Mahāvaipulya-Buddha-Avatamsaka-sūtra - Bloemenkrans-sutra - De Geloften van Bodhisattva Samantabhadra

(Hua-yen ching,’Bloemenkrans-sutra’, versie in 80 chüan, vertaald door Siksānanda in 695-699, T 279, xxxix,3)

Het “Bloemenkrans-sutra” (Sanskriet Buddha-Avatamsaka, Chinees Hua-yen ching) kent zijn ontstaan waarschijnlijk rond de 2de of 3de eeuw en maakt deel uit van een wijdere cyclus van leerredenen.
Deze cyclus zal de basis vormen van een aparte filosofische, mystieke school die voor de ontwikkeling van het Chinese en Japanse Mahayana-boeddhisme van enorm belang zal zijn.
Centraal in het Avatamsaka-sutra staat de mystieke leer over Mahā-Vairocana-Buddha. Er wordt echter ook melding gemaakt van Amitabha-Boeddha.
Naar het Chinees toe zijn er meerdere vertalingen gemaakt en bewaard gebleven:
- de versie in 60 chüan, door Buddhabhadra (5de eeuw, Taishō 278)
- de versie in 80 chüan, door Siksānanda (7de eeuw, Taishō 279)
- de versie in 40 chüan, door Prajña (8ste eeuw, Taishō 293-294-295).
Er bestaat ook een Tibetaanse vertaling (To 44).
In het Sanskriet is het grootste deel van de cyclus verloren, met uitzondering van één werk: het Gandavyūha-sutra.
Het Gandavyūha-sutra omschrijft de spirituele zoektocht van de jongeling Sudhana. Op zoek naar de absoluutheid (dharmadhatu) ontmoet deze op zijn pelgrimstocht 53 leraars, zowel heiligen en bodhisattva’s als gewone leken. Ten slotte komt hij bij de Bodhisattva Mañjusrī (Bodhisattva van Wijsheid), die hem een toren boven op een berg aanwijst waar zich de Uiteindelijke Wijsheid zou bevinden. Na een moeilijke en gevaarlijke klimtocht bereikt Sudhana de toren. En zie: de toren is leeg…
Het belang van de Avatamsaka-cyclus ligt vooral in de positieve aanbreng van metaforen die de mogelijkheid scheppen tot het vormen van een wereldbeeld dat men echter dient te zien als ‘upāya’ (geschikt middel) en zeker niet als ontologische verklaring van de werkelijkheid. De basisideeën die in deze tekst aanwezig zijn (o.a. identiteit, totaliteit en interpenetratie) zullen door Chinese boeddhistische filosofen zoals Tu-shun (6de-7de eeuw) en Fa-tsang (7de-8ste eeuw) worden uitgewerkt tot een filosofisch, naar het metafysische neigende systeem. Een systeem dat een positief antwoord zal trachten te bieden op de negativerende houding van Nagarjuna’s Madhyamaka, alsook op de moeilijkheden die verbonden zijn aan de Yogacara-theorie van “Enkel-Bewustzijn”.
Identiteit - Totaliteit
Vanuit een absoluut (noumenaal) standpunt gezien, zijn de “dingen” (dharma’s) in hun ware aard leegheid. Deze leegheid maakt dat alle dingen aan elkaar gelijk zijn. Het is enkel vanuit het relatieve (fenomenale) gezichtspunt dat de dingen verschillen, dit door het relationele verband waarin ze zich onderling bevinden.
In hun ‘identiteit’ vormen de dingen de ‘totaliteit’.
Interpenetratie
De dingen zijn in hun ware aard niet enkel gelijk, niet enkel vormen ze een totaliteit, ze interpenetreren elkaar ook:
Alles is in Eén,
Eén is in Alles.
Dit allesdoordringende beeld geeft ons de mogelijkheid tot het zien van een Universele Harmonie. Alle dingen zijn in éénheid aanwezig en éénheid is in alle dingen aanwezig, maar niet enkel dit: elk afzonderlijk ding weerspiegelt de totaliteit en de totaliteit weerspiegelt elk afzonderlijk ding. De dingen interpenetreren elkaar zonder elkaar te hinderen, dit doordat hun ware aard Leegheid (Sūnyatā) is.
De Geloften van Bodhisattva Samantabhadra
Het is vanuit voorgaande visie dat we onze tekst ten volle kunnen appreciëren. Bodhisattva Samantabhadra, zijnde een actieve manifestatie van het Boeddha-Mededogen, geeft aan de jongeling Sudhana een uiteenzetting over de 10 pāramitā’s (Volkomenheden) die een bodhisattva dient te verwezenlijken.
Deze pāramitā’s geven niet enkel de manier en de richting van handelen weer, ze zeggen ons ook iets meer over de gemoedsingesteldheid die aan dit handelen dient vooraf te gaan, nl. een gemoedsingesteldheid voortkomend uit Mededogen/Wijsheid die een universele solidariteit en aansprakelijkheid impliceert.
De nadruk die op Universele Harmonie wordt gelegd, maakt dat deze tekst tot op heden een grote populariteit geniet.

