Amitāyus Sutra - De Leerrede over Boeddha Amitāyus - Tekst

{tussen accolades staan de bladnummers van de Taishō-uitgave…}

[1] Dit is de leerrede over Amitāyus uitgesproken door de Boeddha.

Aldus heb ik gehoord.

Eens verbleef de Verhevene in Anāthapindada’s tuin, in het Jeta-Park bij Shrāvastī, met een groot gevolg van twaalfhonderdvijftig monniken, allen welgekende {346c} grote arahants, waaronder Sāriputra de Oudere, Mahā-Maudgalyāyana, Mahā-Kāsyapa, Mahā-Kātyāyana, Mahā-Kaushthila, Revata, Shuddhipanthaka, Nanda, Ānanda, Rāhula, Gavāmpati, Pindola-Bhāradvāja, Kālōdayin, Mahā-Kapphina, Vakkula, Aniruddha, allen grote Srāvaka’s; en ook veel Mahāsattva-Bodhisattva’s, zoals Mañjusrī de Prins van de Leer, Ajita, Gandhahastin, Nityōdyukta, allen grote bodhisattva’s; en daarbij ook een groot gezelschap van hemelse wezens, waaronder Sakra[36], de koning van de deva’s.

[2] Daarop richtte de Boeddha het woord tot Sāriputra de Oudere:

Meer dan honderdduizend koti’s van Boeddhawerelden westwaarts van hier is er een wereld die Sukhāvatī[37] genoemd wordt. In die wereld verblijft er een Boeddha, Amitāyus[38] genaamd. En waarom, Sāriputra, is de naam van die wereld Sukhāvatī? Omdat de wezens in die wereld geen lijden ervaren, maar enkel zaligheid. Daarom wordt die wereld Sukhāvatī genoemd.

Sāriputra, in die wereld Sukhāvatī zijn er zeven rijen van balustrades, zeven rijen van netgordijnen en zeven rijen van bomen. Alle zijn ze gemaakt uit de vier soorten edelsteen[39] en ze strekken zich over heel het land uit. En daarom, Sāriputra, wordt deze wereld Sukhāvatī genoemd.

En verder, Sāriputra, in deze wereld Sukhāvatī zijn er vijvers gemaakt uit de zeven soorten edelsteen[40] {347a} en gevuld met water van de acht verdienstelijke eigenschappen[41]. De bodem van die vijvers is bestrooid met zand van zuiver goud en aan de randen zijn er trappen aangelegd in goud, zilver, beryllium en kristal.

Rondom die vijvers staan er paviljoenen met hoge verdiepingen en galerijen versierd met goud, zilver, beryllium, kristal, saffier[42], rode parels en agaat. De lotusbloemen in de vijvers zijn zo groot als karrenwielen, blauw met een blauwe glans, geel met een gele glans, rood met een rode glans, wit met een witte glans; ze zijn alle van uiterste schoonheid, reinheid en welriekendheid. Aldus, Sāriputra, is dat land Sukhāvatī getooid met voortreffelijke kenmerken en versieringen.

[3] En voorts, Sāriputra, wordt in die Boeddhawereld voortdurend hemelse muziek gehoord; op de grond ligt goud gestrooid en zesmaal per etmaal dwarrelen er hemelse māndārava-bloesems[43] neer. In de heldere ochtend, vóór het ontbijt, vullen de inwoners van die wereld hun schalen met deze wonderlijke bloemen en bieden ze eerbiedig aan als huldiging aan de honderdduizenden koti’s van Boeddha’s in de andere werelden; tegen het uur van de verfrissing keren ze dan terug naar hun eigen wereld. Aldus, Sāriputra, is dat land Sukhāvatī getooid met voortreffelijke kenmerken en versieringen.

[4] En voorts, Sāriputra, leven er in deze wereld talrijke vogels van diverse kleuren: zwanen, pauwen, papegaaien, parkieten[44], kalavinka’s[45] en dubbel-leven-vogels[46]. En zesmaal per etmaal zingen deze vogels harmonische melodieën. Hun liederen bezingen de vijf vermogens[47], de vijf krachten[48], de zeven factoren ter verlichting[49], het Edele Achtvoudige Pad en andere dergelijke leringen. Na deze zangen beluisterd te hebben, wijden de wezens in die wereld hun gedachten aan de Boeddha, aan de Leer en aan de Gemeenschap. En denk nu maar niet, Sāriputra, dat die vogels daar geboren worden ten gevolge van onheilzaam karma. En waarom niet? Omdat in die Boeddhawereld de drie lagere bestaansvormen niet bestaan, Sāriputra; zelfs hun namen bestaan er niet. Hoe zouden dan die bestaansvormen zelf er bestaan? Deze vogels worden er gemanifesteerd door de wonderlijke macht van Boeddha Amitāyus, met de bedoeling de klanken van de Leer te verspreiden.

