Metta-sutta - Leerrede van de Al-Liefde

(Sutta-nipāta, Uragga-vagga 8, 143-152)

Deze tekst – die zeer populair is – behoort niet tot de oudste teksten van de canon; toch is hij gemeenschappelijk aan alle boeddhistische stromingen. Hij bevat duidelijk alle elementen van de leer van de Boeddha: het erkennen van begeerte, haat en verdwazing als het tegengestelde van de toestand van vrede, vreugde en onthechting die voert tot verlichting.
Metta (Pali) of maitri (Sanskriet) betekent “liefde”, maar dan wel in een specifieke betekenis:
- een gemoedstoestand van welwillendheid, openheid en vredelievendheid;
- een niet-selectieve liefde: een liefde zonder onderscheid voor iedereen en alles wat bestaat. 
‘Metta is liefde die niet gebonden is aan één moment van welwillendheid dat ons kan overvallen tegenover een persoon of een groep mensen. Metta is niet gebonden aan een sentiment dat voorbijgaand is, en dikwijls op de achtergrond naar ons ‘ik’ verwijst. 
Metta is het besef dat alle mensen in de geconditioneerde situatie van het menselijk bestaan vertoeven, en dus mededogen en aanvaarden verdienen in plaats van oordeel of verwerping.’ (Daniëlle Girardin) 
Ook deze tekst bevat elementen van de ethica van het boeddhisme, ook al klinkt het minder moraliserend: het ritmisch terugkeren van de wens ‘mogen alle wezens gelukkig zijn’ geeft de toon iets meer poëtisch dan dwingend. 
Maar ook hier is duidelijk dat de ethiek niet op zichzelf staat, maar enkel verwijst naar het heilzame of onheilzame. De norm is niet ‘het moreel-goede’, maar het heilzame: dat wat voert naar verlichting. 
De sfeer waarin het geheel zich afspeelt is die gemoedsgesteldheid die het geluk aan alle wezens toewenst.
De tekst vertrekt van ethische bepalingen, om dan als het ware op te stijgen tot de mystieke hoogte van een toestand van vrede en liefde, om dan terug op de wereld neer te dalen in een concrete omschrijving van moraliteit.

 

143 Ziehier wat volbracht moet worden door wie het heilzame
nastreeft, die de vredesplaats verworven heeft:
hij weze bekwaam, oprecht, waarachtig,

144 tevreden, karig, onbezorgd, vergenoegd, gestild van zinnen, verstandig,
hij weze niet trots over afstamming noch begerig naar meer of groter familiebezit.

145 Moge hij niets doen dat laag of laaghartig is, waarvoor de wijzen hem zouden laken.
Mochten alle wezens in vreugde en veiligheid vertoeven,
mochten alle wezens gelukkig zijn!

146 Mocht toch elk wezen gelukkig zijn, of het nu beweeglijk of onbeweeglijk is,
lang, groot, middelmatig of kort, fijn of grof,

147 zichtbaar of onzichtbaar, dichtbij of ver,
geboren of toekomstig.
Mochten alle wezens gelukkig zijn!

148 Moge nooit de ene de andere ontgoochelen,
moge niemand uit haat of nijd een ander enig leed toewensen.

149 Zoals een moeder haar eigen kind, haar enig kind levenslang beschermt,
Moge zo elkeen tegenover gelijk welk levend wezen
een onmetelijke geest ontwikkelen.

150 Ja, in alliefde voor de gehele wereld ontwikkele men een onmetelijke geest,
boven, onder en horizontaal, zonder tegenzin, zonder vijandigheid, zonder vijand.

151 Staande, gaande, zittend of neerliggend weze men vrij van verdwazing,
men steune op zulke overtuiging;
dat, zegt men, is hier reeds de verheven verblijfplaats.

152 Zich niet inlatend met twisten over opvattingen,
rechtschapen, volmaakt in inzicht,
alle lust naar zinnelijke dingen terzijde geschoven hebbend,
zo zal de volmaakte geen wedergeboorte meer kennen.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home