 

Nadat Mahasattva Bodhisattva Samantabhadra de grote verdiensten en werkingen van de Tathāgata besproken en geprezen had, richtte hij zich met volgende woorden tot de jongeman Sudhana en het grote gevolg van bodhisattva’s:

“Heren van edel gemoed, de verdiensten en werkingen van de Tathāgata zijn in feite onverwoordbaar. Moesten ze verkondigd worden door alle boeddha’s van de tien richtingen, die ze opeenvolgend gedurende ontelbare en onuitspreekbare kalpa’s zouden opsommen in alle boeddhawerelden wier aantal gelijk is aan dat van alle stofdeeltjes in het universum, ze zouden niet uitgeput zijn.

Wie ernaar streeft deze hoge staat van verdiensten te bereiken, diens verwezenlijking hangt af van het verwezenlijken van de tien Paramita’s, namelijk de geloften van de grootste en hoogste verzuchting èn de daadwerkelijke vervulling ervan.

Welke zijn nu de tien Paramita’s?

Ten eerste: hoogste huldiging en verering van alle boeddha’s;

ten tweede: het verkondigen en prijzen van de verdiensten van de Tathāgata’s;

ten derde: rijkelijke offergaven ter ere van de boeddha’s;

ten vierde: opbiechten en berouwen van onheilzame daden en belemmeringen;

ten vijfde: de verdiensten en deugden van anderen prijzen en zich erin verheugen;

ten zesde: de boeddha’s verzoeken het Rad van de Leer in beweging te zetten;

ten zevende: de boeddha’s verzoeken in deze wereld te blijven;

ten achtste: steeds een ijverig volgeling van het boeddhapad zijn;

ten negende: steeds in harmonie met alle wezens zijn;

ten tiende: alle eigen verdiensten overdragen ten gunste van alle wezens.”

De jongeman Sudhana zei daarop tot de bodhisattva Samantabhadra: “Wat moeten wij doen om al deze volmaaktheden te verwezenlijken, vanaf ‘huldiging aan de boeddha’s’ tot en met ‘de overdracht van alle eigen verdiensten’?”

Bodhisattva Samantabhadra antwoordde daarop aan de jongeman Sudhana: “Heer van edel gemoed, wat betekent “de huldiging en de verering van alle boeddha’s?”

Dat betekent dat door de kracht van de geloften van Samantabhadra, in diep vertrouwen en begrijpen ik ze zie als stond ik oog in oog gelijktijdig met alle boeddha’s van alle boeddhawerelden, talrijk als het aantal stofdeeltjes in het hele Dharma-universum en de kosmische ruimte van de tien richtingen en de drie tijdperken. Ik huldig en vereer ze onafgebroken in heilzame handelingen in daden, woorden en gedachten. Vóór elke boeddha in elke boeddhawereld vertoon ik mij in onzegbaar ontelbare gestalten, in aantal gelijk aan dat van de stofdeeltjes in het heelal. In elk van deze gestalten breng ik hulde aan alle boeddha’s van alle boeddhawerelden, talrijk als de stofdeeltjes in het heelal.

Voorts, Heer van edel gemoed, wat betekent “het verkondigen en prijzen van de verdiensten der Tathāgata’s?”

