Sukhāvatī-Vyūha-sūtra - De Grote Leerrede over de Tooiselen van het Reine Land - Dharmākara’s 48 Geloften (chüan 1,7)

(Wu-liang-shou ching, Japans Muryōju-kyō, versie in 2 chüan, vertaald door Sanghavarman, tijdens de Wei dynastie, in 252, T 360)

De Daikyō (‘Het Grote Sutra’, Japanse verkorte benaming voor de volgende tekst) bevat het verhaal van een koning die troonsafstand doet, monnik wordt en de naam Dharmākara (‘Bewaarplaats van de Leer’) aanneemt. Na een ontmoeting met een Boeddha, besluit hij zelf Boeddha te worden en een eigen Boeddhaland te creëren.
Hij spreekt eerst een (groot) aantal ‘particuliere’ bodhisattva-geloften uit (in het Sanskriet 24 of 25, in het Chinees ontdubbeld tot 48).
Deze geloftes zijn geformuleerd in een typische structuur:
1 indien ik een Boeddha word…;
2 en indien niet… (negatieve voorwaarde);
3 dan niet verlichting…
1 verwijst naar de latente verlichting die in ieder wezen potentieel aanwezig is;
3 verwijst naar de concrete realisatie van de verlichting in ‘tijd-en-ruimte’ van deze wereld.
Bijzonder zijn de geloftes 18, 19 en 20.
- Gelofte 19 spreekt over ‘raigō’: het verschijnen van de Boeddha bij de stervende om hem als nieuwgeborene te verwelkomen, wat een teken voor de verlichting is. In deze gelofte zit de praktijk van meditatie en moraliteit nog vervat als voorwaarde ter verlichting.
- Gelofte 20 stelt als enige voorwaarde voor verlichting het horen van de Naam van de Boeddha, wat zich uitdrukt in het uitspreken van de Naam. De gemoedstoestand moet oprecht zijn, vol vertrouwen in de heilsdaad van de Boeddha, met het verlangen van geboorte in het Reine Land.
- Gelofte 18 spreekt enkel nog over het uitspreken van de Naam, in diep vertrouwen, met het verlangen naar geboorte.

 

1. Indien ik boeddha word en in mijn land zouden nog een hel, een rijk van hongergeesten en een rijk van dieren bestaan, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

2. Indien ik boeddha word en in mijn land zouden mensen en goden kunnen terugvallen in de drie lagere rijken, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

3. Indien ik boeddha word en in mijn land zouden mensen en goden niet allen de kleur van zuiver goud hebben, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

4. Indien ik boeddha word en in mijn land zouden mensen en goden niet allen gelijk in vorm en kleur zijn zonder enig onderscheid, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

5. Indien ik boeddha word en in mijn land zouden mensen en goden niet allen begaafd zijn met het vermogen het verloop van vorige levens tot tenminste honderdduizenden koti’s van nayuta’s van kalpa’s te kennen, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

6. Indien ik boeddha word en in mijn land zouden mensen en goden niet allen begaafd zijn met het goddelijke oog waarmee tenminste honderdduizenden koti’s van nayuta’s van boeddhawerelden kunnen gezien worden, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

7. Indien ik boeddha word en in mijn land zouden mensen en goden niet allen begaafd zijn met het goddelijke oor waarmee zij kunnen luisteren naar het onderricht van tenminste honderdduizenden koti’s van nayuta’s van boeddha’s, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

8. Indien ik boeddha word en in mijn land zouden mensen en goden niet allen begaafd zijn met het vermogen de gedachten te kennen van alle wezens in honderdduizenden koti’s van nayuta’s van boeddhawerelden, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

9. Indien ik boeddha word en in mijn land zouden mensen en goden niet begaafd zijn met de goddelijke voet waarmee ze in één gedachtemoment tenminste honderdduizenden koti’s van nayuta’s van boeddhawerelden kunnen bezoeken, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

10. Indien ik boeddha word en in mijn land zouden mensen en goden in hun gemoed nog enige gedachte aan de eigen lichamelijkheid koesteren, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

11. Indien ik boeddha word en in mijn land zouden mensen en goden niet in de schare van de Waarlijk-Gevestigden vertoeven en onfeilbaar het nirvana verwezenlijken, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

12. Indien ik boeddha word en mijn licht zou niet oneindig zijn, uitstralend over honderdduizenden koti’s van nayuta’s van boeddhawerelden, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

13. Indien ik boeddha word en mijn leven zou niet oneindig zijn, honderdduizenden koti’s van nayuta’s van kalpa’s overspannend, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

14. Indien ik boeddha word en het aantal toehoorders[57] in mijn land zou kenbaar zijn, zelfs al zouden alle toehoorders en pratyekaboeddha’s[58] van het hele heelal ze tellen gedurende honderdduizend kalpa’s, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

15. Indien ik boeddha word en in mijn land zouden mensen en goden een beperkte levensduur hebben - uitgezonderd diegenen die hun levensduur vrijwillig beperken uit hoofde van hun voortijdelijke gelofte - moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

16. Indien ik boeddha word en in mijn land zouden mensen en goden nog horen spreken over kwaad en lijden, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

17. Indien ik boeddha word en de ontelbare boeddha’s van alle werelden in de tien richtingen zouden niet allen mijn Naam prijzen en verkondigen, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

18. Indien ik boeddha word en alle wezens in de tien richtingen, die met oprecht gemoed en vreugdig vertrouwen verlangen in mijn land geboren te worden, mijn Naam zelfs maar tienmaal uitsprekend, zouden niet aldaar geboren worden, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken. Met uitzondering evenwel van diegenen die de vijf zware vergrijpen[59] begaan hebben en de Ware Leer beklad[60] hebben.