In die wereld, Sāriputra, waait een zachte wind. De juweelbomen en de kostbare netgordijnen ruisen er lieflijk op een betoverende muziek, alsof wel honderdduizend muziekinstrumenten in volmaakte harmonie zouden spelen. En iedereen die deze muziek hoort, voelt in zich spontaan de gedachte rijzen aan de Boeddha, aan de Leer en aan de Gemeenschap. Aldus, Sāriputra, is dat land Sukhāvatī getooid met voortreffelijke kenmerken en versieringen.

[5] En waarom, Sāriputra, denkt gij dat deze Boeddha Amitābha[50] wordt genoemd? Dat is, Sāriputra, omdat het licht van deze Boeddha grenzeloos is, alle werelden in de tien richtingen zonder hindernis doorstralend. Daarom, Sāriputra, wordt hij Amitābha genoemd. En voorts, Sāriputra, is de tijdsduur van deze Boeddha en van zijn gemeenschap eindeloos en onbegrensd in ontelbare kalpa’s. Daarom wordt deze Boeddha dan ook Amitāyus[51] genoemd.

Sāriputra, sedert Boeddha Amitāyus het boeddhaschap verwezenlijkte, zijn er wel tien kalpa’s verlopen. {347b} En, Sāriputra, hij heeft talloze srāvaka’s en discipelen die allen arahants zijn; hun aantal overtreft het ondenkbare. En zo kan evenmin ooit het aantal bodhisattva’s gekend worden. Aldus, Sāriputra, is dat land Sukhāvatī getooid met voortreffelijke kenmerken en versieringen.

[6] Voorts, Sāriputra, zijn alle in deze wereld Sukhāvatī geboren wezens “Niet-Terugkeerders”[52]. Onder hen zijn talloze wezens wie nog slechts één geboorte te wachten staat. Hun aantal kan niet anders uitgedrukt worden dan in eindeloosheden. Sāriputra, de wezens die deze woorden horen, dienen hun verlangen te richten op de geboorte in die wereld, want dààr kunnen ze leven tezamen met al deze edele wezens. Maar, Sāriputra, het is niet met een gering aantal wortels van verdienste dat men in die wereld kan geboren worden.

Is er, Sāriputra, ergens een goed man of een goede vrouw die over deze Boeddha Amitāyus heeft gehoord en die zijn Naam met een onvertroebeld gemoed in gedachten houdt, één dag, twee dagen, drie, vier, vijf, zes of zeven dagen, wel, die zal dan op het stervensmoment Boeddha Amitāyus met zijn edel gevolg zien verschijnen. En onmiddellijk na zijn levenseinde zal hij met onvertroebeld gemoed in Boeddha Amitāyus’ Sukhāvatī-wereld geboren worden. Daarom, Sāriputra, tot getuigenis van deze weldaad, zeg ik ook nog deze woorden: elk wezen dat deze boodschap hoort, zou in zich het verlangen moeten wekken om in die wereld geboren te worden.

[7] Sāriputra, terwijl ik hier en nu de onvoorstelbare verdiensten van Boeddha Amitāyus verheerlijk, zo zijn er ook in oostelijke richting de Boeddha’s[53] Aksobhya, Merudhvaja, Mahāmeru, Meruprabhāsa en Mañjughosa[54], en voorts Boeddha’s talrijk als de zandkorrels van de rivier Ganges, en elk van die Boeddha’s in zijn eigen wereld, strekt zijn lange brede tong uit, waarmee drieduizend chiliocosmossen[55] bedekt worden, deze woorden van waarheid verkondigend: Gij allen, levende wezens, hebt vertrouwen in dit sutra dat de onvoorstelbare zegeningen en verdiensten van deze wereld verheerlijkt, wat door alle Boeddha’s bevestigd en verzekerd wordt.

De volgende vijf paragrafen vermelden op gelijke wijze de Boeddha’s van de andere windstreken. De bedoeling hiervan is de universaliteit van de werkzaamheid van het Boeddhaschap te beschrijven.

[8] Sāriputra, zo zijn er in zuidelijke richting de Boeddha’s Candra-Sūrya-pradīpa, Yasahprabha, Mahārciskandha, Merupradīpa en Anantavīrya, en voorts Boeddha’s talrijk als de zandkorrels van de rivier Ganges, en elk van die Boeddha’s in zijn eigen wereld, strekt zijn lange brede tong uit, waarmee drieduizend chiliocosmossen bedekt worden, deze woorden van waarheid verkondigend: Gij allen, levende wezens, hebt vertrouwen in dit sutra dat de onvoorstelbare zegeningen en verdiensten van deze wereld verheerlijkt, wat door alle Boeddha’s bevestigd en verzekerd wordt.

