Wu-Mén - Afsluiting zonder Poort

Hui-k’ai (1183-1260) - (Wu-Mén Kuan, fragm.)

Deze verzameling kōans uit de Sung-dynastie (960-1279) werd bijeengebracht door de Ch’an-monnik Wu-mên Hui-k’ai (geboren in 1183). Traditioneel behoort deze relatief kleine verzameling van 48 kōans tot de populairste (want meest toegankelijke) reeks; ze wordt gezien als een introductie tot de kōan-studie.
Kōan (Chinees kung-an) betekent letterlijk “oorkonde” of “publieke verordening”. Het systeem van de kōans werd volgens sommigen in zwang gebracht als een soort van beveiliging tegen teloorgang van de inzichten van de oude Zen-meesters; anderen beschouwen het als een middel tot ‘popularisering’ van de Zen-praktijk en een remedie tegen ‘quiëtisme’.
Kōans zijn problemen om het probleem zelf, vragen zonder zichtbaar, rationeel antwoord. De bedoeling is de meditant te confronteren met de begrenzingen van het eigen denken en zo te komen tot een implosie (of soms explosie) van het denken, waarbij een directe ervaring van de werkelijkheid tot stand komt.
Sommige kōans schijnen logisch, andere a-logisch, sommige volledig onbeantwoordbaar.
Elk van de ‘case-studies’ in de Wu-mên Kuan bestaat uit drie delen: de probleemstelling (A), de commentaar (B) en de commentaar in versvorm (C).

 

1.

A.        Een monnik vroeg eens aan Chao-chou: “Heeft een hond de boeddhanatuur?”
Chao-chou antwoordde: “Woe(f)!”

B.        Voor de praktische beoefening van Ch’an, moet je geraken doorheen de afsluitingen die de Ch’an-meesters op je weg geplaatst hebben. De verwezenlijking van de diepe verlichting betekent het volledig afsnijden van de diverse werkzaamheden van de gewone geest. Als je dat niet gedaan hebt en toch doorheen de afsluiting geslopen bent, dan ben je slechts een spook in het onderbos bij de schaduwplanten. Welnu, wat is hier de afsluitboom? Het is eenvoudigweg “wu”, de afsluiting van de Ch’an-poort en wordt daarom de “Poortloze Afsluiting van de Ch’an-school” genoemd.

Zij die doorheen deze afsluiting geraakt zijn, zijn niet enkel bij machte Chao-chou langs binnen te begrijpen, maar tevens de hele historische lijn van de Ch’an-meesters, - hand in hand met ze te wandelen, in de meest intieme relatie met ze te treden…

(…)

C.        Hondje! Boeddhanatuur’
Volmaakte manifestatie, taak van waarheid.
Zelfs voor één oogwenk in de betrekkelijkheid
ben je een dood man!

 

18.

A.        Een monnik vroeg eens aan Tung-shan: “Wat is de Boeddha?”
Hij antwoordde: “Drie pond vlas.”

B.        De Ch’an van ouwe heer Tung-shan is als een mossel. Wanneer je beide helften van de schelp opentrekt, dan zie je de lever en de darmen. Maar ofschoon dit zo is, waar kunnen we Tung-shan zien?

C.        Drie pond vlas, zomaar, zonder kunstmatigheid,
Woord en betekenis zijn onafscheidelijk, ondeelbaar.
Hij die ‘dit’ en ‘dat’ verklaart, en ‘ja’ en ‘neen’ en het ‘betrekkelijke’,
hij is zelf maar een betrekkelijk mens.

24.

A.        De wind deed een tempelvlag wapperen en twee monniken hadden hierover een discussie. De ene zei dat de vlag bewoog, de andere dat de wind bewoog. En gezien ze het niet eens konden worden, bleven ze heen en weer argumenteren.
De Patriarch zei: “Het is niet de wind die beweegt; het is niet de vlag die beweegt. Het zijn jullie edelachtbare gedachten die bewegen.” De monniken waren van verbazing geslagen.

B.        De wind beweegt niet, de vlag beweegt niet, de geest beweegt niet. Hoe zullen we de Patriarch begrijpen? Als je vat krijgt op de betekenis, dan ontdek je dat de monniken die eropuit waren ijzer te kopen, goud in de plaats kregen. De Patriarch kon zijn mededogen niet onder stoelen en banken steken en daardoor kregen we dit onsmakelijke toneel.

C.        De wind beweegt, de vlag beweegt, de geest beweegt.
Alles is schuldig aan vergissen.
We weten dat we onze mond openen,
maar niet dat we zo verkeerd zitten.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home