Cula-Mālūnkyāputta-sutta - Korte Leerrede gesproken tot Malunkyaputta - Aangaande Nutteloze Theorieën

(Majjhima-nikāya 63)

Dit sutra is een korte (cula) leerrede: het geeft een gesprek weer tussen de Boeddha en de zoon (putto) van de vrouw Malunkyā. Deze tekst behoort tot de oudere lagen van de canon: die leerredenen die teruggaan tot de periode van de Boeddha zelf, of zeer kortelings na hem. Dat kan men opmaken uit de taal en de gedachtegang.
De metafysische vraagstellingen waarmee Malunkyaputto geplaagd zit zijn veelvuldig aan bod gekomen in de geschriften van het oude India. De vraag naar het “zijn of niet-zijn” van de wereld, de vraag naar de “werkelijkheid” of de “illusie”, en de verhouding tussen beide: het zijn vragen die behoren tot de ontologie (zijnsleer), en die o.a. in de Upanisads uitgebreid behandeld werden. Het zijn vraagstellingen die in zowat alle denksystemen aan bod gekomen zijn, ook in de Griekse filosofie.
De probleemstelling is geformuleerd in de typisch boeddhistische viervoudige logische constructie, nl. het tetralemma:
- A is
- A is niet
- A is en is niet
- A is niet noch is niet niet.
Deze voor ons - westers denkenden - ongewone logica verwoordt de stelling dat geen enkele vorm van logica ooit een sluitend geheel vormt. Een logisch systeem is steeds ontoereikend en laat altijd een opening voor een oneindig aantal andere mogelijkheden (b.v. tussen zwart en wit bestaan er ontelbare tinten grijs).
Elke bevestiging of ontkenning kan maar een fragment van de totale werkelijkheid weergeven: er blijven steeds een aantal aspecten die niet aan bod komen, die niet uitgesproken worden, die buiten een ongenuanceerde uitspraak vallen.
Men kan – in boeddhistische visie – nooit een absolute uitspraak doen: elke ‘waarheid’ blijft een relatieve waarheid, steeds in functie van een aantal begeleidende omstandigheden. Op de vraag naar het al dan niet ‘zijn’ van de wereld (en soortgelijke vragen) antwoordt de Boeddha zeer pragmatisch – en als het ware ontnuchterend: hij vestigt de aandacht van zijn leerling erop dat hij gesproken heeft over het kennen van de menselijke situatie in de lijdenswereld, met als doel een antwoord te brengen dat de mens naar de verlossing voert.
Hij bekommert zich niet om de intellectuele problematiek, maar om de behoefte van de mens uit de lijdenswereld bevrijd te worden. Zijn leer is geen zijnsleer (ontologie) maar een heilsleer (soteriologie). Boeddha’s vraag aangaande deze wereld is geen ‘wat-is’-vraag: wat is de wereld, is hij eindig of oneindig, …? En wat is de mens: lichaam of geest? Is hij onsterfelijk, …?
De échte vraag aangaande de wereld is een ‘hoe-is’-vraag: een vraag naar de kwaliteit van het bestaan, en onze houding daartegenover. Het doel van de Leer is een levenshouding, een gedragspatroon te vinden, dat leidt tot een aangepaste, efficiënte reactie op de situatie zoals we die ervaren. Het verwezenlijken van de bevrijding uit de lijdenssituatie is niet enkel afhankelijk van intellectuele kennis (jñāna). Die is zeker nodig, maar is waardeloos indien niet aangevuld met ervaring om tot wijsheid (prajñā) te komen. Het doel van de Leer is, door een onafgebroken wisselwerking tussen theorie en praktijk de mens tot wijsheid te brengen, in denken en handelen.
De vraagstellingen en de kennis die niet op het heil gericht zijn, kunnen zeer boeiend, onderhoudend of aangenaam zijn; in functie van het heil zijn ze tijdrovend, daar waar de toegemeten tijd van een menselijk bestaan al zo kort is.
(KH)

Aldus heb ik gehoord.

Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi, in het Jetavana-klooster in Anāthapindiko’s tuin. Te dien tijde vertoefde de eerwaarde Malunkyaputto in afzondering en meditatie, waarbij een bepaalde overweging in hem opkwam, en wel deze:

“De stellingen die de Verhevene onverklaard gelaten heeft, opzijgezet heeft, verworpen heeft, namelijk

- dat de wereld eeuwig is, dat de wereld niet eeuwig is, dat de wereld begrensd is, dat de wereld niet begrensd is,
- dat geest en lichaam één en hetzelfde zijn, dat de geest één ding is en het lichaam een ander ding,
- dat de Volmaakte[13] na de dood voortbestaat, dat de Volmaakte na de dood niet voortbestaat, dat de Volmaakte na de dood zowel voortbestaat als niet voortbestaat, dat de Volmaakte na de dood noch voortbestaat noch niet voortbestaat,

deze stellingen heeft de Verhevene mij onverklaard gelaten. Het feit dat de Verhevene mij deze stellingen onverklaard gelaten heeft, is mij onaangenaam, is mij hinderlijk. Daarom wil ik mij naar de Verhevene begeven en hem hieromtrent ondervragen. Indien de Verhevene mij uiteenzet dat de wereld eeuwig is… (enz. zoals hierboven)… dan zal ik onder de leiding van de Verhevene de heilige levenswijze leiden. Indien de Verhevene mij niet uiteenzet dat de wereld eeuwig is… (enz. zoals hierboven)… dan zal ik de heilige levenswijze[14] maar opgeven en terugkeren naar het minderwaardige leven van de leek.”

