De Vier Grote Bodhisattva-Geloften

(Traditionele tekst, waarvan talrijke versies bestaan)

Met deze tekst doen we een intrede in de Mahayana-literatuur. Zonder al te veel te willen vereenvoudigen, merkt men hier toch onmiddellijk een andere toonaard in stijl en woordgebruik. De eerder didactische en theoretiserende stijl maakt plaats voor een meer barokke taal, vol beeldende taferelen die kosmische visioenen oproepen.
Onderwerp is nog steeds het onderricht in de leer, maar de landschappen waar dit onderricht zich afspeelt is bevolkt met goden en godinnen, bodhisattva’s en Boeddha’s uit de vier windstreken, weelderige bomen en geurende bloemen, blinkende vijvers, zingende vogels, en schitterende juwelen alomtegenwoordig.
De historische Boeddha ontglipt aan tijd en ruimte en wordt een manifestatie van het Boeddhaschap, dat niet meer persoonsgebonden is. Toch wordt deze ‘metafysische hoogvlucht ‘ regelmatig onderbroken om de lezer aan het ‘sunyata-beginsel’ te herinneren. Niet te miskennen is ook de toon van irritatie tegenover de monniken. Door de uitbreiding van Klein naar Groot Voertuig, zal de sangha (gemeenschap) de monniken af en toe eraan herinneren dat de verlichting geen monopolie van specialisten is, maar een gemeenschappelijk goed dat alle wezens toekomt. Deze ‘berispingen’ leest men in de passages waar monniken een beetje dom en belachelijk worden afgeschilderd.
Het grote onderscheid tussen Hinayana en Mahayana ligt in de idee dat het er niet om gaat dat elk wezen voor zichzelf de verlichting wil verwezenlijken, maar dat men de verlichting van alle wezens nastreeft. Men stapt uit het kleine ik-voertuig over in een groot voertuig waarin alle wezens met de stroom kunnen oversteken.
Dit wordt het sterkst uitgebeeld in het ideaal dat men stelt:
- de arahant, de ‘heilige’ uit het Kleine Voertuig, is de persoon die door het beoefenen van de praktijken een aantal ‘stadia’ doorloopt die uitmonden in de verlichting. De beperktheid van de arahant ligt in zijn gebrek aan mededogen. Hij ontwikkelt de wijsheid, die hem bij zijn dood verlossing zal brengen.  Maar hij blijft in gebreke wat mededogen betreft: hij is alleen in zijn eigen verlossing geïnteresseerd.
- de bodhisattva, het wezen ter Verlichting uit het Grote Voertuig, ontwikkelt naast de wijsheid ook het mededogen. Op het ogenblik dat hij verlichting bereikt, ‘weigert’ hij nirvana ‘binnen te treden’: hij wil ook andere wezens tot die verlichting brengen. Hij wil zijn eigen verlossing niet loskoppelen van die van alle wezens. Hij verwezenlijkt ook mededogen.
Het concept van bodhisattva heeft een uitbreiding van betekenis gekregen; het staat voor de ‘werkzaamheid’ van het boeddhaschap, d.w.z. voor de eigenschappen van de Boeddha: wijsheid en mededogen. Van daaruit zijn dan de (antropomorfe) vormen van de bodhisattva ontstaan: wijsheid in de persoon van Maitreya en Mahasthamaprapta; mededogen in de persoon van Avalokitesvara.
In de iconografie kan men ze onderscheiden door het feit dat ze afgebeeld worden als wereldse prinsen.
Over de intentie alle wezens tot verlichting gaat de volgende tekst die de ‘Geloften’ van de bodhisattva verwoordt.
Deze geloften zijn niet de verwoording van een verbintenis die de bodhisattva plechtig aangaat; ze zijn een uitdrukking van een intentionele houding, die een ‘tweede natuur’ geworden is. Het behoort tot de aard van de bodhisattva ingesteld te zijn op de verlichting van alle wezens.
Het uitspreken van de geloften is eerder een zaak van de ‘gewone mens’ die de intentie uitspreekt de weg van de bodhisattva te volgen. Daarom wordt deze tekst ook in liturgische context gebruikt.
Op deze wijze kan elke gewone mens een bodhisattva zijn, voor elke andere gewone mens.
Het is belangrijk er op te wijzen dat het er niet om gaat de verlichting te verwezenlijken ‘in de plaats van’ of ‘voor’ alle anderen; het gaat er om andere wezens tot verlichting te brengen. Het mededogen bestaat niet uit mede-lijden: er is geen verdienste aan lijden, ook niet ‘voor de ander’. Mededogen is de weg aanwijzen die bevrijdt uit het lijden. Men kan – boeddhistisch gezien – niet het lijden van iemand anders op zich nemen. Men kan de andere, via de leer, helpen zichzelf te bevrijden.

1. Hoe ontelbaar ook de wezens zijn,
ik neem mij voor ze alle uit de lijdenswereld te bevrijden.

2. Hoe onuitputtelijk ook de begeerten zijn,
ik neem mij voor ze alle tot uitdoving te brengen.

3. Hoe onmetelijk ook de leringen[23] zijn,
ik neem mij voor ze alle te bemeesteren.

4. Hoe onvergelijkbaar ook de Boeddha-waarheid is,
ik neem mij voor ze geheel te verwezenlijken.


[23] dharma - kan hier ook ‘bestaansfactoren’ betekenen.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home