Prajñā-Pāramitā-Hridaya-sūtra - Hart-sutra - De Kern van de Volmaakte Wijsheid

Deze tekst neemt in het Mahayana-boeddhisme zowat de plaats in van Boeddha’s Eerste Prediking in het Kleine Voertuig. Het is trouwens een onderdeel van de zogenaamde Prajñā-Pāramitā-cyclus, dat gigantische onderdeel van de boeddhistische literatuur en beslist het meest filosofisch gerichte. Talrijke, in het Sanskriet, in het Chinees of in het Tibetaans bewaarde sutra ‘s, benevens talrijke commentaren, zijn bewaard gebleven, o.a.:
Śatasāhasrikā-prajñāpāramitā-sūtra, ook Mahā-prajñāpāramitā-sūtra genoemd, in 100 000 strofen, verloren in Sanskriet (behoudens fragmenten), Chinees Taishō 220, Tibetaans To 8 (C. 182);
Daśasāhasrikā-prajñāpāramitā-sūtra, in 10 000 strofen, verloren in Sanskriet, Chinees Taishō 220 (1-2), Tibetaans To 11 (C. 238);
Pañcavimśatisāhasrikā-prajñāpāramitā-sūtra, in 25 000 strofen, verloren in Sanskriet, Chinees Taishō 220(2)-221-222-223, Tibetaans To 9 (C. 189);
Astadaśasāhasrikā-prajñāpāramitā-sūtra, in 80 000 strofen, verloren in Sanskriet, Chinees Taishō 220(3), Tibetaans To 10 (C. 237);
Astasāhasrikā-prajñāpāramitā-sūtra, in 8 000 strofen, algemeen beschouwd als zijnde de oudste tekst van de cyclus, bewaard in Sanskriet, Chinees Taishō 220(4-5)-224-225-226-227-228, Tibetaans To 12 (C. 239);
Saptaśatika-prajñāpāramitā-sūtra, in 700 strofen, bewaard in Sanskriet, Chinees T220(7)-232-233-310(46), Tibetaans To 24-90 (C.255);
Vajracchedikā-prajñāpāramitā-sūtra, een van de meest populaire teksten van de cyclus, bewaard in Sanskriet, Chinees Taishō 220(9)-235-236-237238-239, Tibetaans To 16 (C. 259);
en dan
Prajñāpāramitā-hrdaya-sūtra [of Hart-sutra], bewaard in hoofdzakelijk 2 Sanskriet versies, Chinees Taishō 250 (vertaling van Kumārajīva)-251 (vertaling van Hsüan-chuang)-252 (vertaling van Fa-yüeh)-253-254-257, Tibetaans To 21 (C. 280); (onze tekst volgt de zogenaamde ‘korte’ Sanskriet-versie, naar E. Conze, Oxford 1967). De Chinese vertaling van Kumārajīva wijkt enkel in luttele details van onze tekst af.
Prajñā-pāramitā wordt vaak vertaald als de “Volkomenheid van Wijsheid” of soms zelfs de “Transcendentale Wijsheid”. Letterlijk wijst ‘pāramitā’ op een ‘overgestoken-zijnde’, b. v. van een rivier. De m.i. meest coherente vertaling zou zijn ‘zichzelf overstijgend, zichzelf overtreffend’: in ons geval, de ‘wijsheid’ die de ‘gewone’ wijsheid overstegen heeft. Dezelfde kan trouwens zonder interne tegenstrijdigheid toegepast worden op de andere ‘pāramitā’s’als “boeddhistische deugden”:
dāna-pāramitā: de meer-dan-gewone-vrijgevigheid,
śila-pāramitā: de meer-dan-gewone-moraliteit,
kśanti-pāramitā: het meer-dan-gewone-geduld,
virya-pāramitā: de meer-dan-gewone-energie,
dhyāna-pāramitā: de meer-dan-gewone-meditatie.
En zo dan ook prajñā-pāramitā: de meer-dan-gewone-wijsheid.
Onze tekst is blijkbaar een (latere?) didactische samenvatting van langere uiteenzettingen. Hij kent ook een liturgisch gebruik, b.v. in de Japanse Zen-tempels, waar hij na de meditatietijd gezamenlijk gereciteerd wordt.
Door zijn compacte vormgeving is het Hart-sutra voor velen een onthutsende tekst die vaak paradoxaal overkomt en prima facie gehanteerd kan worden om te wijzen op de “incoherentie” van het Boeddhisme, doordat buitenstaanders hem beschouwen als een autodestructief document voor de grote richtlijnen van het Boeddhisme.
