Hui-Nêng - Verhoogsutra over de Juwelen van de Leer, 28-30

Zesde Ch’an Patriarch (7de eeuw) - Liu-ssu ta-shih Fa-pao t’an-ching[81]

Dit werk, opgetekend door Fa-hai, beschrijft het leven en de leringen van de Zesde Patriarch van de Zuidelijke Ch’an-school, Hui-nêng (638-713).
Het Verhoogsutra is geen sutra in de traditionele betekenis van het woord. Het is een verzameling van zes preken, alsmede een commentaar (= sastra) op het Vajracchedika-sutra, het “Snijdende Diamant Sutra”).
Buiten de (betwijfelbare, legendarische?) biografische gegevens omtrent Hui-nêng, bevat dit werk ook de basisdoctrines van de Zuidelijke Ch’an, o.a. de identiteit van Prajña en Dhyāna (Wijsheid en Meditatie), de doctrine van de “Plotse Verlichting” tegenover de “Geleidelijke Verlichting”, het “niet-verblijvende gemoed” of de doctrine van de ‘‘Niet-Gedachte’’ (Chinees wu-hsin, Japans mu-shin).
De tekst diende ook als bewijs voor de overdracht van leraar op leerling, i.p.v. de traditionele mantel en bedelnap.
Onderstaande vertaling bestaat uit drie fragmenten ui t het Tun-huang manuscript, de oudste nog bestaande tekst (waarschijnlijk gekopieerd tussen 830 en 860).

 

28

Geachte toehoorders, indien gij verlangt de diepte van de Dharmadhātu te doorgronden en de Wijsheidsconcentratie[82] te bereiken, dan moet gij de Volkomenheid van Wijsheid beoefenen. Met slechts één enkel chüan van het Vajracchedika-sūtra kunt ge reeds inzicht verwerven in uw zelf-natuur.

Gij moet weten hoe groot de verdienste van zo iemand wel is, zoals duidelijk in de sutra’s uiteengezet wordt en het is voor mij overbodig hierover uit te weiden. Dit onderricht van de Leer is de hoogste waarheid verkondigd aan mensen van grote wijsheid en hogere begaafdheid. Als mensen met minder aanleg voor weten dit onderricht horen, dan wordt er toch geen vertrouwen in hun gemoed gewekt.

En waarom niet? Wanneer een grote draak regenvlagen laat uitstorten over Jambudvipa, dan worden grote en kleine steden, dorpen en gehuchten door de overstromingen weggevaagd als waren ze grashalmen of afgevallen bladeren. Maar als deze regen op de grote oceaan neerkomt, dan blijft het peil van de zee onveranderd, noch rijzend noch dalend.

Wanneer volgelingen van het Grote Voertuig naar het Vajracchedika-sūtra luisteren, dan wordt hun gemoed geopend en verlicht. Daarom kan gezegd worden dat hun zelf-natuur oorspronkelijk begiftigd is met prajñā, dat alle dingen in het licht van deze grote wijsheid vertoeven en dat ze niet afhankelijk zijn van de letterlijke betekenis [van de sutra’s].

[Deze wijsheid] kan vergeleken worden bij regen die niet in de hemel blijft hangen, maar die door de drakenkoning uit rivieren en zeeën wordt geput om gelijkelijk over alle wezens, bomen en planten, gevoelige en niet-gevoelige wezens, uitgestort te worden. Al die waters stromen terug bijeen en keren terug naar de grote oceaan. En de oceaan die al die verschillende waters opvangt, maakt er één groot waterlichaam van. Zo gaat het ook met de prajñā-wijsheid van de zelf-natuur van alle wezens.