Dat betekent dat in de kleinste stofdeeltjes in de tien richtingen en in de drie tijdperken, doorheen het hele Dharma-universum en de kosmische ruimte, op elk stofdeeltje boeddha’s vertoeven, even talrijk als alle stofdeeltjes in het heelal. Elk van die boeddha’s is op zijn beurt omringd door een groot aantal bodhisattva’s, even groot als de grote oceaan. Ik zal mijn diep inzicht en mijn volkomen wijsheid gebruiken om die werelden te peilen tot ik een volledig inzicht erin verworven heb. Dan zal ik de verdiensten van de Tathāgata’s luidop prijzen, met de hemelse welsprekende tongen van de godin, waarbij elke tong een onmeetbare oceaan van klanken voortbrengt, elke stem een onmeetbare oceaan van stemmen, elke ervan verkondigend de onmeetbare oceaan van de verdiensten van alle Tathāgata’s. Deze lofprijzingen zullen zonder ophouden voortduren doorheen de eindeloze tijd en de grenzeloze bereiken van alle Dharma-werelden.

Voorts, Heer van edel gemoed, wat betekent “de rijkelijke offergaven ter ere van alle boeddha’s?”

Dat betekent dat in de kleinste stofdeeltjes in de tien richtingen en in de drie tijdperken, doorheen het hele Dharma-universum en de kosmische ruimte, in elk stofdeeltje boeddha’s vertoeven, in aantal gelijk aan dat van alle stofdeeltjes van alle werelden. Elk van die boeddha’s is omringd door een oceaangroot aantal bodhisattva’s. Door de kracht van de geloften van Samantabhadra, in diep vertrouwen en begrijpen, zie ik ze als stond ik met ze oog in oog. Ik bied hun de zeldzaamste en wonderlijkste offerandes aan, zoals bloesemwolken, bloemenkranswolken, wolken van hemelse muziek, wolken van hemels borduurwerk, wolken van feeënkledij; alle soorten hemels reukwerk, welriekende zalven, aromatisch wierook, geurende poeders, elk daarvan in hoeveelheden gelijk aan de berg Sumeru, de koning der bergen. Ik bied hun ook brandende lampen aan, lampen met room, met olie, met reukwerk, en de wiek van elke lamp even groot als de berg Sumeru, de koning der bergen; en de olie voor elke lamp in even grote hoeveelheid als alle waters van de oceaan. Zonder ophouden zou ik aan alle boeddha’s deze offergaven brengen in diepe huldiging.

Maar, Heer van edel gemoed, van alle gaven is de gave van de Leer toch de beste. Dergelijke gave heet ‘de offerande van het beleven van de leer’, ‘de offerande ten gunste van alle wezens’, ‘de offerande van het omarmen en ondersteunen van alle wezens’, ‘de offerande van het op zich nemen van het lijden van alle wezens’, ‘de offerande van het bevorderen van de wortels van verdiensten’, ‘de offerande van het niet-afwijken van de bodhisattva-taak’, ‘de offerande van het niet-loslaten van het gemoed ter verlichting’.

Waarlijk, Heer van edel gemoed, de verdienste verworven door het aanbieden van deze offergaven is eindeloos. Maar vergeleken bij één enkele gedachte aan de leer, zouden ze niet meer zijn dan één honderdste deel ervan, neen: minder nog dan een honderdduizendste kotī van nayuta van kalā van upannishad deel ervan. Waarom? Omdat de Leer door alle Tathāgata’s in de hoogste achting wordt gehouden. Bovendien zijn alle boeddha’s door de Leer verwekt, doordat ze hun gedrag vervolmaakt hebben in het volgen ervan. Wanneer de bodhisattva’s de gave van de Leer beoefenen, dan zijn hun offerandes aan de Tathāgata’s volmaakt. Om die reden brengen de bodhisattva’s aan de Tathāgata’s waarlijk rijkelijke offerandes.

Voorts, Heer van edel gemoed, wat betekent “boetvaardigheid en het opbiechten van onheilzame daden en beletselen?”

Dat betekent dat een bodhisattva aldus dient te denken: alle onheilzame daden in handelingen, woorden en gedachten door mij begaan sedert tijdloze kalpa’s – veroorzaakt door begeerte, haat en onwetendheid – zijn waarlijk grenzeloos. Moesten die daden gestalte en kleur hebben, geheel de kosmische ruimte, hoe groot die ook is, zou ze niet kunnen bevatten. Nu biecht ik ze op, ik heb er berouw over en, dank zij mijn gezuiverde handelingen en met oprecht gemoed, neem ik mij voor dergelijke onheilzame daden niet meer te begaan. Ik zal mezelf zuiver houden door het navolgen van de morele voorschriften.