Maar heel precies is het juist in dit Boeddhisme (dat in zich toch geen sporen van masochisme draagt!) dat het Hart-sutra gezien wordt als een bijzonder belangrijke en duidelijke bijdrage. Bij een nauwlettende lectuur wordt immers duidelijk dat de grote themata van de boeddhistische heilsleer, zoals de Pratitya-samutpāda en zelfs de Vier Edele Waarheden, hun geldigheid niet hebben op enig metafysisch, goddelijk of absoluut niveau, maar instrumenten zijn die werken op het vlak van de lijdenswereld.
Dat kan men vaststellen aan het gebruik van het bijwoord iha “hier, op deze plaats, in dit geval” dat, mede door het innemen van de eerste plaats in de meest opzienbare paragrafen, nadruk legt op het feit dat de uitspraken betrekking hebben op het bijzondere betekenisniveau van de “Leegheid”. In latere paragrafen vindt het zijn analogon in de term sūnyatāyām “in leegheid”, zodat het toepassingsterrein duidelijk afgebakend wordt.
“Waarheden”, zoals het lijden, het ontstaan van het lijden, de opheffing van het lijden en het pad dat voert naar de opheffing van het lijden, situeren zich immers aan deze zijde van de verlossing en niet in het overgestoken-zijnde.
Prajñā-pāramitā, de zichzelf-overtreffende wijsheid, situeert zich immers op het niveau van de Uiteindelijke Verlichting.
De korte tekst kan ruwweg als volgt ontleed worden:
1. een analyse van de ervaringswereld als object van de pañcaskandha:
- de Vijf Groeperingen zijn “hier” enkel leegheid; hun ware natuur is niets anders dan leegheid.
-  alle dharma’s (bestaansfactoren) dragen het merkteken van Leegheid en hebben bijgevolg geen eigen-zijn, maar bestaan in onderlinge afhankelijkheid. 
2. de herleiding van de pañcaskandha tot leegheid ontneemt ze elke vorm van zelf-zijn:
- vermits de Pratitya-samutpāda rondom de gegevens van de pañcaskandha geconstrueerd is, heeft ook het Ontstaan in Afhankelijkheid slechts een subjectief, relatief bestaan. Het is een soteriologische constructie die bruikbaar is om zich af te zetten tegenover de lijdenswereld.
- vermits de Vier Edele Waarheden resulteren uit de Pratitya-samutpāda, zijn ook zij slechts relatieve/subjectieve heilsmiddelen (upāya).
- alle concepten die wij in onze geest (manas) vormen, ook de soteriologische, zijn bijgevolg zonder eigen-zijn: ook en zelfs concepten als ‘onwetendheid’ of ‘verlichting’.
3. de werkzaamheid van de Bodhisattva (d. i. het wezen dat op de verlichting gericht is)
- is mogelijk door diens besef van ‘niet-verwezenlijking’ dat resulteert uit het stilleggen van elke conceptenvorming (a-citta-āvarana[25]): letterlijk niet-gemoed-belemmernis, het ‘vrij-zijn van innerlijke hindernissen’) op het vlak van karma, van kleśa en van jñeya (kenbaarheid van hetgeen zou kunnen gekend zijn).
- de Bodhisattva verwezenlijkt (prāpti) nirvana door zijn niet-verwezenlijking (aprāpti) ervan, d. i. het besef dat ‘niemand’, d. i. niet-iemand het nirvana verwezenlijkt.
- in feite is nirvana dus niet-nirvana (D. T. Suzuki drukt dit uit in zijn logische formule A = -A).
4. Het uitlopen op een mantra kan wijzen op de late datum van redactie van het Hart-sutra. Dergelijke tantrische elementen verschijnen meestal niet voor de 5de eeuw. De mantra beoogt in de eerste plaats een ‘krachtensamenbundeling’ te geven van een werkzaamheidsbegrip, hier de Prajñā-pāramitā.
De betekenis van de hier vermelde mantra “om gate gate paragate parasamgate bodhi svaha” is linguïstisch onduidelijk want blijkbaar een verbastering – of een bewust grammaticale vervreemding van het alledaagse woordgebruik. Dit is overigens het geval met de overgrote meerderheid van de mantra’s. Het is daarbij een vaak esoterische exegese die de mantra zal pogen te ‘verklaren’.

