Vimalakirti-nirdesa - Het Onderricht van Vimalakirti VI, 7-8

(Wei-mo-chieh ching, vert. Kumārajīva, + 400, T 475)

Een godin die in Vimalakirti’s huis vertoefde, hoorde deze uiteenzetting van de leer door de Bodhisattva’s Mahāsattva’s. Ze was verbaasd, tevreden, vergenoegd, opgetogen. Daarop nam ze een grove gestalte aan en strooide hemelse bloemen uit over die Grote Bodhisattva’s en die Grote Toehoorders.

Toen ze die had uitgestrooid, vielen de bloemen die op het lichaam van de Bodhisattva’s gevallen waren, op de grond neer. Maar de bloemen op het lichaam van de Toehoorders bleven eraan kleven en vielen niet op de grond. Daarop maakten de Grote Toehoorders van hun magische krachten gebruik om die bloemen af te schudden; maar die vielen niet neer.

Daarop vroeg de godin aan de eerwaarde Sariputra: “Eerwaarde Sariputra, waarom wilt ge die bloemen afschudden?” En Sariputra antwoordde: “Godin, bloemen passen niet voor monniken. Daarom verwerpen wij ze.”

De godin hernam: “Eerwaarde Sariputra, zo moogt gij niet spreken. Waarom niet? Die bloemen passen beslist. Gij zijt het enkel, Eerwaarde, die niet zo passend zijt. Hoezo? Deze bloemen zijn bloemen die geen begrippen vormen, ze zijn zonder verbeelding. Maar gij, Ouderen, zijt het die ze concipiëren en ze verbeelden. Eerwaarde Sariputra, voor diegenen die het wereldse afgewezen hebben om in de welgepredikte leer te leven, zijn zo een begrippen en verbeeldingen ongepast; het zijn diegenen die noch deze begrippen noch deze verbeeldingen concipiëren, die passend zijn.

Eerwaarde Sariputra, kijk naar die Bodhisattva’s Mahasattva’s: de bloemen blijven er niet op kleven omdat zij begrippen en verbeeldingen afgesneden hebben. En bekijk dan de Toehoorders: de bloemen blijven op hun lichaam kleven vermits zij niet alle begrippen en verbeeldingen afgesneden hebben.

Aldus hebben onwezens vat op de beangstigde mens, maar ze kunnen niet binnendringen in wie onbevreesd is. Evenzo hebben vormen, klanken, geuren, smaken en tastbaarheden vat op diegenen die bevreesd zijn voor de gevaren van de kringloop van geboorte-en-dood; maar ze zijn machteloos tegenover diegenen die niet meer bevreesd zijn voor de bevlekkingen van de wereld der karmische vormingen.

De bloemen blijven kleven op hen die nog niet met hun driften gebroken hebben; maar ze kleven niet op hen die wél met hun driften gebroken hebben. Daarom kleven ze niet op het lichaam [van de bodhisattva’s] vermits zij met alle driften gebroken hebben.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com
          home