dorst van de begeerte verdreven, zonder de brandende koorts bedwongen te hebben – de kalmte van zijn gemoed heeft verkregen, verkrijgt of zal verkrijgen?”

“Dat nooit, Gotama.”

“Juist, Māgandiya, ook ik heb nooit gezien of gehoord, dat een koning of een vorst die in het bezit en het genot van de vijf elementen der begeerte was – zonder de dorst van de begeerte onderdrukt, zonder de dorst van de begeerte verdreven, zonder de brandende koorts verjaagd te hebben – de kalmte van zijn gemoed heeft verkregen, verkrijgt of zal verkrijgen. Maar wie der asceten of priesters, Māgandiya, de brandende koorts verjaagd en de kalmte van zijn gemoed verkregen heeft, verkrijgt of zal verkrijgen – ieder van dezen heeft, overeenkomstig de waarheid, het ontstaan en het vergaan, de verkwikking en de ellende en de overwinning der begeerte begrepen, de dorst van de begeerte onderdrukt, de dorst van de begeerte verdreven, de brandende koorts bedwongen, en heeft de kalmte van mijn gemoed verkregen, verkrijgt of zal verkrijgen.”

Daarop sprak de Verhevene bij deze gelegenheid de volgende spreuk uit:

            “Gezondheid is het grootste goed,
            Uitdoving is de grootste vreugde,
            De achtvoudige weg is de beste weg
            Om de onsterfelijkheid te bereiken.”

Na deze woorden sprak de pelgrim Māgandiya aldus tot de Verhevene: “Het is verwonderlijk, o Gotama, het is buitengewoon, o Gotama, hoe juist dit door heer Gotama gezegd is:

            ‘Gezondheid is het grootste goed,
            Uitdoving is de grootste vreugde,’

Ook ik, Gotama, heb gehoord dat de vroegere pelgrims en hun oude meesters zeiden:

            ‘Gezondheid is het grootste goed,
            Uitdoving is de grootste vreugde,’

Dit komt met hen overeen, o Gotama.”

“Wat gij echter, Māgandiya,door de vroegere pelgrims en hun oude meesters hebt horen zeggen:

            ‘Gezondheid is het grootste goed,
            Uitdoving is de grootste vreugde,’

Wat is dat voor een gezondheid, wat is dat voor een uitdoving?”

Bij deze woorden streek de pelgrim Māgandiya zich aldus met de hand over de ledematen: “Dit, o Gotama, is gezondheid, dit is vreugde. Ik tenminste, Gotama, voel mij op het ogenblik gezond, gelukkig; niets bedroeft mij.”

“Evenals wanneer, Māgandiya, er een blindgeborene ware, en hij zag geen zwarte voorwerpen en geen witte, hij zag geen blauwe en geen gele, hij zag geen rode en geen groene, hij zag niet wat effen is en wat oneffen, hij zag geen sterren, geen maan en geen zon. En hij hoorde dan het woord van een ziende: ‘In waarheid, vriend, waardig staat een wit kleed, goedgemaakt, smetteloos en rein.’ En hij ging dan op zoek naar zulk een wit kleed. Maar een andere man bedroog hem met het vuile, vette hemd van een vilder: ‘Daar heb je, man, een wit kleed, goedgemaakt, smetteloos en rein.’ En hij nam het aan en trok het aan, en daarmee aangekleed, ging hij met vrolijke woorden zijn weg: ‘Waarlijk, een wit kleed, goedgemaakt, smetteloos en rein staat waardig.’

Wat denkt gij, Māgandiya, zou misschien die blindgeborene, ziende en wetende, dit vuile, vette hemd van een vilder aangenomen hebben en aangetrokken, en verheugd zijn weg gegaan zijn, zeggende: ‘Waarlijk, een wit kleed, goedgemaakt, smetteloos en rein staat waardig.’ Of deed hij dit omdat hij de ziende geloofde?”

“Zonder het te weten en zonder het te zien, Gotama, nam deze blindgeborene dit vuile, vette hemd van een vilder en trok het aan en verheugde zich erover, omdat hij de ziende geloofde.”

“Evenzo nu, Māgandiya, zijn die andere pelgrims blind, zonder ogen, weten niet wat gezondheid is, zien niet wat uitdoving is en toch reciteren zij de regels:

            ‘Gezondheid is het grootste goed,
            Uitdoving is de grootste vreugde,’

Door de oude, heilige, volmaakt Ontwaakte, o Māgandiya, werden de regels uitgesproken:

            “Gezondheid is het grootste goed,
            Uitdoving is de grootste vreugde,
            De achtvoudige weg is de beste weg
            Om de onsterfelijkheid te bereiken.”

Deze versregels zijn langzamerhand spreekwoordelijk onder het volk geworden. Dit lichaam echter, Māgandiya, is een ziek ding, een bedorven ding, een smartelijk ding, een ellendig ding, een gebrekkig ding en van dit lichaam dat een ziek ding, een bedorven ding, een ellendig ding, een gebrekkig ding is, zegt gij: ‘Dit, o Gotama, is gezondheid, dit is uitdoving.’ U ontbreekt stellig stellig, Māgandiya, het heilig oog: met dit heilige oog zoudt gij weten wat gezondheid is, zoudt gij zien wat uitdoving is.”

“Zo zeer vertrouw ik op heer Gotama dat ik geloof dat heer Gotama in staat is mij de leer op die wijze te verklaren, dat ik de gezondheid kennen en de uitdoving zien moge.”

