Saddharma-Pundarīka-sūtra - Lotus-sutra - Parabel van het Brandende Huis

Lotus-sutra (Miao-fa-lien-hua ching 3, vert. Kumārajīva ± 400, T 262)

(…)

Sariputra, veronderstel een streek, een stadsstaat of een gemeente, met een belangrijk man die grote macht heeft, rijp van jaren en met een onmetelijke rijkdom, bezitter van talrijke velden en huizen en dienaars. Zijn huis is breed en groot; maar het heeft slechts één enkele toegangspoort. Toch leven erin grote menigtes, wel honderd, tweehonderd of zelfs vijfhonderd mensen. Maar de zalen zijn in verval, de muren brokkelen af, de pijlers zijn in hun basis verrot, de balken en stutten zijn vermolmd.

Plots breekt doorheen het ganse huis en overal tezelfdertijd een brand uit die alle kamers vernielt. De zonen van de belangrijke man, tien of twintig of wel dertig in aantal, zijn nog steeds in het huis. De belangrijke man stelt onmiddellijk vast hoe het vuur zich verspreidt vanuit vier richtingen en dat beangstigt hem ten zeerste. Daarbij denkt hij: ‘Ofschoon ikzelf veilig doorheen deze brandende poort geraakt ben, zijn mijn kinderen nog steeds in dat brandende huis, gehecht als ze zijn aan hun speelgoed. Ze zijn zich van niets bewust, ze zijn onwetend, onbezorgd en onbevreesd. Het vuur dringt naar ze toe en weldra zal de pijn ze treffen. Maar in hun gemoed blijven ze zorgeloos en ze hebben niet het minste verlangen weg te vluchten.’

Sariputra, deze belangrijke man heeft bovendien de volgende gedachte: ‘Ik ben een lichamelijk sterk man. Ik zou ze uit het huis kunnen halen in de vouwen van mijn kleed of bovenop een tafelblad.’ Maar dan denkt hij: ‘Dit huis heeft slechts één uitgangspoort die bovendien smal en laag is. De kinderen zijn erg jong en hebben van niets begrip; ze zijn verliefd op hun speelgoed. Daardoor kunnen ze het slachtoffer van het vuur worden en in de brand omkomen. Ik moet ze afschrik hiervoor bijbrengen. Het huis staat in lichterlaaie: ze moeten spoed maken en naar buiten lopen. Ik mag ze door dit vuur niet ter dood laten brengen!’

Deze gedachten koesterend en in overeenstemming met zijn besluit, roept hij de kinderen duidelijk toe: ‘Maakt toch alle dat jullie vlug buiten zijn!’ Maar ofschoon de vader in zijn erbarmen ze in duidelijke woorden aanmaant, willen de kinderen uit gehechtheid voor hun spel hem niet geloven en niet naar hem luisteren. Onbezorgd en onbevreesd koesteren ze niet de minste bedoeling naar buiten te lopen. Want ze weten zelfs niet wat brand is noch wat een huis is, noch wat het betekent iets te verliezen. Al wat ze doen is druk heen en weer lopen terwijl ze naar hun vader kijken.

Op dat moment heeft de belangrijke man de volgende gedachte: ‘Dit huis staat reeds in vlammen, in een groot vuur. Als we niet op tijd buiten geraken, zullen zowel de kinderen als ikzelf in de brand omkomen. Daarom zal ik een geschikt middel uitdenken waardoor ik het de kinderen mogelijk zal maken aan deze ramp te ontkomen.’ De vader kent immers de zwakheden van de kinderen, waarbij elk kind een eigen voorkeur heeft en door eigen gevoelens speciaal gehecht is aan bepaalde dure en zeldzame dingen en aan bijzonder speelgoed.

