Mūlamadhyamaka-kārikā - Leerverzen over de Fundamenten van de Middenweg

Nāgārjuna (2de eeuw?)

xviii, 1
Moest een ‘zelf’ identiek zijn aan de groeperingen, dan zou het deel hebben aan het oprijzen; moest het verschillend zijn van de groeperingen, dan zou het de kenmerken hebben van ‘niet-groeperingen’.

xviii,2
Bij afwezigheid van een ‘zelf’, hoe kan er dan iets zijn dat tot een ‘zelf’ behoort? Bij afwezigheid van ‘zelfheid’ en bij afwezigheid van ‘ik-denken’[63], onthoude men zich van begrippen zoals ‘mijn’ en ‘ik’.

xviii, 3
Wie vrij meent te zijn van ‘zelfheid’ en ‘ik-denken’, die is er blijkbaar niet van bevrijd. Wie iemand waarneemt als zijnde vrij van ‘zelfheid’ en ‘ik-denken’, ook die ervaart dat [in werkelijkheid] niet.

xviii, 4
Wanneer inzichten zoals ‘mijn’ en ‘ik’ verdwenen zijn, is er ook geen inwendig of uitwendig ‘zelf’ meer [te bespeuren]. Met het verdwijnen van deze gehechtheid houdt ook het ‘geboren-worden’ op.

xviii, 5
Door het verdwijnen van karmische bevlekkingen is er bevrijding[64]; karmische bevlekkingen worden veroorzaakt door discriminatie[65]; en deze resulteert uit conceptualisering[66]; deze houdt op wanneer men leegheid [verwezenlijkt].

xviii, 6
De Boeddha’s verduidelijkten begrippen zoals ‘zelf’ en ‘niet-zelf’, maar spraken nooit over iets dat ‘zelf’ of ‘niet-zelf’ zou zijn.

xviii, 7
Wat geen voorwerp van denken is, kan niet iets zijn dat kan geduid worden. Net zoals nirvana, is de ware werkelijkheid[67] noch oprijzen noch ophouden.

xviii, 8
Alles is zo, is niet zo, is zowel zo als niet zo, en is noch zo noch niet zo. Dat is de boodschap van de Boeddha.

xviii, 9
‘Door niets anders veroorzaakt’, ‘gestild’, ‘onuitdrukbaar door conceptualisering’, ‘niet discriminerend’, ‘niet met diverse betekenissen’: zo zijn de kenmerken van de zoals-het-is-heid[68].

xxii, 11
Men doet er best aan niet zomaar te spreken van ‘leeg’ of ‘niet-leeg’ of beide tegelijk of geen van beide. Deze [begrippen] zijn enkel bruikbaar als verbaliseringen.

xxii, 13
Discrimineren in ‘grijpen’ en ‘gegrepen’, benadrukken dat de Tathagata in substantie[69] ‘bestaat’ of ‘niet-bestaat’, dat is [verbaal] discrimineren; zo denkt iemand over degene die tot stilling gekomen is.

xxii, 14
Vermits de Boeddha ‘leeg’ is in zijn zelf-natuur[70], is de opvatting dat hij na zijn heengaan zou bestaan of niet bestaan, niet adequaat.

xxii, 15
Zij die de Boeddha beschrijven in termen van conceptueel denken, zijn slachtoffers van hun conceptualisering, vermits de Boeddha overheen elke conceptualisering is. Wie in zoiets doorheen zijn conceptualisering gehinderd wordt, die ervaart de Tathagata niet.

xxii, 16
Wat ook de zelf-natuur van de Tathagata moge zijn, dat is tevens de ware natuur van de wereld. De Tathagata heeft evenmin zelf-natuur als de wereld.

xxiv, 7
Wij stellen dat gij de bedoeling van [het begrip] ‘leegheid’ niet vat. Daardoor wordt gij door ‘leegheid’ en de betekenis van ‘leegheid’ gekweld.

xxiv, 8
De verkondiging van de Leer van de Boeddha’s is gefundeerd op twee waarheden de: wereld-betrokken waarheid en de uiteindelijke waarheid.

xxiv, 9
Wie het onderscheid tussen die twee waarheden niet kan vatten, kan ook de diepere betekenis van de boeddha-verkondiging niet vatten.

xxiv, 10
Zonder beroep te doen op de dagdagelijkse ervaring kan het absolute niet onderricht worden; zonder het absolute te vatten, kan nirvana niet verwezenlijkt worden.

xxiv, 11
Verkeerd begrepen leegheid ruïneert wie ze niet aankan. Zoals een slang die aan de verkeerde kant gegrepen wordt, of [magische] kennis die verkeerd gebruikt wordt.

xxv, 4
Waarlijk: nirvana is geen bestaansvorm[71], want was het dat, dan zou het de kenmerken van verval-en-dood[72] hebben. Er is immers geen bestaansvorm zonder verval-en-dood.

xxv, 5
Bovendien, moest het nirvana een bestaansvorm zijn, dan zou het samengesteld[73] zijn; een niet samengestelde bestaansvorm is nergens en nooit denkbaar.

xxv, 6
Moest het nirvana een bestaansvorm zijn, hoe kan het dan niet-afhankelijk[74] zijn, vermits het nirvana als niet-afhankelijke bestaansvorm onvoorstelbaar is.