 

Van dit sutra zijn talrijke versies voorhanden. Volgende tekst poogt een synthese te bieden van de diverse varianten, namelijk aan de ene kant de korte teksten (vroeg-Sanskriet en Chinees, beide hier in ‘romein’ weergegeven) en aan de andere kant de langere versies (laat-Sanskriet en Tibetaans, beide hier ‘cursief’ weergegeven). Sommige overlappingen worden evenwel niet apart weergegeven.

(Tibetaans)

Lofprijzing.

Ere zij de Volmaakte Wijsheid, die woorden, gedachten en lofprijzingen overtreft, wier zelfnatuur evenals de ruimte noch voortgebracht noch vernietigd wordt; welke een toestand van wijsheid en moraliteit is, duidelijk voor het innerlijke bewustzijn, en welke de Moeder is van alle verhevenen van het verleden, het heden en de toekomst.

(Laat-Sanskriet)

Ere zij de Volmaakte Wijsheid, de Edele, de Verhevene.

(Laat- Sanskriet & Tibetaans)

Aldus heb ik gehoord.

Te dien tijde verbleef de Verhevene te Rājagriha, op de Gierenspitsberg, samen met een groot aantal monniken en bodhisattva’s.

Te dien tijde nu was de Verhevene, na een diepgaande uiteenzetting gegeven te hebben van het leerstuk genaamd “Diepe Verlichting”, in meditatie verzonken.

(Alle versies)

Te dien tijde was de Edele Bodhisattva Avalokitesvara bezig met het beoefenen van de Volmaakte Wijsheid. Neerschouwend van omhoog, nam hij enkel de vijf groepen van bestaansfactoren waar en zag hij hoe ze alle in hun zelfnatuur leeg zijn.

(Laat-Sanskriet, Chinees & Tibetaans)

Toen sprak de Eerwaarde Sāriputra, door de macht van de Boeddha, tot Mahasattva Bodhisattva Avalokitesvara de volgende woorden:

“Wat moet een zoon of dochter van edelen huize leren om zich te kunnen verdiepen in de Volmaakte wijsheid?” Daarop antwoordde Mahasattva Bodhisattva Avalokitesvara aan de Eerwaarde Sariputra aldus:

“Een zoon of dochter van edelen huize die zich wil verdiepen in de Volmaakte Wijsheid, moet als volgt denken:

(Laat-Sanskriet & Tibetaans)

De Vier Edele Waarheden volgens de tweede omwenteling van het Rad van de Leer.

Er zijn vijf groepen van bestaansfactoren en deze zijn alle vijf in hun zelfnatuur leeg.

(Alle versies)

Hier, Sariputra, is lichamelijkheid leegheid en leegheid is lichamelijkheid; lichamelijkheid verschilt niet van leegheid en leegheid verschilt niet van lichamelijkheid, wat ook maar lichamelijkheid is, dat is leegheid; wat ook maar leegheid is, dat is lichamelijkheid.