Ik zal deze boetvaardigheid neerleggen aan de voeten van alle Boeddha’s en bodhisattva’s van alle Boeddhawerelden in alle dharmawerelden en de drie tijdperken, in aantal gelijk aan alle stofdeeltjes in het heelal.

Voorts, Heer van edel gemoed, wat betekent “de verdiensten en deugden van anderen prijzen en zich erin verheugen?”

Dat betekent dat in alle Boeddhawerelden alle Boeddha’s, in aantal gelijk aan de stofdeeltjes van alle dharmawerelden en de kosmische ruimte in de tien richtingen en de drie tijdperken, hun leven gewijd hebben aan het verwerven van wijsheid en het verzamelen van verdiensten, vanaf het ogenblik dat zij hun gemoed gericht hebben op de verlichting, doorheen onzegbaar talrijke kalpa’s en in Boeddhawerelden in aantal gelijk aan alle stofdeeltjes in het heelal. Tijdens elk van die kalpa’s hebben zij hoofd, ogen, handen en voeten opgeofferd, een aantal keren even onzegbaar ontelbaar als het aantal stofdeeltjes in alle Boeddhawerelden; zo hebben zij alle moeilijkheden overwonnen, de zwaarste taken volbracht, de verschillende trappen van de Pāramitā vervolmaakt, de bodhisattva-wijsheid ervaren en de hoogste verlichting verwezenlijkt, tot zij in het Parinirvāna getreden zijn na verdeling van hun relieken: dergelijke wortels van verdiensten streef ik in vreugde na. Bovendien, elke verdienste door enig wezen uit de zes bestaansvormen of behorend tot de vier soorten van geboorte of tot enig andere soort van leven in alle werelden in de tien richtingen verworven, ook al is die verdienste even gering als een ordinair stofdeeltje, elke verdienste zal ik goedkeuren en met eerbied prijzen; over elke verdienste zal ik mij verheugen.

Voorts zal ik vreugde scheppen in de verdiensten van alle Srāvaka’s, van alle Pratyekabuddha’s, van alle wijzen en ook van al diegenen die nog moeten vorderen op het pad van de discipelen, van alle heiligen in de tien richtingen en de drie tijdperken. Ik zal ook vreugde scheppen in de verdiensten van alle bodhisattva’s die door eindeloze zelfopoffering alle hindernissen overwonnen hebben en wier grenzeloze verwezenlijking gericht is op het vervullen van het hoogste Bodhi-doel.

Voorts, Heer van edel gemoed, wat betekent “de boeddha’s verzoeken het Rad van de Leer in beweging te zetten?”

Dat betekent dat ik mij zal inspannen in handelingen, woorden en gedachten, en gebruik makend van mijn verschillende geschikte middelen, om de Boeddha’s te verzoeken het wonderbare Rad van de Leer in beweging te zetten. Die Boeddha’s zijn ontelbaar als de stofdeeltjes in de Boeddhawerelden doorheen alle dharmawerelden en de kosmische ruimte in de tien richtingen en de drie tijdperken, waarbij elk stofdeeltje een onzegbaar ontelbaar aantal Boeddhawerelden bevat, in aantal gelijk aan de stofdeeltjes in het heelal. Op elk ogenblik zijn er evenveel Boeddha’s als stofdeeltjes, die de verlichting verwezenlijken, en elke ervan is omringd door een grote schare bodhisattva’s, even groot als de grote oceaan. Zonder ophouden verzoek ik die Boeddha’s het Rad van de Leer in beweging te zetten.

Voorts, Heer van edel gemoed, wat betekent “de boeddha’s verzoeken in deze wereld te blijven?”

Dat betekent dat de Boeddha’s in aantal onbeperkt zijn, in aantal even talrijk als de kleinste stofdeeltjes doorheen de dharmawerelden en de kosmische ruimte in de tien richtingen en de drie tijdperken, en zo zijn ook de bodhisattva’s, de srāvaka’s, de pratyekabuddha’s, de volmaakt wijzen, de gedeeltelijk geleerden en de beslagen leken wanneer zij hun gemoed instellen op het verwezenlijken van het nirvāna. Ik verzoek ze allen in contact te blijven met de levende wezens, liever dan in het nirvāna in te treden, zelfs voor de duur van kalpa’s van alle Boeddhawerelden, in aantal gelijk aan dat van alle stofdeeltjes in het heelal, en dit ten bate van alle levende wezens.

