Vimalakirti-nirdesa - Het Onderricht van Vimalakirti VII, 6

(naar citaat in Siksāsamuccaya, door Sāntideva, 7de eeuw)

Als het onduidelijk blijft rond welke periode het Vimalakirti-nirdesa-sutra ontstaan kan zijn of zelfs wanneer de eindredactie ervan afgesloten werd, des te duidelijker is de geest die dit belangrijke en zeer populaire werk uitstraalt.
De Sanskriet titel betekent “De Leerrede van het Onderricht van Vimalakirti [Vlekkeloze Glorie]”.
Dit sutra behoort onmiskenbaar tot de omvangrijke Prajñā-pāramitā-cyclus. Inhoudelijk stelt men een sterke verwantschap vast met het Astasahasrika en diens latere uitwerkingen zoals het Hart-sutra. Hoofdthema is bijgevolg het begrip sūnyatā: de kern van de Leer is immers het erkennen/beleven van de leegheid/beschikbaarheid van alle dingen, wezens, samenstellingen, componenten, ideeën, concepten, … Achter deze conceptuele ervaringswereld, ligt de ‘Absolute Waarheid’ die (zie Nagarjuna!) on-ken-baar is, maar wel – overheen elke gedachtevorming – verwezenlijkbaar.
Maar het Vimalakirti-nirdesa-sutra verschilt van de overige Prajñā-pāramitā-teksten door de bijzonder beeldrijke vormgeving. De behandelde thema’s worden hier ingebed in een alomvattend verhaal, waarbij rijkelijk gebruik wordt gemaakt van humoristische situaties.
Kort samengevat geeft dit volgende story: de leek Vimalakirti, een Licchavi wonende te Vaisali, is ziek. Wanneer de Boeddha dit verneemt, vraagt hij aan de monniken en bodhisattva’s van zijn gevolg wie van hen bereid is Vimalakirti te gaan bezoeken. Een voor een verontschuldigen ze zich: ze hebben voordien pijnlijke gesprekken met Vimalakirti gehad, waarbij deze hen vaak met spot wees op misverstanden en dwalingen. Uiteindelijk wordt toch Bodhisattva Mañjusrī bereid gevonden de moeilijke taak op zich te nemen; de monniken en bodhisattva’s gaan mee om te zien of ook de grote Wijsheidsbodhisattva de prooi van Vimalakirti’s spot zal worden.
In Vimalakirti’s huis gebeuren allerlei vreemde dingen, die moeten aantonen hoe ‘leeg’ de begrippen zijn die we hanteren: de ‘kleine’ kamer die plots ‘wereldgroot ‘ wordt, de stoelen die te ‘hoog’ zijn voor ‘laag’-denkenden, enz. Niet enkel zijn de begrippen leeg, ze zijn bovendien ook voorwerpen van gehechtheid (de bloemen die blijven kleven op de monnikspijen…).
Het eigenlijke verhaal besluit met Vimalakirti’s vraag naar een degelijke uiteenzetting van de Leer. Om beurten zetten dan de monniken en de bodhisattva’s hun visie uiteen, maar telkens weet Vimalakirti ze te weerleggen door te wijzen op gebreken en verwarringen in de interpretaties. Ten slotte vraagt Mañjusrī naar Vimalakirti’s visie, maar deze antwoordt enkel door te zwijgen en te glimlachen. Waarop de bodhisattva opgetogen repliceert dat deze stilte van de glimlach de ware uiteenzetting van de ‘Saddharma’ is.
Het verhaal komt over
(1) als een afwijzing van alle woordgekraam en scholastisch gediscussieer;
(2) als een aanval op de formele zelfgenoegzaamheid van de monniken.
Misschien is het deze antiklerikale tendens die, via maatschappijkritiek en zelfkritiek, dit sutra zo populair gemaakt heeft.
Ondanks de grote populariteit[29] van deze tekst, zijn er slechts enkele fragmenten in het Sanskriet van bewaard gebleven, evenals enkele fragmenten in het Sogdisch en het Khotanees, tegen minstens zes vertalingen in het Chinees (T 474, 475, 476, 477, 478 en 479, waarvan de eerste drie belangrijk zijn) en twee versies in het Tibetaans. Er zijn volledige vertalingen in de moderne talen: 4 Engelse, 2 Franse (waaronder de meest befaamde die is van E. Lamotte, Louvain 1962), 2 Duitse, en zeer waarschijnlijk zullen er nog bijkomen!