Zo denkend, zegt de vader hun: ‘De dingen waarmee jullie zo graag zouden spelen zijn zeldzaam en moeilijk te verkrijgen. En wanneer jullie ze niet verkrijgen, zullen jullie er later beslist spijt van hebben. Ik heb hier voor jullie heel bijzonder speelgoed: een menigte geitenwagens, hertenwagens en ossenwagens; ze staan hier buiten de poort en wachten totdat jullie ermee gaan spelen. Komt dus alle vlug uit het brandende huis! Dan zal ik jullie geven wat jullie hart verlangt!’

De kinderen horen wat de vader hun zegt. En vermits duur en zeldzaam speelgoed precies is waarnaar ze hunkeren, is ieders hart aangemoedigd. Elkaar opzij duwend in een wilde ren, hollen ze allen het brandende huis uit.

De oude man, die ziet dat zijn kinderen veilig zijn ontsnapt en nu allemaal op het plein staan, zet zich neer en is niet meer bezorgd, maar heeft nu een geest die rustig is en extatisch van vreugde.

Dan zegt elk van de kinderen aan de vader: ‘Vader! Geef ons nu alstublieft die schitterende speeldingen die je ons beloofd hebt, de geitenwagens, hertenwagens en ossenwagens.

Sariputra! De oude man geeft elk van zijn kinderen een zelfde grote wagen, plechtig en ruim, versierd met allemaal zeldzame dingen, voorzien van zittingen met leuningen, behangen met klokken op de vier zijden, en bedekt met gordijnen, schitterend versierd ook met diverse zeldzame en unieke zaken, verbonden met strengen van edelstenen, behangen met bloemenkransen, dik bekleed met zeer mooie matten en voorzien van roze kussens, getrokken door twee ossen met pure witte huid, van een aantrekkelijk uiterlijk, en met grote spierkracht, die met even passen stappen en met de snelheid van de wind, en die veel dienstboden en volgelingen hebben om hem te bewaken.

Waarom? Omdat deze grootse oude man van een grenzeloze rijkdom is, wiens schatkisten en graanschuren overlopend vol zijn. En hij overdenkt aldus: ‘Daar mijn bezittingen grenzeloos zijn moet ik mijn kinderen geen inferieure kleine wagentjes geven. Al deze kinderen zijn mijn zonen, die ik allemaal evenveel bemin.’ (…)

Sariputra, wat is uw mening? Is deze oude man, door grote wagens met edele substanties aan zijn kinderen te geven, schuldig aan valsheid?

Sariputra zei: “Nee, Hoogedele Heer. Deze oude man heeft ervoor gezorgd dat zijn kinderen konden ontsnappen aan de vuurramp, en heeft zo hun lichamen gered – hij beging geen valsheid. Waarom? Omdat hij op deze manier hun lichamen heeft gered en zij ook dat speelgoed hebben verkregen, hoezeer heeft hij hen met geschikte middelen gered uit het brandende huis. (…)

De Boeddha zei tot Sariputra: “Goed! Goed! Het is zoals je zegt, Sariputra. De Tathāgata is ook zo, want hij is de vader van de wereld, hij wiens vrees voorgoed uitgedoofd is. (…)

Ik ben de vader van alle wezens en ik moet ze wegrukken van het lijden en hen de zegen van de oneindige Boeddha geven, wijsheid om mee te spelen. (…)

Indien ik hen alleen wijsheid geef en spirituele kracht, zonder enig geschikt middel te gebruiken, dan kunnen de wezens niet gered worden hierdoor. Waarom? Zo lang deze wezens niet zijn ontheven van geboorte, ouderdom, ziekte, dood, verdriet en lijden, maar verbrand worden in deze drievoudige wereld, hoe kunnen ze dan de Boeddhawijsheid begrijpen?” (…)

Zelfs al trok de oude man zijn kinderen eerst aan met de drie wagentjes, om hen achteraf enkel de grote schitterende versierde wagen te geven, dan nog is die man niet schuldig aan valsheid.

Zo is het ook met de Tathagata: er is geen valsheid om eerst de drie voertuigen te prediken, teneinde ze aan te trekken, om ze vervolgens te redden door alleen maar het Grote Voertuig.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home