xxv, 7
Als het nirvana geen bestaansvorm is, is het dan een niet-bestaansvorm? Aangezien het nirvana geen bestaansvorm is, kan het ook niet als niet-bestaansvorm gezien worden.

xxv, 8
Moest het nirvana een niet-bestaansvorm zijn, hoe zou het dan niet-afhankelijk kunnen zijn? Het nirvana is immers geen niet-bestaansvorm, vermits het als niet-afhankelijk gezien wordt.

xxv, 9
Wat ‘komen en gaan’ als bestaansvorm heeft, is betrekkelijk en afhankelijk. Daarom wordt nirvana ‘niet-afhankelijk’ en ‘niet betrekkelijk’ genoemd.

xxv, 10
De Meester heeft gezegd dat zowel ‘ontstaan’[75] als ‘vergaan’ dienen verworpen te worden; het nirvana dient daarom noch als ‘zijn’ noch als ‘niet-zijn’[76] opgevat te worden.

xxv, 11
Moest het nirvana zowel een bestaansvorm als een niet-bestaansvorm zijn, dan zou ook bevrijding[77] zowel een bestaansvorm als een niet-bestaansvorm zijn. Dat is niet mogelijk.

xxv, 12
Moest het nirvana zowel een bestaansvorm als een niet-bestaansvorm zijn, dan zou het nirvana niet niet-afhankelijk [van oorzaak en gevolg] zijn, maar van oorzakelijkheid afhankelijk zijn.

xxv, 13
Hoe zou het nirvana zowel een bestaansvorm als een niet-bestaansvorm zijn, vermits het nirvana niet-samengesteld is, dan wanneer zijn en niet-zijn samengesteld zijn?

xxv, 14
Hoe zou het nirvana zowel zijn als niet-zijn zijn, vermits hun gelijktijdig bestaan op één plaats onmogelijk is, evenmin als licht en duisternis.

xxv, 15
De stelling dat het nirvana noch een bestaansvorm noch een niet-bestaansvorm is, zou inhouden dat zijn en niet-zijn begrepen kunnen worden.

xxv, 16
Vermits het nirvana noch zijn noch niet-zijn is, hoe kan men dan weten dat het noch zijn noch niet-zijn is?

xxv, 17
Het kan niet geweten worden of de Verhevene na zijn heengaan bestaat; noch kan geweten worden of hij niet bestaat, noch beide samen noch geen van beide.

xxv, 18
Het kan zelfs niet geweten worden of er wel een Verhevene bestaat; noch kan geweten worden dat hij niet bestaat noch beide samen noch geen van beide.

xxv, 19
Het nirvana is uiteindelijk niet te onderscheiden van de lijdenswereld[78] en de lijdenswereld is uiteindelijk niet te onderscheiden van het nirvana.

xxv, 20
De begrenzingen[79] van het nirvana zijn meteen ook de begrenzingen van de lijdenswereld; tussen beide is er niet het geringste onderscheid.

xxv,21
Opvattingen over ‘eindig’ of ‘oneindig’ na de dood, zijn verwant aan [de problemen over] het nirvana, evenals aan ‘uiterst begin’ en ‘uiterst einde’.

xxv, 22
Vermits alle dingen leeg zijn, wat betekenen dan ‘eindig’ of ‘oneindig’? Wat betekenen ‘eindig-en-oneindig’ of de ontkenning van beide?

xxv, 23
Wat betekent identiek, wat betekent verschillend? Wat betekent eeuwig, wat betekent niet-eeuwig? Wat betekenen ‘tegelijk eeuwig en niet-eeuwig’, of de ontkenning van beide?

xxv, 24
Zaligheid[80] is het stillen van alle denkobjecten, is het stillen van het discrimineren. En niets aparts voor een bepaald iemand op een bepaalde plaats of een bepaalde tijd, werd ooit door de Boeddha verkondigd!


[63] aham-kára: letterlijk “ik-doen”.

[64] moksa

[65] vikalpa: letterlijk ‘onderscheid, variatie, mentale bedrijvigheid’ (Monier); ‘discriminatie, verbeelding’ (Edgerton); ‘denken over’ (PTSD).

[66] prapañca: letterlijk ‘ontwikkeling, bedrog, verschijning’ (Monier); ‘vergroting, uitweiding, verkeerde verbeelding’ (Edgerton); ‘uitbreiding, hindernis, obsessie’ (PTSD).

[67] dharmatā

[68] tattvā: staat hier voor ‘ware werkelijkheid’.

[69] ghano

[70] svabhāva

[71] bhāva

[72] jarā-maranam, als laatste term van de Oorsprong in Afhankelijkheid (pratītya-samutpada).

[73] samskrta: d.i. relatief, geconditioneerd zijn.

[74] anupādāya

[75] bhava en abhava: empirisch ‘worden’ en ‘ontworden’ (niet verwarren met bhāva!).

[76] bhāva en abhāva zouden hier astitva en nāstitva betekenen.

[77] moksa

[78] samsāra: de kringloop van geboorte-en-dood.

[79] koti: ‘hoogtepunt, uiterste’ (Monier); ‘eindpunt, begrenzing, limiet’ (Edgerton); PTSD geeft beide betekenissen. De meeste auteurs opteren voor ‘grens, begrenzing’; enkel Kalupahana verdedigt ‘extremity’.

[80] siva, hier als synoniem voor moksa (Monier).

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home