Saddharma-Pundarīka-sūtra - Lotus-sutra - De Ware Natuur van de Boeddha

Lotus-sutra XV, gāthā (Tathāgatāyus-pramāna)

Het sutra van de Uitnemende Leer van de Witte Lotus: een van de belangrijke teksten uit het Mahayana-boeddhisme. De witte lotus staat als symbool voor het boeddhisme: een onbevlekte zuivere bloem die opstijgt vanuit slijkerige modder.
De Volkomen Leer speel t zich af op het niveau van de Boeddha: maar deze leer wordt gehoord door 84 000 toehoorders, die de leer enkel op samsarisch niveau kunnen horen.
De Leer onder deze vorm is een geschikt middel – een upaya kausalya – om die verheven vorm die wij als beperkte wezens niet kunnen vatten toch begrijpbaar te maken. Het Boeddhaschap, de Saddharma kunnen wij in onze beperkte samsarische situatie niet vatten. De vorm – in woorden en beelden – waaronder de leer aan mensen is gepredikt is niet de Volkomen Leer, maar het geschikt middel om de wezens in contact te brengen met de Verlichting. Daaruit ontstaat de idee van de drie voertuigen - de Triyana. Elk wezen zal volgens de eigen mogelijkheden, door het gebruik van een voertuig tot de Verheven Leer komen. Zowel het voertuig van de eenvoudige toehoorders (sravakayana), als het voertuig van hen die op eigen kracht de verlossing bewerkstelligen (pratyeka-buddha), als het voertuig van de bodhisattva: allemaal behoren ze tot het éne voertuig (ekayana), het voertuig van de Verheven Leer. Ook al zijn deze middelen beperkt, ze vormen een geschikt middel om het doel te bereiken.
In deze stelling weerspiegelt zich ook nogmaals de overtuiging van de lekengemeenschap, dat zij volwaardig deel uitmaakt van de gemeenschap, samen met monniken, op de weg naar Verlichting.
In deze tekst zien we een uitbreiding van de historische Boeddha tot het ‘boeddhaschap’ een niet-persoonsgebonden, noch tijd-en-ruimtegebonden voorstelling, op het niveau waar Leer, Boeddha en Verlichting elkaar bevatten.
Deze ‘kosmische’ Boeddha, verklaart zijn ‘wezen-buiten-tijd-en-ruimte’, binnenin de tijdelijke en beperkte verkondiging van de leer in de samsarische wereld. De samsarische bestaansvorm van de universele Boeddha manifesteert zich op het ogenblik dat de wereld daar karmisch rijp voor is.
Zoals in andere teksten gebruikt hij daartoe een beeldverhaal, een parabel: de parabel van het brandend huis, van de verloren zoon, van het geschonken juweel, …
Opvallend in deze tekst is ook dat de Boeddha verwoordt dat er geen onderscheid is tussen de ‘brandende wereld van ellende’ (samsara) en de wereld van ‘het Boeddhaveld’: alles speelt zich af in de geest van de betrokken persoon (cfr. Dhammapada). Deze stelling werd door Nagarjuna filosofisch uitgewerkt.
In deze tekst vinden we ook een bevestiging van de devotie als een geschikt middel.

Om dit onderwerp nog te verduidelijken, spraak de Verhevene te dezer gelegenheid ook nog volgende verzen uit:

1.         Een onvoorstelbaar aantal duizenden koti’s van kalpa’s, een duur die niet te meten valt, is het geleden dat ik de volkomen Verlichting verwezenlijkte. En sedertdien heb ik nooit opgehouden de Leer te verkondigen.

2.         Ik verwekte talloze bodhisattva’s en heb ze in het Boeddha-weten gevestigd. Ik bracht tienduizenden koti’s van wezens, een onmeetbare hoeveelheid van wezens, tot volle rijpheid in vele koti’s van kalpa’s.

3.         Ik spiegel die wezens het oord van nirvana voor; ik openbaar hun de ter lering geschikte middelen. Maar in werkelijkheid treed ik te gepasten tijde niet in het nirvana, maar blijf hier ononderbroken de Leer verkondigen.

4.         Daar beheers ik mezelf en beheers ik alle wezens; maar mensen met beperkt inzicht zien mij in hun begoocheling niet zo dichtbij staan.

5.         In de overtuiging dat mijn wezen volledig uitgedoofd is, eren die mensen op allerlei wijzen mijn relikwieën. En vermits ze mij niet zien, krijgen ze juist hierdoor een zekere verzuchting, zodat in hen het juist-gerichte gemoed ontstaat.