En hetzelfde geldt voor de gewaarwording, voor de waarneming, voor de karmische vormingen en voor het bewustzijn.

Hier, Sariputra, zijn alle bestaansfactoren gekenmerkt door leegheid; ze worden noch voortgebracht noch vernietigd; ze zijn noch bezoedeld noch onbevlekt, noch onvolledig noch volledig.

Daarom, Sariputra, is er in de leegheid noch lichamelijkheid noch gewaarwording noch waarneming noch karmische vormingen noch bewustzijn; er is daar geen oog, geen oor, geen neus, geen tong, geen lichaam, geen geest;

(Chinees)

geen kleur, geluid, geur, smaak, tastbaarheid of denkobject; geen wereld van zien, van horen, van ruiken, van proeven, van tasten of van denken;

(Alle versies)

daar is geen weten, geen onwetendheid, geen vernietiging van weten, geen vernietiging van onwetendheid, (en zo verder met alle schakels van de keten van het ontstaan in afhankelijkheid[26], tot:) daar is geen ouderdom en geen dood, geen vernietiging van ouderdom en dood.

Daar is geen lijden, geen oorsprong van het lijden, geen opheffing van het lijden en geen Pad dat voert naar de opheffing van het lijden.

(Laat-Sanskriet)

Daar is geen weten, geen verwezenlijking en geen niet-verwezenlijking.

(Alle versies)

Daarom, Sariputra, verblijft een bodhisattva zonder verwezenlijking toegewijd aan de Volmaakte Wijsheid, vrij van de beletselen van het gemoed[27]. En daar hij vrij is van de beletselen van het gemoed, is hij onverschrokken en staat hij boven de verwarring, in de verwezenlijking van het nirvana.

Alle Boeddha’s van de drie tijden ontwaken ten volle tot de hoogste, juiste en volkomen verlichting doordat zij de Volmaakte Wijsheid toegewijd waren.

Daarom behoort men dit te weten: namelijk dat de Volmaakte Wijsheid de grote mantra is, de mantra van groot weten, de hoogste mantra, de onvergelijkbare mantra die alle lijden uitdooft, de waarachtige mantra die niet begoochelt.

Dit is de mantra verkondigd in de Volmaakte Wijsheid. Hij luidt als volgt:

om gate gate pāragate pārasamgate bodhi svāhā.

(Laat-Sanskriet & Tibetaans)

Op deze wijze, Sariputra, behoort een bodisattva te onderrichten in de studie van de diepe Volmaakte Wijsheid.

Daarop verrees de Verhevene uit zijn meditatie en gaf zijn instemming te kennen aan Mahasattva Bodhisattva Avalokitesvara, met deze woorden: “Goed zo, goed zo, zoon van edelen huize! Zo is het inderdaad, edele zoon! Zo inderdaad behoort de studie van de Volmaakte Wijsheid verricht te worden. Zoals het door u beschreven is, wordt het toegejuicht door de Arahants en de Tathagata’s.”

Aldus sprak de Verhevene. Opgetogen was de Eerwaarde Sariputra. En Mahasattva Bodhisattva Avalokitesvara, tezamen met geheel de vergadering, de werelden van goden, mensen, demonen en hemelwezens, zij allen prezen de toespraak van de Verhevene.

(Alle versies)

Aldus eindigt ‘De Kern van de Volmaakte Wijsheid’.

 