En tegen het avonduur rees de eerwaarde Malunkyaputto uit zijn afzondering op en begaf hij zich naar de plaats waar de Verhevene vertoefde. Na de Verhevene genaderd en gegroet te hebben, zette hij zich eerbiedig terzijde neer. Eerbiedig terzijde zittend, sprak de eerwaarde Malunkyaputto aldus tot de Verhevene:

“Eerwaarde, het overkwam mij dat, terwijl ik in afzondering en meditatie gedompeld was, een bepaalde overweging in mij opkwam, en wel deze:

de stellingen die de Verhevene onverklaard gelaten heeft… (enz. als hierboven, tot:)… terugkeren naar het minderwaardige leven van de leek.

Indien de Verhevene weet dat de wereld eeuwig is, dat de Verhevene mij dan zegge dat de wereld eeuwig is. Indien de Verhevene weet dat de wereld niet eeuwig is, dat de Verhevene mij dan zegge dat de wereld niet eeuwig is. Indien de Verhevene niet weet of de wereld eeuwig of niet eeuwig is, dan is het enige dat iemand kan doen die niet weet of die dergelijk inzicht niet heeft, dat is dan te zeggen: ‘Ik weet het niet, dat inzicht heb ik niet.’

Indien de Verhevene weet dat de wereld begrensd is,… (enz. als hiervóór).

Indien de Verhevene weet dat geest en lichaam één en hetzelfde zijn,… (enz. als hiervóór)

Indien de Verhevene weet dat de Volmaakte na de dood voortbestaat,… (enz. als hiervóór, tot:)… dat inzicht heb ik niet.’

- “Ik bid u, Malunkyaputto, heb ik u ooit gezegd: ‘Kom, Malunkyaputto, leid onder mijn leiding de heilige levenswijze en ik zal u uiteenzetten dat de wereld eeuwig is … (enz. als hiervóór, tot:)… dat inzicht heb ik niet’?”

- “Neen, dat niet, Eerwaarde.”

- “Of hebt gij mij ooit gezegd ‘Eerwaarde, ik zal onder de leiding van de Verhevene de heilige levenswijze leiden op voorwaarde dat de Verhevene mij uiteenzet dat de wereld eeuwig is … (enz. als hiervóór)?”

- “Neen, dat niet, Eerwaarde.”

- “Gij erkent dus, Malunkyaputto, dat ik u nooit heb gezegd: ‘Kom, Malunkyaputto, leid… (enz. als hiervóór) … en eveneens dat gij nooit gezegd hebt: ‘Eerwaarde ik zal (enz. als hiervóór). Welnu, als dit zo is, waarom komt gij hier nu met zo een bittere verwijten af?

Malunkyaputto, wanneer iemand zou zeggen: ‘Ik wil de heilige levenswijze onder de leiding van de Verhevene niet leiden vooraleer de Verhevene mij heeft uiteengezet dat de wereld eeuwig is… (enz. als hiervóór), wel die iemand, Malunkyaputto, die zou gestorven zijn vooraleer de Verhevene hem ooit al deze punten zou uiteengezet hebben.

Het is net zo, Malunkyaputto, als zou een man door een pijl getroffen zijn geworden, waarvan de punt dik met vergift bestreken was. Zijn vrienden en gezellen, zijn verwanten en gezinsleden willen voor een arts of een heelmeester zorgen, maar de gewonde man zou zeggen: ‘Neen, ik wil niet dat deze pijl uitgetrokken wordt vooraleer ik weet of de man die me gewond heeft, behoort tot de kaste van de krijgslieden, van de brahmanen, van de landbouwers of van de lagere kaste.’

Of dat hij zou zeggen: ‘Ik wil niet dat deze pijl uitgetrokken wordt vooraleer ik de naam ken van de man die me gewond heeft of ik weet tot welke clan hij behoort.’

Of dat hij zou zeggen: ‘Ik wil niet dat deze pijl uitgetrokken wordt vooraleer ik weet of de man die me gewond heeft, van grote, van middelmatige of van kleine gestalte is.’

Of dat hij zou zeggen: ‘Ik wil niet dat deze pijl uitgetrokken wordt vooraleer ik weet of de man die me gewond heeft een zwarte, een bruine of een gele huidskleur heeft.’