Voorts, Heer van edel gemoed, wat betekent “steeds een ijverig volgeling van het boeddhapad zijn?”

Dat betekent dat bijvoorbeeld Tathāgata Vairocana van de Saha-wereld, die vanaf het begin dat hij de diepe gelofte aflegde en dank zij nooit aflatende inspanningen uitzonderlijke vorderingen deed, zonder ophouden zichzelf in onzegbaar ontelbare levens opgeofferd heeft. Hij stroopte zijn huid af om er perkament van te maken, gebruikte zijn bloed als inkt en zijn beenderen als schrijfgerief. Zo werden de schrifturen geschreven, reusachtig als de berg Sumeru. Uit eerbied voor de Leer, heeft hij eigen leven en eigen gestalte uitgeschakeld. Hoeveel te meer zou hij dan niet andere zaken uitgeschakeld hebben: de koninklijke troon, de heerschappij, zijn paleizen, zijn lusttuinen en al de rest wat hem toebehoorde? Hij bespaarde zichzelf geen enkele inspanning, totdat hij de grote verlichting verwezenlijkte onder de boom. Daarop manifesteerde hij wonderlijke vermogens en vormwisselingen, openbaarde hij talloze Boeddhagestaltes, zat hij talloze vergaderingen voor zoals die van de grote bodhisattva’s, die van de srāvaka’s en die van de pratyekabuddha’s, die van de Cakravartī-rāja’s en die van de Petti- rāja’s met geheel hun gevolg, de vergaderingen van de ksatriya’s, brahmanen, ouderen en leken, de vergaderingen van de goden, van de nāga’s, van de acht groepen, van de mensen en van de minder-dan-mensen. Op deze heiligende bijeenkomsten sprak hij met de volle ronde stem van de donder, met geschikte middelen de wezens onderrichtend, elk naar eigen aard, neigingen en geluksopvatting. Aldus bracht hij ze tot rijpheid, totdat hij zichzelf in eigen gedaante manifesteerde om daarna in het nirvāna te treden.

Ik wil al deze voorbeelden navolgen, niet enkel dat van de tegenwoordige Wereld-Geëerde Vairocana, maar dat van alle Tathāgata’s van de Boeddhawerelden, in aantal gelijk aan de stofdeeltjes doorheen de dharmawerelden en de kosmische ruimte in de tien richtingen en de drie tijdperken. Ik wil van het éne gedachtemoment tot het andere gedachtemoment de voorbeelden van alle Boeddha’s navolgen.

Voorts, Heer van edel gemoed, wat betekent “steeds in harmonie met alle wezens te zijn?”

Dat betekent steeds in overeenstemming te blijven met alle wezens van het Dharma-universum en de kosmische ruimte in de oceaangrote werelden in de tien richtingen en in de drie tijdperken. Daar zijn de ontelbare wezens, geboren uit een baarmoeder, uit een ei, uit vocht of door metamorfose. Ze leven in de verschillende elementen, hetzij op aarde, in het water, in het vuur of in de lucht. Er zijn daarbij ook de wezens die in de ruimte vliegen en nestelen in bomen of struiken. Ze zijn van een oneindig aantal verschillende soorten, vormen, lichamen, kleuren, levensduur, rassen, gesteldheden, bedoelingen, inzichten, begeerten, neigingen, gewoonten, kenmerken en behoeften. Ze vertoeven op de meest diverse plaatsen, in steden, dorpen, hoofdplaatsen en paleizen. Ze omvatten de deva’s, de nāga’s, de acht groepen, de mensen en de niet-mensen; sommige ervan hebben geen voeten, sommige hebben er twee, vier of veel meer; sommige ervan hebben een gedaante, andere hebben er geen; hebben zintuigen, hebben geen zintuigen, ofwel zijn ze met of zonder zintuigen. Al deze wezens moeten door mij gekoesterd en gediend worden, met dezelfde zorgzaamheid die ik in kinderlijke piëteit betuig aan mijn ouders, aan mijn leraars, aan ouderen, aan heiligen, ja zelfs aan de Tathāgata’s, alle gelijk, zonder enig onderscheid.