6.         En wanneer dan die wezens oprecht, vrijgevig en zachtaardig geworden zijn, hun begeerten opgegeven hebben, dan verzamel ik de menigte van mijn discipelen en vertoon ik mij hier op de Gierenspitsberg[24].

7.         Dan spreek ik ze toe in deze woorden: “Ik heb nooit opgehouden hier te zijn, ik was niet volledig uitgedoofd; het was, monniken, slechts een geschikt middel van mijnentwege; ik ben voortdurend aanwezig in de wereld van de levende wezens.”

8.         Gehuldigd door de andere wezens, toon ik hun mijn Volkomen Verlichting. Maar gij hebt niet naar mijn woorden geluisterd wanneer gij denkt: “De Wereldverhevene is niet hier, hij is volkomen uitgedoofd.”

9.         Ik zie hoe de wezens door lijden gekweld zijn, maar toch toon ik hun mijn ware natuur niet. Zij moeten eerst naar mij verzuchten: dan eerst toon ik hun de Voortreffelijke Leer.

10.       Zo is deze wereld doorheen een onvoorstelbaar aantal duizenden koti’s van kalpa’s steeds mijn verblijfplaats geweest; ik verlaat deze Gierenspitsberg niet voor enige andere verblijfplaats.

11.        En wanneer de wezens deze wereld beschouwen en zich daarbij verbeelden dat hij brandende is, zelfs dan is mijn Boeddhaveld bevolkt met goden en mensen.

12.       Zij beschikken over velerlei vreugden, koti’s van tuinen, paleizen en hemelse voertuigen; [dit Boeddhaveld] is versierd met edelstenen heuvels en bomen vol bloesem en vruchten.

13.       In de hoogte spelen goddelijke wezens op hemelse muziekinstrumenten en ze laten mandarava-bloemen neer regenen, waarmee ze mij, mijn discipelen en andere wijzen die naar verlichting streven, overdekken.

14.       Zo is hier voor immer mijn Boeddhaveld; maar sommigen denken dat het brandende is; in hun ogen is de wereld wreed, ellendig en vol kwalen.

15.       Er kunnen ontelbare koti’s van kalpa’s verstrijken zonder dat de naam van de Boeddha, van de Leer en van de Gemeenschap ook maar vermeld worden. Dat is het resultaat van zovele onheilzame handelingen.

16.       Maar wanneer er in deze mensenwereld oprechte, vrijgevige en zachtaardige wezens geboren worden, dan zien die mij onmiddellijk als verkondiger van de Leer. Dat is het resultaat van hun heilzame daden.

17.       Ik spreek ze nooit over de oneindigheid van mijn werkzaamheid. Ik ben immers, in eigenlijke zin, sinds lang bestaande en toch kan ik zeggen: “De Overwinnaars zijn zeldzaam.”

18.       Zo is de prachtvolle macht van mijn wijsheid die geen begrenzingen kent, en de duur van mijn leven is even lang als een eindeloze periode; dat heb ik verworven na geschikte inspanningen.

19.       Koestert geen twijfel meer, o wijzen! Laat alle onzekerheid varen. Het woord dat ik hier spreek is waarheid. Mijn woord is nooit onwaarheid.

20.       Net zoals die arts, ervaren in geschikte middelen, die terwille van zijn verkeerddenkende zoons hun zei dat hij gestorven was ofschoon hij nog leefde. Toch zal geen enkel redelijk denkend mens die arts van bedrog beschuldigen.

21.       Aldus ben ik de vader van de wereld, de zelf-geborene, de genezer, de beschermer van alle wezens. Wetend hoe begoocheld, zelf-ingenomen en onwetend ze zijn, leer ik hun de uiteindelijke rust - terwijl ikzelf nooit ter ruste ben.

22.       Welke redenen zou ik hebben mij onophoudelijk te manifesteren? Wanneer de mensen ongelovig, onwijs, onwetend, zorgeloos verzot op zinnelijke geneugten, gedachteloos en weigerig zijn, komen ze onvermijdelijk in ellende terecht.

23.       Daarom verklaar ik, ik die de gang van de wereld ken: in waarheid, ik ben zo. Hoe kan ik die wezens tot verlichting ombuigen? Hoe kunnen ze de Boeddha-leringen deelachtig worden?


24] Gridhrakūta: berg vlak bij de stad Rājagriha, waar volgens de overlevering Boeddha Gautama talrijke sutra’s zou verkondigd hebben.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home