[9] Sāriputra, zo zijn er in westelijke richting de Boeddha’s Amitāyus, Amitaketu, {347c} Amitadhvaja, Mahāprabha, Mahāprabhāsa, Ratnaketu[56] en Suddha-rasmiprabha, en voorts Boeddha’s talrijk als de zandkorrels van de rivier Ganges, en elk van die Boeddha’s in zijn eigen wereld, strekt zijn lange brede tong uit, waarmee drieduizend chiliocosmossen bedekt worden, deze woorden van waarheid verkondigend: Gij allen, levende wezens, hebt vertrouwen in dit sutra dat de onvoorstelbare zegeningen en verdiensten van deze wereld verheerlijkt, wat door alle Boeddha’s bevestigd en verzekerd wordt.

[10] Sāriputra, zo zijn er in noordelijke richting de Boeddha’s Arciskandha, Vaisvānaranirghosa, Duspradharsa, Ādityasambhava en Jālinīprabha, en voorts Boeddha’s talrijk als de zandkorrels van de rivier Ganges, en elk van die Boeddha’s in zijn eigen wereld, strekt zijn lange brede tong uit, waarmee drieduizend chiliocosmossen bedekt worden, deze woorden van waarheid verkondigend: Gij allen, levende wezens, hebt vertrouwen in dit sutra dat de onvoorstelbare zegeningen en verdiensten van deze wereld verheerlijkt, wat door alle Boeddha’s bevestigd en verzekerd wordt.

[11] Sāriputra, zo zijn er in de nadir-richting de Boeddha’s Simha, Yasas, Yasahprabhāsa, Dharma, Dharmadhvaja en Dharmadhara, en voorts Boeddha’s talrijk als de zandkorrels van de rivier Ganges, en elk van die Boeddha’s in zijn eigen wereld, strekt zijn lange brede tong uit, waarmee drieduizend chiliocosmossen bedekt worden, deze woorden van waarheid verkondigend: Gij allen, levende wezens, hebt vertrouwen in dit sutra dat de onvoorstelbare zegeningen en verdiensten van deze wereld verheerlijkt, wat door alle Boeddha’s bevestigd en verzekerd wordt.

[12] Sāriputra, zo zijn er in de zenit-richting de Boeddha’s Brahmaghosa, Naksatrarāja, Ganghottama, {348a} Gandhaprabhāsa, Mahārciskandha, Ratna-Kusumasampuspitagātra, Sālendrarāja, Ratnotpalasrī, Sarvārthadarsa en Sumerukalpa, en voorts Boeddha’s talrijk als de zandkorrels van de rivier Ganges, en elk van die Boeddha’s in zijn eigen wereld, strekt zijn lange brede tong uit, waarmee drieduizend chiliocosmossen bedekt worden, deze woorden van waarheid verkondigend: Gij allen, levende wezens, hebt vertrouwen in dit sutra dat de onvoorstelbare zegeningen en verdiensten van deze wereld verheerlijkt, wat door alle Boeddha’s bevestigd en verzekerd wordt.

[13] En wat denkt gij, Sāriputra, dat de reden is waarom dit sutra door alle Boeddha’s bevestigd en verzekerd wordt? Sāriputra, is er ergens een goed man of een goede vrouw die naar dit sutra luistert, eraan belang blijft hechten, zij en al diegenen die de namen van deze Boeddha’s horen, zullen door al deze Boeddha’s beschermd worden en zonder terugvallen de uiteindelijke volkomen verlichting verwezenlijken. Daarom, Sāriputra, dient iedereen met vertrouwen mijn woorden en de leringen van alle Boeddha’s te ontvangen.

[14] Sāriputra, zo er iemand is die in zich het verlangen gewekt heeft, nu opwekt of later zal opwekken om in de wereld van Boeddha Amitāyus geboren te worden, wel, na de verzekering de uiteindelijke volkomen verlichting te verwezenlijken zonder terugvallen, die persoon is al geboren, wordt nu geboren of zal geboren worden in die wereld. Daarom, Sāriputra, dient een goed man of een goede vrouw in zich het verlangen te wekken in die wereld geboren te worden.