19. Indien ik boeddha word en alle wezens in de tien richtingen die in zich het gemoed ter verlichting gewekt hebben, die de diverse verdienstelijke daden verrichten met het oprechte verlangen in mijn land geboren te worden, zouden op het ogenblik van hun overlijden mij niet zien verschijnen omringd door mijn hemelse schare, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

20. Indien ik boeddha word en alle wezens in de tien richtingen die mijn Naam gehoord hebben, hun gedachten op mijn land vestigen, de diverse wortels van verdienste planten en oprecht verlangen in mijn land geboren te worden, zouden niet aldaar geboren worden, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

21. Indien ik boeddha word en de mensen en goden in mijn land zouden niet begiftigd zijn met de tweeëndertig kenmerken van de Volmaakte, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

22. Indien ik boeddha word, komen alle bodhisattva’s van alle andere boeddhawerelden naar mijn land en verwezenlijken er onvermijdelijk het hoogste stadium, dat van de Ene Geboorte vóór het Boeddhaschap. Uitgezonderd evenwel die bodhisattva’s die op grond van hun voortijdelijke gelofte zich inzetten voor het heil van alle wezens, die het harnas van de universele gelofte aantrekken, wortels van verdienste verzamelen, alle wezens uit geboorte-en-dood bevrijden, de boeddhawerelden bezoeken om er de bodhisattvapraktijken te beoefenen, alle Boeddha-Tathāgata’s van de tien richtingen huldigen, wezens ontelbaar als de zandkorrels van de Ganges tot verlichting brengen en ze vestigen op het hoogste, juiste, ware pad; wier werkzaamheid verder reikt dan die van de gewone bodhisattva’s, tot in de volmaaktheden van Samantabhadra toe. Zo niet, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

De overige geloften hebben betrekking op de werkzaamheden als bodhisattva.

23. Indien ik boeddha word en alle bodhisattva’s in mijn land zouden niet bij machte zijn door middel van Boeddha’s wonderbaar vermogen alle boeddha’s te huldigen en de onmeetbare en ontelbare koti’s van nayuta’s van boeddhawerelden te bezoeken in een tijd even kort als de ochtend vóór het ochtendmaal, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

24. Indien ik boeddha word en alle bodhisattva’s in mijn land zouden niet bij machte zijn de wortels van verdienste te planten in het huldigen van de boeddha’s zoals zijzelf dat wensen, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

25. Indien ik boeddha word en alle bodhisattva’s in mijn land zouden niet bij machte zijn de Leer te verkondigen in Volkomenheid van Wijsheid, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

26. Indien ik boeddha word en alle bodhisattva’s in mijn land zouden niet het lichaam van de god Narayana-Vajra verwerven, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

27. Indien ik boeddha word, zullen mensen en goden evenals alle tienduizenden dingen in mijn land stralend, zuiver, uitnemend en schitterend zijn, met verfijningen die elke beschrijving te boven gaan. Indien de wezens, zelfs met het goddelijke oog, nog bij machte zouden zijn namen te onderscheiden en hun aantal te tellen, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

28. Indien ik boeddha word en alle bodhisattva’s in mijn land, zelfs diegenen met weinig verdiensten zouden er de Bodhi-boom, die versierd is met onmeetbare glans en ontelbare kleuren en vierhonderd yojana’s[61] hoog is, toch niet zien, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

29. Indien ik boeddha word en alle bodhisattva’s in mijn land zouden geen volkomen wijsheid in welsprekendheid verwerven na de sutra’s ontvangen te hebben om ze te reciteren en te verkondigen, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

30. Indien ik boeddha word en de wijsheid en welsprekendheid van de bodhisattva’s in mijn land zouden beperkt blijven, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

31. Indien ik boeddha word en mijn land zou niet helder en schitterend genoeg zijn om de ondenkbaar ontelbare en onvoorstelbare boeddhawerelden te weerspiegelen even duidelijk als iemand zijn gezicht in een spiegel weerspiegeld ziet, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

32. Indien ik boeddha word, zullen de tienduizend dingen in mijn land, zoals de paleizen, de paviljoenen, de vijvers, de rivieren en de bomen, vanaf de grond tot in de hemel gemaakt zijn uit talloze edelstenen en honderdduizend soorten wierook; hun luister zal alle dingen in de hemel en op aarde overtreffen, hun geur zal alle werelden in de tien richtingen doordringen. De bodhisattva’s die dit waarnemen zullen alle boeddhapraktijken verrichten. Zo niet, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

