Yamaka-Vagga - Tweelingverzen

(Dhammapada I, 1-20)

Yamaka-Vagga

De Yamaka-vagga of Tweelingverzen maken deel uit van de Dhammapada. Deze was reeds heel vroeg een populaire tekst in de westerse religieuze literatuur: in de 18de eeuw werd hij in het Latijn vertaald.
De tekst is bewaard in het Pali, maar bestaat ook in het Tibetaans, Gandari, Chinees en fragmentair in het Sanskriet.
De redactie van de tekst had plaats rond -200.
De Dhammapada bestaat uit 253 strofen die samengebracht zijn in kapittels, met diverse titels zoals: Het Geluk, Het Goede, De Straf, De Olifant, De Bloemen, De Monnik e.a.
De benaming ‘Tweelingverzen’ verwijst naar een veel voorkomende vorm: de strofen vormen twee per twee een eenheid in spiegelbeeld van ontkenning en bevestiging.
De twee eerste strofen verwoorden uiterst kort en bondig de basiselementen van de boeddhistische leer:
1 het samengesteld en veranderlijk zijn van alle dingen (anicca), waaruit de ontkenning van een ‘zelf’ volgt (anatta).
2 de determinerende invloed van de geest op de kennis, de ervaring en het handelen van de mens: de geest is het vormend element voor de bewustzijnsinhoud.
Vanuit de waarneming – door middel van de zintuigen – bouwt de mens zich een wereldbeeld op. Daarin speelt de geest (manas) een bepalende rol: manas wordt beschouwd als een zintuig op zichzelf. Door zijn rol in het opbouwen van de bewustzijnsinhoud (vijnana) maakt manas het onderscheid tussen ‘ik’ en ‘buitenwereld’, en ligt aan de basis van een ik-visie op de wereld. Deze visie moet noodzakelijkerwijs door lijden getekend zijn. De ik-gerichte gemoedsgesteldheid ziet zichzelf als centrum van de wereld, wil alles naar zich toe halen en moet noodzakelijkerwijze onafgebroken gefrustreerd worden door de confrontatie met de beperkingen van dat ik. Het doel van de leer is dit ik-denken te doorzien en te ontzenuwen. Door de filter van het manas-ik-denken weg te nemen kan men komen tot een niet-verkleurde rechtstreekse ervaring. Het zuiver-maken van de geest gebeurt in het zich vrijmaken van egocentrisme, vooroordelen, emoties (afkeer en begeerte) en andere vertekenende invloeden (onwetendheid). Dit betekent een eerste en zeer belangrijke stap op het pad dat voert naar Verlichting.
Het ‘gemoed’ (citta) verwijst naar een houding: de wilsrichting van de geest. Naargelang dat gemoed een heilzame of een onheilzame houding aanneemt, zal het zaligheid (sukha) of lijden (dukkha) ervaren.
Dat dit menselijk gemoed ‘wispelturig en moeilijk te temmen als een stormwind’ is, is wereldwijd bekend.
Toch ligt daarin de eerste stap naar de bevrijding.
De strofen zijn verschillend van kwaliteit: sommige zijn ontroerend door hun poëtische formulering, andere aangrijpend door hun directheid. Weer andere komen moeilijk over omdat ze zwaar moraliserend klinken. Men moet er evenwel altijd aan denken dat ze niet enkel ethisch maar wel soteriologisch gericht zijn.
Ze verwoorden het ethische aspect bevat in het Achtvoudige Pad; daarbij leggen ze alle gewicht voor een ethische levenshouding in de geest, in de gedachte, in de gemoedsgesteldheid van waaruit gehandeld wordt.
Ethiek is een inwendig gebeuren. Goed en kwaad worden niet bepaald door de handeling, maar door de geesteshouding van waaruit men de handeling stelt. Een ik-gerichte geesteshouding kan enkel het onheilzame te weeg brengen.

 

1. De bestaansfactoren hebben geest als hun voorloper,
hebben geest als hun hoogste, zijn uit geest opgebouwd.
Zo iemand met een verdorven gemoed spreekt of handelt,
dan volgt hem leed
zoals het wiel de voet van het trekdier.