“Evenals wanneer, Māgandiya, er een blindgeborene ware, en hij zag geen zwarte voorwerpen en geen witte, hij zag geen blauwe en geen gele, hij zag geen rode en geen groene, hij zag niet wat effen is en wat oneffen, hij zag geen sterren, geen maan en geen zon. En hij hoorde dan het woord van een ziende: ‘In waarheid, vriend, waardig staat een wit kleed, goedgemaakt, smetteloos en rein.’ En hij ging dan op zoek naar zulk een wit kleed. Maar een andere man bedroog hem met het vuile, vette hemd van een vilder: ‘Daar heb je, man, een wit kleed, goedgemaakt, smetteloos en rein.’ En hij nam het aan en trok het aan.

En als dan zijn vrienden en makkers, verwanten en neven, hem een heelmeester verschaften en die heelmeester bereidde hem een geneesmiddel, een braakmiddel, een purgeermiddel, een oogwater, een zalf en een nieskruid. En hij kon na het gebruik van dit geneesmiddel zijn ogen openen, zijn ogen zuiveren.

En beginnende te zien verging hem alle lust en plezier in dat vuile, vette kleed van de vilder en hij beschouwde die man als zijn vijand, als zijn tegenstander en hij dacht er zelfs aan hem uit wraak het leven te benemen: ‘Lange tijd ben ik door die man bedrogen, belogen, voor de gek gehouden met het vuile, vette kleed van de vilder: “Daar heb je, man, een wit kleed, goedgemaakt, smetteloos en rein!”’

Op gelijke wijze nu, Māgandiya, kan ik u de leer verklaren, wat gezondheid is, wat uitdoving is, en gij zoudt de gezondheid kunnen leren kennen, de uitdoving kunnen zien en beginnende te zien zou u alle lust in de vijf takken van gehechtheid vergaan en gij zoudt denken: ‘Lange tijd ben ik door mijn eigen hart bedrogen, voor de gek gehouden! Ik was juist aan de vorm gehecht, gebonden, aan het gevoel gehecht, gebonden, aan de waarneming gehecht, gebonden, aan de voorstellingen gehecht, gebonden, aan het bewustzijn gehecht, gebonden. Zo ontstaat in mij uit de gehechtheid het zijn, uit het zijn de geboorte, uit de geboorte het oud worden en de dood, smart en jammer, lijden, bitterheid en vertwijfeling, zodanig ontstaat geheel die keten van lijden in mij. Zo zeer vertrouw ik op heer Gotama, dat ik geloof dat heer Gotama in staat is op die wijze de leer te verklaren, dat ik van deze plaats kan opstaan zonder langer blind te zijn.’

Voeg u dan bij de goeden, Māgandiya. Wanneer gij u, Māgandiya, bij de goeden gevoegd hebt, dan zult gij de goede leer horen. Wanneer gij, Māgandiya, de goede leer zult gehoord hebben, dan zult gij, Māgandiya, overeenkomstig deze leer leven. Wanneer gij, Māgandiya, overeenkomstig deze leer zult leven, dan zult gij, Māgandiya, zelf herkennen, zelf zien: ‘Dit hier is het ziek, bedorvene, smartelijke; daarginds is het zieke, bedorvene, smartelijke zonder overblijfsel vernietigd. Zo wordt door de vernietiging van de gehechtheid in mij het bestaan opgelost, door de vernietiging van het bestaan de geboorte, door de vernietiging van de geboorte, ouderdom en dood, smart en jammer, lijden en bitterheid en vertwijfeling: dit is de oplossing van deze hele keten van lijden.’”

Na deze woorden sprak de pelgrim Māgandiya aldus tot de Verhevene:

“Zeer goed, Gotama, zeer goed, Gotama! Evenals wanneer, o Gotama, iemand iets omgekeerds recht zette of iets verborgens ontdekte of de weg toonde aan verdwaalden of licht bracht in de duisternis. Wie ogen heeft om te zien, zal de dingen zien, evenzo heeft heer Gotama de leer op verschillende wijzen verklaard. En daarom zoek ik mijn toevlucht bij heer Gotama, de Leer en de Gemeenschap der bedelmonniken. Mocht ik van heer Gotama de opname verkrijgen, de inwijding in de Orde verkrijgen!”

“Hij die vroeger tot een andere orde behoorde, en in deze leer en orde opgenomen worden en de inwijding verkrijgen wil, Māgandiya, moet vier maanden wachten. Na verloop van vier maanden wordt hij door beproefde monniken opgenomen en in de monniksorde ingewijd, want ik heb hierbij menige veranderlijkheid ondervonden.”

“Als de aanhangers van een andere orde, o heer, verlangend naar de opname en inwijding in deze leer en orde, vier maanden wachten en na verloop van vier maanden door beproefde monniken opgenomen en in de monniksorde ingewijd worden, dan zal ik vier jaren wachten en eerst na verloop van vier jaren mogen beproefde monniken mij opnemen en mij in de monniksorde inwijden.”

En de pelgrim Māgandiya werd door de Verhevene opgenomen, werd in de Orde gewijd.

En niet lang was de eerwaarde Māgandiya in de orde opgenomen, of hij had, in eenzaamheid wonende, afgezonderd, onvermoeid, vol ijver en volharding, zeer snel nog bij zijn leven, zich het hoge doel van het ascetisme waarvoor de edele zonen hun huis verlaten voor de bedelstaf, duidelijk gemaakt, verwezenlijkt en bereikt. Opgedroogd is het leven, bereikt de heiligheid, gedaan het werk, deze wereld is niet meer, dat begreep hij toen. En zo was toen ook de eerwaarde Māgandiya een der heiligen geworden.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home