[15] En, Sāriputra, zoals ik hier en nu de onvoorstelbare verdiensten en eigenschappen van al die Boeddha’s verheerlijk, zo verheerlijken al die Boeddha’s ook mijn onvoorstelbare verdiensten en eigenschappen, waarbij ze de volgende woorden uitspreken: ‘Boeddha Sākyamuni heeft met succes een taak van uitzonderlijke moeilijkheid verwezenlijkt: hij heeft de uiteindelijke volkomen verlichting verwezenlijkt in de Saha-wereld, in een periode van de vijf verdorvenheden: de verdorvenheid van de tijd, de verdorvenheid van de inzichten, de verdorvenheid van de driften, de verdorvenheid van de levende wezens en de verdorvenheid van het bestaanslot. Voor het welzijn van alle levende wezens heeft hij nu de moeilijk te aanvaarden leer gepredikt.’

Sāriputra, gij moet inzien dat ik deze moeilijke taak verwezenlijkt heb in deze periode van de vijf verdorvenheden. Ik heb, na de uiteindelijke volkomen verlichting verwezenlijkt te hebben, deze taak verwezenlijkt voor het welzijn van alle wezens, namelijk het verkondigen van de Leer die zo moeilijk te aanvaarden is. Dit wordt inderdaad geacht een uiterst moeilijke taak te zijn.

[16] Nadat de Boeddha dit sutra uiteengezet had, stemden Sāriputra, de monniken, de hemelwezens, de mensen en de demonen van het hele heelal in met deze woorden; ze aanvaardden ze met vreugde en vertrouwen. En na aan de Verhevene hulde gebracht te hebben, gingen ze heen.

Einde van de Leerrede over Amitāyus uitgesproken door de Boeddha.


[36] Indra.

[37] Letterlijk ‘Plaats van Vreugde’; Kumarajīva geeft dit weer als “Land van Zalige Vreugde”, meestal ook “Reine Land” (Chinees Ch’ing-tu) genoemd.

[38] Letterlijk ‘Onmeetbaar Leven’, Chinees Wu-liang-shou, Japans Muryōju.

[39] nl. goud, zilver, lapis lazuli en kristal.

[40] nl. de vier hierboven, plus rode parels, diamant en koraal. Andere lijsten wijken hiervan af; zo bijvoorbeeld worden ook kattenogen, saffier, robijn, kornalijn en amber in sommige lijsten vermeld.

[41] De (latere) vertaling van Hsüan-chuang vermeldt ze: helderheid en zuiverheid, frisheid, zoetheid, zachtheid, bevruchtende eigenschappen, rust, het vermogen hongersnood te vermijden, productiviteit.

[42] Of ‘wit koraal’?

[43] Een wonderbare bloem die in de hemelen groeit.

[44] ‘sāri’: blijkbaar een soort zwarte parkiet, want omschreven als ‘een kleine zwarte vogel die de menselijke stem kan nabootsen’, ofwel gracula religiosa ofwel turdus salica?

[45] Vaak ook ‘Indische nachtegaal’ ‘bulbul’ genoemd, soort mus met heel hoge zangtessituur.

[46] jīvam-jīvaka: soort fazant uit Nepal?

[47] indriya: vertrouwen, energie, aandacht, concentratie, wijsheid.

[48] bala: nl. de krachten verworven door de vijf vermogens.

[49] bodyanga: aandacht, studie van de Leer, energie, blijmoedigheid, innerlijke rust, concentratie en gelijkmoedigheid.

[50] ‘a-mita-abha’: ‘Onmeetbaar Licht’, Chinees Wu-liang-kuang, Japans Muryōkō.

[51] ‘a-mita-ayus’: ‘Oneindig Leven, Chinees Wú-liàng-shòu, Japans Muryōju.

[52] avinivartaniya (avaivartika): die niet kunnen terugvallen.

[53] De omzetting van Chinees naar Sanskriet is hier volgens Prof. Dr. Hisao Inagaki in zijn vertaling van deze tekst.

[54] Er is een zekere onduidelijkheid tussen de diverse versies. Zo geven de overgeleverde Sanskriettekst, de vertaling door Hsüan-chuang en de Tibetaanse versie hier en daar andere namen (in vertaling of in transliteratie) dan de vertaling door Kumarajiva, die we hier volgen. Bijvoorbeeld: Mañjusvara (H. Inagaki) of Mañjughosa.

[55] Ook hier bestaat een merkbare onduidelijkheid. De term ‘drieduizend chiliocosmossen’ kan verklaard worden als 3 000 x 10 000, maar andere interpretaties geven b.v. 10 000 x 1 000³ of zelfs 10 0003 000, wat gewoon gelijk staat aan ‘onvoorstelbaar’. Zie hierover ook Kloetzli, Buddhist Cosmology, 1983.

[56] Transliteratie is hier erg onduidelijk.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home