Het is hier misschien niet ongepast te wijzen op de betekenis van śūnyatā, ‘leegheid’. Men moet er inderdaad op wijzen dat een vertaling als ‘niets’ of ‘leegte’ (als afwezigheid van inhoud) niet correct is, want śūnyatā ca na cocchedah (MMK xvii, 20): “leegheid is ook geen vernietiging”.
In feite kan men śūnyatā het best beschouwen als het begrip anattā (niet-zelfheid) op zichzelf toegepast. Toch is het een sterkere uitdrukking. Daar waar gezegd wordt dat sabbe dhammā anattā (‘alle bestaansfactoren zijn niet-zelf’, b. v. Dh xx, 279) zijn, gaat het Mahayana-denken over naar sarva-dharma-nairātmya, waarbij ‘nairātmya’ gevoeld wordt als synoniem voor a-svabhāva (niet-eigen-zijn, niet-substantialiteit). Daarom is alle bestaande door leegheid getekend: bhāvanam sūnyatā.
Daarbij weze er aan herinnerd dat de term dharma geen ontologische betekenis heeft[28], maar een epistologische term is, equivalent aan ‘primair kenmerk’ e.d.m. Zodat Nagarjuna ook kan schrijven (MMK xiii, 8): śūnyatā sarva-drstinam ‘de leegheid van alle inzichten’.
Als spiritueel-pragmatisch instrument wijst leegheid hoofdzakelijk op de niet-zelfheid van de ‘dingen’ die onze ervaring opbouwen. De dharma’s hebben immers geen eigen-zijn; ze ‘bestaan’ uitsluitend ‘in relatie tot’. In de lijn van de hedendaagse psychologie, kan men de ken-elementen die de ‘dharma’s’ zijn mede beschouwen als ‘basic notions’ die door samenvoeging de ‘notions’ (vormingen = samskāra) componeren.
Een mogelijk duidelijke illustratie hiervan is o.a. Kung Sun Lung’s paradox van ‘het witte paard’: een wit paard is geen paard; het kan immers uitsluitend beschouwd worden in functie van de ‘basic notions’ witheid en paard-heid die enkel door hun samen-gaan het begrip ‘wit paard’ opleveren.
Een ietwat gelijkaardige visie treffen we aan b. v. in de Sarvastivada-school van het Kleine Voertuig. Er wordt weliswaar aan de waargenomen dingen een eigen-zijn ontzegd (pudgala nairātmya), maar aan de samenstellende elementen wordt wél een zeker ‘zijnde’ toegekend.
Het Mahayana gaat verder en ontneemt ook aan de samenstellende ‘ken-elementen’ elke vorm van autonomie en van substantialiteit.
Het Hart-sutra onderlijnt deze visie en wijst zowel voor de bestaansfactoren (dharma = ken-elementen) als voor de samengestelde ervaringsbeelden (samskāra = bestaansvormingen) elk eigen-zijn af. Maar toch blijft er tussen de leegheid en de ervaring een band bestaan die het de geest mogelijk maakt een verbinding te leggen met het ‘relatieve’ kennen. Zo ligt er een duidelijke connectie b.v. tussen ‘lichamelijkheid’ en ‘leegheid’: lichamelijkheid ‘bestaat’ enkel in functie van ‘leegheid’, maar daartegenover staat dat ‘leegheid’ zich a.h.w. manifesteert in ‘lichamelijkheid’. Het is deze ‘band’ die de mogelijkheid biedt, zij het ook op het niveau van de relatieve waarheid, het ‘bestaande’ als ‘leegheid’ te kennen, maar tevens belet het ‘bestaande’ als een Zijn of als een Niet-Zijn te beschouwen.
Dit is dan ook de heilsfunctie van het begrip ‘leegheid’: ze behelst weliswaar de ontkenning zowel van een Absoluut Zijn als van een Absoluut Niets, maar biedt de soteriologische mogelijkheid van een ‘worden tot Verlichting’ als ‘middenweg’ tussen alle uiterste inzichten.

[25] E. Conze vermeldt de mogelijkheid dat āvarana eigenlijk ālambana (‘object als attribuut van de dingen’, “apprehended by and connected with” de vijf zintuigen (MMW) zou kunnen gelezen worden. Ch. Willemen verwerpt deze mogelijkheid (in zijn vertaling van drie Chinese versies van het Hart-sutra, Brussel 1974).

[26] pratītya-samtpāda: zie aldaar.

[27] cittāvarana.

[28] Ondanks de nog steeds verspreide inzichten van de la Vallée Poussin e.a.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home