Of dat hij zou zeggen: ‘Ik wil niet dat deze pijl uitgetrokken wordt vooraleer ik weet in welk gehucht, welk dorp, welke stad de man woont die me gewond heeft.’

Of dat hij zou zeggen: ‘Ik wil niet dat deze pijl uitgetrokken wordt vooraleer ik weet dat de boog waarmee ik getroffen werd een gewone boog of een kruisboog is.’

Of dat hij zou zeggen: ‘Ik wil niet dat deze pijl uitgetrokken wordt vooraleer ik weet dat de boogpees gemaakt werd van zwaluwwortel, van bamboe, van zenuw, van hennep of van melkplantbast.’

Of dat hij zou zeggen: ‘Ik wil niet dat deze pijl uitgetrokken wordt vooraleer ik weet dat de pijlschacht gemaakt werd van riet of van glad hout.’

Of dat hij zou zeggen: ‘Ik wil niet dat deze pijl uitgetrokken wordt vooraleer ik weet dat de pijlschacht geveerd was met pluimen van een gier, van een reiger, van een valk, van een pauw of van een sithilahanu.’

Of dat hij zou zeggen: ‘Ik wil niet dat deze pijl uitgetrokken wordt vooraleer ik weet dat de pijlschacht opgebonden was met pezen van een os, van een buffel, van een ruru-hert of van een aap.’

Of dat hij zou zeggen: ‘Ik wil niet dat deze pijl uitgetrokken wordt vooraleer ik weet dat het een gewone pijl is, een pijl met omgebogen punten, een pijl met weerhaken, een ijzeren pijl, een pijl van kalfstand of een bladvormige pijl.’

Vooraleer die man, Malunkyaputto, dat allemaal zou vernomen hebben, zou hij al lang gestorven zijn.

Zo is het ook, Malunkyaputto, wanneer iemand zou zeggen: ‘Ik wil de heilige levenswijze onder de leiding van de Verhevene niet leiden vooraleer de Verhevene mij uiteengezet heeft dat de wereld eeuwig is… (enz. als hiervóór), wel die man, Malunkyaputto, zou gestorven zijn vooraleer de Tathagata hem dat allemaal zou uiteengezet hebben.

De heilige levenswijze, Malunkyaputto, hangt niet af van de stelling dat de wereld eeuwig is; noch hangt de heilige levenswijze af van de stelling dat de wereld niet eeuwig is. Welke stelling men ook aankleeft, Malunkyaputto, of de wereld nu eeuwig is of niet eeuwig, er blijft immers het feit van geboorte, ouderdom, dood, verdriet, jammer, pijn, ellende en wanhoop - en het is de uitdoving daarvan in dit leven die ik onderricht.

De heilige levenswijze, Malunkyaputto, hangt niet af van de stelling dat de wereld begrensd is… (enz. zoals hiervóór), dat geest en lichaam één zijn… (enz. als hiervóór), dat de Volmaakte na de dood voortbestaat… (enz. als hiervóór), er blijft immers het feit van geboorte, ouderdom, dood, verdriet, jammer, pijn, ellende en wanhoop - en het is de uitdoving daarvan in dit leven die ik onderricht.

Daarom, Malunkyaputto, denk steeds aan hetgeen ik niet uiteengezet heb en aan hetgeen ik wél uiteengezet heb. Wat, Malunkyaputto, heb ik niet uiteengezet? Ik heb niet uiteengezet dat de wereld eeuwig is… (enz. als hiervóór). En waarom, Malunkyaputto, heb ik dat niet uiteengezet? Omdat, Malunkyaputto, dit niet doeltreffend is, geen grond biedt voor de heilige levenswijze en ook niet leidt tot verzaking, tot begeerteloosheid, tot opheffing, tot rust en hoger weten, tot verlichting en nibbana. Om die reden heb ik dat niet uiteengezet.

En wat, Malunkyaputto, heb ik dan wél uiteengezet? ‘Dit is het lijden’ heb ik uiteengezet; ‘Dit is de oorsprong van het lijden’, ‘Dit is de opheffing van het lijden’, ‘Dit is het pad dat voert naar de opheffing van het lijden’, dàt heb ik uiteengezet.

En waarom, Malunkyaputto, heb ik dat uiteengezet? Omdat dit doeltreffend is, een grond biedt voor de heilige levenswijze, leidt tot verzaking, tot begeerteloosheid, tot opheffing, tot rust en hoger weten, tot verlichting en nibbana. Om die redenen heb ik dat uiteengezet.

Daarom, Malunkyaputto, denk steeds aan hetgeen ik niet uiteengezet heb en aan hetgeen ik wél uiteengezet heb.”

Aldus sprak de Verhevene. Met vreugde en dankbaarheid in zijn gemoed, stemde de eerwaarde Malunkyaputto in met de woorden van de Verhevene.


[13] tathāgata

[14] brahmacariya (Sanskriet brahmacarya): in boeddhistische zin, het religieuze leven in onthouding en kuisheid, het verzaken aan het wereldse, de bestudering van de Leer.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home