Patalagami - Het Nibbāna

(Udāna VIII, 1-4)

Patalagami
Deze aan de Boeddha toegeschreven “Plechtige Uitspraken” behoren eveneens tot de oudste gelaagdheid van de Pali-canon (-6de-4de eeuw vóór onze tijdrekening). 
Van nibbana (Sanskriet nirvana), letterlijk het “stillen van de wind” of “doven van de vlam” wordt gezegd dat het ondenkbaar, onvoorstelbaar, onbeschrijfbaar is. 
Ondanks deze onvoorstelbaarheid (want niet conceptueel) zal men toch trachten een benaderingswijze te formuleren. Hiertoe bestaan twee methoden: 
Via negativa (apafatische methode) 
Deze methode tracht via de negatie van alle mogelijke voorstellingen of conceptualisaties de ruimte te scheppen die nodig is voor de verwezenlijking van Nirvana. De methode wordt hoofdzakelijk toegepast in het Kleine Voertuig en is als benaderingswijze hoofdzakelijk voor monniken bedoeld (benadering door meditatieve praktijken) en minder geschikt voor de “gewone” man.
Via positiva (katafatische methode)
Is hoofdzakelijk van toepassing in het Grote Voertuig en wordt gekenmerkt door het gebruik van metaforen. Voorbeeld:
- ‘Lege Toren’ in Gandavyuha-sutra (Avatamsaka)
- ‘Reine Land’ in Sukhavativyuha-sutra (Reine-Land)
Ook de visie op de verwezenlijking van Nirvana verschilt:
Het Kleine Voertuig ziet de Verlichting als individueel gebeuren, met als ideaal de Arhat (Sanskriet Arahant) die de verlichting voor/door zichzelf verwezenlijkt. 
Het Grote Voertuig ontwikkelde daarentegen het ideaal van de Bodhisattva. Dit ideaal werkt toe naar de verwezenlijking van de verlichting voor/door alle wezens zonder onderscheid, m.n. de verlichting als collectief gebeuren. 

 

Nirvana 
Men kan niet helemaal stellen dat de vraag naar Nirvana behoort tot de categorie van de nutteloze vragen, maar er is wél een waarschuwing vanwege de Boeddha om zich niet al te veel bezig te houden met de vraag naar een definitie van Nirvana. Alle antwoorden verzeilen dan vlug in de sfeer van ‘berekeningen, verwachtingen’, die in het Boeddhisme tot het domein van de begeerte, van het onheilzame behoren. 
De Boeddha vergelijkt de antwoorden op dergelijke vraagstelling bij een groepje blinde mensen, die zich aan elkaar vasthouden en elkaar leiden, maar noch degenen die vooraan lopen noch die in het midden noch die achteraan kunnen iets of wat zien. De ene blinde leidt de andere, niemand die er een zicht op heeft… (Teviga-sutta). 
Toch is het vanzelfsprekend dat mensen vragen stellen over dit onderwerp; toch is het vanzelfsprekend dat er pogingen zijn om het onderscheid tussen de ervaring van de lijdenswereld en de opheffing ervan te omschrijven. 
Een eerste manier om Nirvana te omschrijven is de vermelding van wat Nirvana niét is: alles wat men in de lijdenswereld ervaart zal ‘dáár’ níét zijn.
Afwezigheid van begeerte, afkeer en verdwazing: dat zijn kenmerken van Nirvana.
“Nirvana is géén huis van duisternis.”
Nirvana is een toestand waar geen onrust meer heerst – onrust van een brandend vuur, van koorts of van een razende storm – omdat er geen streven meer is, geen gehechtheid, geen vrees of afkeer. Het vuur is gedoofd, de storm is gaan liggen, de koorts is gedaald: er is rust gekomen in het landschap. Nirvana is die toestand waarin Wijsheid en Mededogen aanwezig zijn.
In het Hinayana (Smalle Voertuig) wordt het Nirvana verwezenlijkt als een laatste stadium van ‘de in de stroom getredene’: diegene die de weg van wijsheid, moraliteit en concentratie heeft afgelegd. Het is een persoonlijke verwezenlijking van de arahat, de wijze.
In het Mahayana (Groot Voertuig) krijgt Nirvana een niet-persoonsgebonden aspect: alle wezens streven – bewust of onbewust – naar Verlichting van alle wezens. Dat is mogelijk doordat erkend wordt dat elk wezen (dus ook de mens) in zich de potentiële Boeddhanatuur (natuur ter Verlichting) draagt. Een bijzondere plaats wordt er gegeven aan de ‘Bodhisattva’, het wezen ter Verlichting (zie verder).
In de Reine-Landschool wordt Nirvana gesymboliseerd in het beeld van de Geboorte in het Reine Land: een gebied waar alles vreugde, vrede, schoonheid en overvloed uitstraalt. Het is het land van Amida Boeddha, beschreven in het Amidakyō (zie verder). Wanneer deze toestand van gelukzaligheid, die wij nastreven, ons voorlopig zo weinig begerenswaardig voorkomt – we staan toch niet te springen om erheen te gaan ? – dan is dat doordat we zo vervuld zijn van ons zelf, onze verlangens en gehechtheden, onze verdwazing die ons belet zelfs ons lijden los te laten.
Wat belangrijk is in het benaderen van het concept van Nirvana, is het besef dat Nirvana niet iets is dat zal oprijzen na de dood. Verlichting is, in eerste instantie, een toestand van het gemoed die we nu kunnen ontwikkelen, die we nu kunnen verwezenlijken, hier in deze wereld van ervaring van lijden.
Dit is o.m. de stelling van de filosoof Nagarjuna, wanneer hij zegt: “Nirvana is in wezen niet verschillend van samsara; samsara is in wezen niet verschillend van Nirvana.” (Mula-Madhyamika-karika).
Dit wordt kernachtig uitgedrukt in de woorden van Saiichi, een myokonin uit de Jodo-Shinshu traditie:
Saiichi, waar is je Land van Vrede en Zaligheid?
Mijn land van Vrede en Zaligheid is hier.
Waar is dan de scheidingslijn
tussen deze wereld en het Land van Vrede en Zaligheid?
Het oog is de scheidingslijn.
Waarlijk, ik ben een gelukkig mens!
Ik bezoek het Reine Land zoveel ik wil!
Ik ben er, en hop, ik ben weer hier.
Daar, en hop, weer hier terug!
Namu Amida Butsu!
(KH)