2. De bestaansfactoren hebben geest als hun voorloper,
hebben geest als hun hoogste, zijn uit geest opgebouwd.
Zo iemand met een helder gemoed spreekt of handelt,
dan volgt hem geluk
zoals een onafscheidelijke schaduw.

 

3. “Hij schold me, hij sloeg me,
hij overwon me, hij beroofde me.”
Zij die zulke gedachten koesteren,
hun haat wordt niet gestild.

4. “Hij schold me, hij sloeg me,
hij overwon me, hij beroofde me.”
Zij die zulke gedachten niet koesteren,
hun haat wordt volkomen gestild.

 

5. Waarlijk: haat door haat
komt nooit tot stilstand;
maar door niet-haat komt haat tot stilstand;
dat is een oude wet.

6. Sommigen beseffen vaak niet
dat wij hier aan de dood onderworpen zijn;
maar zij die dat beseffen
stillen daarom hun twisten.

 

7. Wie vertoeft in beschouwing van het prettige,
in zijn zinnen onbeheerst is,
bij het voedsel geen maat kent,
die lui en met weinig energie is,
hem overrompelt Mara voorzeker,
zoals de wind een zwakke boom.

8. Wie niet vertoeft in beschouwing van het prettige,
in zijn zinnen goed beheerst is,
ook bij het voedsel maat kent,
die vertrouwensvol en energiek is,
hem overrompelt Mara voorzeker niet,
evenmin als de wind een rotsgebergte.

 

9. Wie niet vrij is van smetten
en het oranjegele kleed draagt,
zonder zelfbedwang en zonder waarheid,
hij is dat oranjegele kleed niet waardig.

10. Maar wie alle smetten heeft achtergelaten,
welbedaard is in zedelijk handelen,
met zelfbedwang en waarheid,
waarlijk, hij is dat oranjegele kleed waardig.

 

11. Zij die het onware voor waar houden
en in het ware het onware zien,
zij verkrijgen het ware niet
maar vertoeven op de weigronden van verkeerde zienswijzen.

12. Maar zij die het ware als ware erkend hebben
en het onware als het onware,
zij verkrijgen het wareen vertoeven op de weigronden van de juiste zienswijzen.

 

13. Evenals in een slecht afgedekt huis
de regen binnen lekt,
evenzo in een slecht afgedekt gemoedlekken de driften binnen.

14. Evenals in een goed afgedekt huis
de regen niet binnenlekt,
in een ontwikkeld gemoed
lekken de driften niet binnen.

 

15. Hij treurt hier, hij treurt hierna,
op beide plaatsen treurt wie het slechte doet;
hij treurt, hij is bekommerd,
zijn eigen bevlekte daden gezien hebbend.

16. Hij verheugt zich hier, hij verheugt zich hierna,
op beide plaatsen verheugt zich wie het goede doet;
hij verheugt zich, hij verheugt zich zeer,
zijn eigen reine daden gezien hebbend.

 

17. Hier wordt hij door spijt gekweld, en ook hierna nog,
op beide plaatsen wordt de slecht-doener door spijt gekweld;
“Het slechte werd door mij gedaan,” zo wordt hij gekweld,
en meer nog als hij gaat naar smartelijke bestaansvormen.

18. Hier verblijdt hij zich, en ook hierna nog,
op beide plaatsen verblijdt zich de goed-doener;
“Het verdienstelijke werd door mij gedaan,” zo verblijdt hij zich,
en meer nog als hij gaat naar vreugdevolle bestaansvormen.

 

19. Indien iemand veel over de schriftuur spreekt,
maar er niet naar handelt, die mens is nalatig,
als een herder die andermans vee telt.
Hij heeft geen deel aan de zegening van een kluizenaar.

20. Indien iemand weinig over de schriftuur spreekt
maar leeft in toepassing van de Leer,
drift en haat en verblinding verlaten heeft,
volkomen duidelijk wetend, met een wel-bevrijd gemoed,
aan niets in deze of gene wereld hechtend,
hij heeft deel aan de zegening van een kluizenaar.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com
          home