29

Geachte toehoorders, wanneer mensen met een lagere begiftiging deze lering van de plotse verlichting aanhoren, kan men ze vergelijken met kleine planten die slechts ondiepe wortels hebben: ze worden door de stortvlaag losgerukt en weggevoerd en kunnen niet verder groeien. Zo is het ook met mensen van lagere begiftiging: de prajñā die in hen immanent is, is niet verschillend van die van mensen met een hogere begiftiging, maar toch verwerven ze geen inzicht wanneer ze naar de lering luisteren. En waarom niet? Omdat ze gehinderd worden door de zwaarte van onjuiste opvattingen en diepwortelende passies. Het is zoals de zon die zwaar gesluierd door wolken, geen stralen kan uitzenden zolang de wind die wolken niet verdreven heeft.

In de prajñā-wijsheid bestaat er evenwel geen ‘groot’ en geen ‘klein’. Vermits alle wezens uit zichzelf een begoocheld gemoed hebben, zoeken ze de Boeddha via uitwendige praktijken en zijn ze onbekwaam binnen in hun zelf-natuur te zien. Maar ook deze mensen van lagere begiftiging, als ze de lering van de plotse verlichting vatten en hun vertrouwen niet meer stellen in uitwendige praktijken, maar hun geest naar binnen richten en er het juiste inzicht in opwekken, dan wekken zij in zich hun oorspronkelijke zelf-natuur. Zelfs deze wezens, ondanks hun bevlekkingen en hun gehechtheden, zullen dan de verlichting verwezenlijken.

Het is zoals de grote oceaan die alle rivieren, groot en klein, in zich opneemt en ze samensmelt tot één groot waterlichaam: zo is inzicht in de zelf-natuur. [Wie dergelijk inzicht heeft] kent geen ‘binnen’ en geen ‘buiten’, hij komt en hij gaat vrijuit; hij is innerlijk bevrijd van bindingen; zijn denken kent geen begrenzingen meer. Wanneer het gemoed zo ingesteld is, verstaat men dat er geen onderscheid is [tussen zelf-natuur en] prajñā-pāramitā.

30

Geachte toehoorders, alle sutra’s en sastra’s, alle lettertekens van de Twee Voertuigen, evenals de twaalf onderverdelingen van de canon, werden opgesteld met het oog op de mensen van deze wereld. Het is doordat er wijsheidsnatuur is dat deze boeken opgesteld werden. Waren en geen mensen in de wereld, dan zouden ook de talloze leringen niet bestaan. Daardoor weten we dat de leringen oprijzen omwille van de mensen, net zoals alle sutra’s enkel bestaan omwille van de mensen.

Het onderscheid tussen dwaasheid en wijsheid bestaat enkel ten opzichte van de mensen in de wereld. Zij die dwaas zijn, zijn onbeduidend; zij die wijs zijn, dat zijn de ‘grote mensen’. Wanneer dwazen de wijzen ondervragen, dan onderrichten de wijzen hun de leer, zodat de dwazen tot begrijpen komen en diepe verlichting verwezenlijken. Wanneer de dwazen tot begrijpen komen en hun gemoed tot ontwaken komt, dan zijn ze niet meer te onderscheiden van mensen met grote wijsheid.

Geachte toehoorders, daardoor weten we dat, ook afgezien van de verlichting, de Boeddha een levend wezen is; en dat ook een levend wezen, verlicht in één gedachtemoment, Boeddha is.

Daardoor weten we ook dat elk van de tienduizend dharma’s[83] in onze geest immanent zijn. En daarom kan eenieder, van binnen in zijn gemoed, plots de zuivere zo-heid verwezenlijken. In de P’u-sa-chieh ching[84] lezen we: “Onze zelf-natuur is van in de oorsprong zuiver.” Indien we ons gemoed waarnemen en inzicht verkrijgen in onze zelf-natuur, dan kunnen we spontaan het Pad van het Boeddhaschap bereiken. In de Wei-mo-chieh ching[85] lezen we: “Plots worden ze verlicht en hervinden ze hun oorspronkelijke natuur.”


[81] Naar manuscript “van Tun-huang”, ed. Yampolski.

[82] prajñā-samādhi

[83] Hier in de betekenis van ‘bestaanselementen, dingen’.

[84] Bodhisattvasila-sūtra

[85] Vimalakirtinirdesa (T 475).

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home