 

(1)

Aldus heb ik gehoord:

Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi, in Jetavana[20], het park door Anathapindiko als verblijfplaats aan de monniken geschonken. Te dien tijde hield de Verhevene een leerrijke, aangrijpende, opwekkende en verheugende leerrede over het nibbana[21]. De monniken luisterden aandachtig, begrepen de betekenis, overdachten ze en aanvaardden ze met geheel hun hart. Te dezer gelegenheid sprak de Verhevene volgende plechtige uitspraken:

“Monniken, er is een toestand waarin noch aarde noch water noch vuur noch lucht is,
noch oneindigheid van ruimte noch oneindigheid van bewustzijn noch niets-heid,
noch waarneming noch niet-waarneming noch grensgebied tussen waarneming en niet-waarneming,
noch deze wereld noch gene wereld noch zon noch maan.
Dat, monniken, noem ik noch komen noch gaan, noch blijven noch vergaan noch ontstaan.
Het is zonder stabiel steunpunt, zonder evolutie en zonder zintuiglijke bases:
Dat is het einde van het lijden!”

(2)

En te dezer gelegenheid sprak de Verhevene in dit verband ook nog volgende plechtige uitspraak:

“Moeilijk te vatten is de Leer van niet-zelf,
niet gemakkelijk te vatten is de waarheid.
Maar wie ze begrijpen kan, overmeestert de begeerte;
voor wie ze inziet, zijn de dingen als tot niets geworden.”

(3)

En te dezer gelegenheid sprak de Verhevene in dit verband ook nog volgende plechtige uitspraak:

“Er is, monniken, een niet-geborene, niet-ontstane, niet-geschapene, niet-gevormde. Zou dit niet bestaan, monniken, dan zou er ook geen ontsnappen zijn uit het geborene, ontstane, geschapene, gevormde. Maar vermits, monniken, er een niet-geborene, niet-ontstane, niet-geschapene, niet-gevormde is, daarom is er ook een ontsnappen uit het geborene, ontstane, geschapene, gevormde.”

(4)

En te dezer gelegenheid sprak de Verhevene in dit verband ook nog volgende plechtige uitspraak:

“Daar waar gehechtheid bestaat, daar is onrust; waar geen gehechtheid bestaat, daar is geen onrust. Waar er geen onrust bestaat, daar heerst rust; waar rust heerst, daar is geen begeerte; waar geen begeerte is, daar is geen komen en gaan. Waar geen komen en gaan is, daar is geen geboorte en dood; waar geen geboorte en dood is, daar is noch deze noch gene wereld noch iets dat ertussen ligt.

Dat is het einde van het lijden.”


[20] Vertaald: Het Overwinnaarsbos.

[21] Sanskriet: nirvāna.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home