33. Indien ik boeddha word en alle wezens in de ontelbare onvoorstelbare boeddhawerelden in de tien richtingen, die door mijn licht geraakt worden, zouden in lichaam en geest geen welwillende gevoelens koesteren die veel verder gaan dan bij mensen en goden, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

34. Indien ik boeddha word en alle wezens in de ontelbare onvoorstelbare boeddhawerelden in de tien richtingen zouden geen bodhisattva-inzicht verworven hebben in het niet-ontstaan van alle dingen[62] en in de diverse diepe dharani’s, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

35. Indien ik boeddha word en de vrouwen in de ontelbare onvoorstelbare boeddhawerelden, die mijn Naam gehoord hebben, zich in dit vertrouwen verheugen, in zich het Bodhi-gemoed gewekt hebben en afstand doen van hun vrouwelijkheid, zouden toch als vrouwen herboren worden, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

36. Indien ik boeddha word en alle bodhisattva’s van de ontelbare onvoorstelbare boeddhawerelden in de tien richtingen zouden niet, na mijn Naam gehoord te hebben, na het einde van hun bestaan voortdurend in hun volgende bestaansvormen de praktijken van het boeddhapad verrichten, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

37. Indien ik boeddha word en alle mensen en goden in de ontelbare onvoorstelbare boeddhawerelden in de tien richtingen, na mijn Naam gehoord te hebben, zouden niet neerknielen om mij in vreugdevol vertrouwen te huldigen, de bodhisattvapraktijken vervullen en door alle mensen en goden van de wereld geëerbiedigd worden, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

38. Indien ik boeddha word en de mensen en goden in mijn land verkrijgen niet de kledingstukken die geprezen worden door de boeddha’s of die ooit genaaid, geverfd of gewassen moeten worden, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenl1jken.

39. Indien ik boeddha word en de mensen en goden in mijn land zouden niet dezelfde vreugde ervaren als die van monniken die zich van hun bevlekkingen bevrijd hebben, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

40. Indien ik boeddha word en de bodhisattva’s in mijn land zouden niet naar wens de ontelbare luisterrijke boeddhawerelden kunnen zien in de juwelenbomen, zoals men zijn gezicht weerspiegeld ziet in een heldere spiegel, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

41. Indien ik boeddha word en de bodhisattva’s van de andere werelden die mijn Naam gehoord hebben, zouden vooraleer ze het boeddhaschap verwezenlijkt hebben, slechte, minderwaardige of onvolledige zintuigen hebben, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

42. Indien ik boeddha word, zullen alle bodhisattva’s in de andere werelden die mijn Naam gehoord hebben, de geestesconcentratie genaamd “Reine Bevrijding” verwezenlijken; terwijl ze in deze geestesconcentratie vertoeven, zullen ze bij machte zijn binnen één enkel gedachtemoment hulde te brengen aan alle ontelbare onvoorstelbare Boeddha-Tathagata’s zonder hun concentratie te verliezen. Zo niet, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

43. Indien ik boeddha word, zullen alle bodhisattva’s van de andere werelden, die mijn Naam gehoord hebben, bij hun dood herboren worden in edele families. Zo niet, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

44. Indien ik boeddha word, zullen alle bodhisattva’s van de andere werelden, die mijn Naam gehoord hebben, grote vreugde ervaren bij het vervullen van de bodhisattvapraktijken en aldus alle wortels van verdienste verzamelen. Zo niet, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

45. Indien ik boeddha word, zullen alle bodhisattva’s van de andere werelden, die mijn Naam gehoord hebben, de geestesconcentratie genaamd “Universele Gelijkheid” verwezenlijken; en in deze geestesconcentratie zullen zij bij machte zijn alle ontelbare onvoorstelbare boeddha’s te zien, totdat zijzelf boeddha worden. Zo niet, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

46. Indien ik boeddha word, zullen alle bodhisattva’s in mijn land bij machte zijn zonder de minste inspanning de leringen die ze wensen, te horen. Zo niet, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

47. Indien ik boeddha word en alle bodhisattva’s van de andere boeddhawerelden, die mijn Naam gehoord hebben, zouden niet terstond het stadium van Niet-Terugvallen verwezenlijken, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.

48. Indien ik boeddha word en alle bodhisattva’s van de andere boeddhawerelden, die mijn Naam gehoord hebben, zouden niet terstond het eerste, het tweede en het derde inzicht van de Leer-Herkenning beleven of in de verwezenlijking van de Leringen van de Boeddha achteruitgaan, moge ik dan niet de Volkomen Verlichting verwezenlijken.


[57] sravaka: benaming voor de volgelingen van het Kleine Voertuig.

[58] “Boeddha’s voor zichzelf”: die weliswaar de Verlichting verworven hebben, maar de Leer niet kunnen (of willen) uitdragen.

[59] Vijf zware vergrijpen: vadermoord, moedermoord, arhantmoord, onenigheid in de sangha veroorzaken, bloed van boeddha doen vloeien.

[60] Ook: misvormd.

[61] Zou overeenkomen met 4 000 000  mijl (H. Inagaki).

[62] anutpattika-dharma-ksanti.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home