 

16.       Van alle wezens manifesteren de onbevreesde bodhisattva’s in één enkel gedachtemoment[30] de vormen, klanken en bewegingen.

17[31].     Zij kennen Mara’s werken en schikken zich ernaar. Maar vermits ze de andere oever van de geschikte middelen bereikt hebben, kunnen zij deze werken manifesteren.

18.       Ze worden oud of ziek en tonen zichzelf als dood, maar het is enkel om de wezens tot rijpheid te brengen dat ze met dergelijke begoochelingen werken.

19.       Ze vertonen de wereldbrand door de aarde in vlam te zetten; aldus bewijzen ze de veranderlijkheid aan die wezens die aan eeuwigheid geloven.

20.       In één zelfde rijk door honderdduizenden wezens uitgenodigd, eten ze tezelfdertijd in eenieders huis; zo buigen ze alle wezens om tot verlichting.

21.       Of het nu gaat om geheime kunsten of om veelheid van kunnen, ze blinken in alles uit en bezorgen vreugde aan alle wezens.

22.       Van alle heterodoxe groeperingen worden ze volgelingen, maar brengen de in allerlei verkeerde inzichten vervallen wezens tot rijpheid.

23.       Ze veranderen zich in manen en zonnen, Sakra, Brahma of Heer der Schepselen, ze worden water, vuur, aarde of wind.

24.       Tijdens tussenperiodes[32] van ziekte worden ze geneesmiddel, zodat de wezens bevrijd, gelukkig en zonder ziekte worden.

25.       Tijdens tussenperiodes van hongersnood worden ze drank en geneesmiddel; zo honger en dorst verdreven hebbend, prediken ze de leer aan de levende wezens.

26.       Tijdens tussenperiodes van geweld[33] beoefenen ze de meditatie van welwillendheid en brengen honderdduizenden wezens tot goedhartigheid.

27.       Te midden van grote veldslagen blijven ze onpartijdig, want de machtige bodhisattva’s verlangen vrede en eendracht.

28.       In al de hellen gekoppeld aan de ontelbare boeddhavelden begeven ze zich vrijwillig voor het heil van alle wezens.

29.       In alle bestaansvormen van het dierenrijk prediken zij de leer, daarom worden ze ‘Gidsen’ genoemd.

30.       Ze begeven zich aan genot van zinnen even goed als in de meditatie van mediteerders; zo zijn ze Mara’s ondergang door hem geen vat te geven.

31.       Net zoals men stellen kan dat een lotus midden in het vuur een onbestaande is, evenzo tonen zij dat noch geneugtes noch meditatie bestaanden zijn.

32.       Uit vrije wil worden ze prostituees om de mannen te verleiden; maar eenmaal dat die vastgegrepen zijn door de haken van hun drift, vestigen zij ze in het boeddha-weten.

33.       Onophoudelijk worden zij dorpshoofden, karavaanleiders, viziers of ministers voor het heil van de wezens.

34.       Voor de behoeftigen worden ze onuitputtelijke rijkdom; door hun gaven verwekken zij het gemoed ter verlichting.

35.       Voor hoogmoedigen en ijdeltuiten worden ze grote helden, en na de hoogmoed gedood te hebben, brengen zij ze tot verlangen naar verlichting.

36.       Voor de door angst gekwelde wezens, stellen zij zich voorop; na hun geruststelling geschonken te hebben, laten zij ze aanrijpen tot verlichting.

37.       Door op te treden als wijzen met de vijf wonderkrachten en het heilige leven leidend, brengen zij de wezens tot moraliteit, geduld, vriendelijkheid en zelfbeheersing.

38.       Zij kijken zonder vrees naar meesters die moeten gediend       worden; ze worden slaven of dienaars en gewillige leerlingen.

39.       Zij zetten alle mogelijke middelen in om de wezens tot eerbied voor de leer te brengen, want ze zijn bekwaam in geschikte middelen.

40.      Hun werken zijn oneindig, hun gebied is oneindig; met oneindig weten begaafd, brengen zij een oneindig aantal wezens tot verlossing.


[29] Minder in India zelf, maar beslist in China!

[30] ekaksana: één moment – één gedachte, nl. de kleinst denkbare eenheid van gedachte-tijd.

[31] Deze paragraaf komt niet voor bij Santideva; de vertaling volgt Kumārajīva. De nummering is overigens die van E. Lamotte in L’Enseignement de Vimalakirti, Leuven, 1962.

[32] antarakalpa: ‘tussen-kalpa’.

[33] Letterlijk: ‘van het mes’.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home