Ik moet een goede arts zijn voor de zieken, een gids voor de verdwaalden om hun voetstappen weer op het goede spoor te leiden. Ik moet een licht zijn voor hen die in het duister vertoeven. Ik moet de armen grote schatten doen ontdekken.

Zo moet een bodhisattva alle wezens op gelijke wijze bijstaan, zonder enig onderscheid. Waarom? Omdat een bodhisattva die alle wezens op gelijke wijze dient, daarmee ook alle boeddha’s dient. Door alle wezens in hoogste achting te houden, ze liefdevolle diensten te bewijzen, eert en dient hij alle Tathāgata’s. Door alle wezens gelukkig te maken, maakt hij alle Tathāgata’s gelukkig. Waarom? Omdat het Gemoed van Groot Mededogen de essentie van het boeddhaschap is. Met het oog op het verlossen van alle wezens, beoefent de bodhisattva het Grote Mededogen. Vanuit dit Grote Mededogen ontspringt het Gemoed ter Verlichting; vanuit het Gemoed ter Verlichting wordt de Volkomen Verlichting verwezenlijkt.

Dat is zoals een koninklijke boom die in wildernis en woestenij groeit. Krijgen zijn wortels voldoende water, dan prijkt hij met een vol gebladerte, rijke bloesems en overvloedige vruchten. Hij leeft dan de lange duur van zijn volle bestaan. Zo is het ook met de Bodhi-koningsboom: alle wezens zijn zijn wortels, de bodhisattva’s en de boeddha’s zijn zijn bloesems en vruchten. Wordt het water van het Grote Mededogen aan alle wezens geschonken, dan bloeit de Bodhi-boom met de rijkelijke bloesems en vruchten van de wijsheid der Tathāgata’s. Waarom? Schenkt een bodhisattva aan alle wezens het water van het Grote Mededogen, dan verwezenlijkt hijzelf de Uiteindelijke Volkomen Verlichting. Zo is het dan, dat de Verlichting behoort tot alle wezens; zonder hen zou geen enkele bodhisattva het Volkomen Boeddhaschap verwezenlijken.

Heer van edel gemoed, zo gij alle wezens zonder onderscheid helpt, dan zult gij het Volkomen en Volmaakte Mededogen verwezenlijken, waarmee gij, zo gij het aan alle wezens aanpast, alle Tathāgata’s verheugt. Op deze wijze helpt en omvat een bodhisattva alle wezens. Deze omvatting door mededogen zal niet ophouden vooraleer de ruimtelijkheid ophoudt, vooraleer het universum der wezens ophoudt, vooraleer de karmische werking, de mistevredenheid en de driften ophouden, de ene gedachte van mededogen zonder onderbreking op de andere volgend, in daden, in woorden en gedachten, zonder aflaten.

Voorts, Heer van edel gemoed, wat betekent “het overdragen van alle eigen verdiensten”?

Dat betekent dat alle verdiensten verworven vanaf het begin van ‘de hoogste hulde aan alle boeddha’s’, tot ‘het dienen van alle wezens’, overgedragen worden aan alle wezens doorheen het hele Dharma-universum en de oneindige kosmische ruimte. Verlang dat alle wezens steeds gelukkig en vrij van pijn en treurnis blijven; dat hun boze plannen mislukken en al hun goede bedoelingen spoedig vervuld worden. Sluit de poort die naar het onheilzame voert; open het juiste brede pad dat goden en mensen naar het nirvana leidt. Neem op u de verdrukking en het lijden van alle wezens, ook[34] hun zwaarste karmische martelingen. Op die wijze blijft gij uw verdiensten aan alle wezens overdragen, totdat de kosmische ruimtelijkheid ophoudt, totdat het universum der wezens ophoudt, totdat de karmische werking, de mistevredenheid en de driften ophouden, de ene gedachte van verdienstenoverdracht zonder onderbreking op de andere volgend, in daden, woorden en gedachten.

O, Heer van edel gemoed, dit zijn dan de tien volkomen en volmaakte geloften van alle Mahasattva-Bodhisattva’s. De bodhisattva’s die deze geloften vervullen, brengen alle wezens tot rijpheid en treden in de Uiteindelijke Volkomen Verlichting. Zo vervullen zij de oceaan der geloften van Bodhisattva Samantabhadra. Het is in deze zin, Heer van edel gemoed, dat gij de Leer dient te verstaan.”


[34] Ook: ‘ondanks’.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home