Tibetaanse Literatuur

De Tantra (naam van de filosofische school) vormt een heel aparte categorie van boeddhistische teksten. Vele ervan zijn bewaard in het oorspronkelijke Sanskriet, maar ook fragmentarisch in Midden-aziatische talen. Ze werden vertaald in het Tibetaans en uitvoerig van commentaren voorzien. Ook in de Chinese canon zijn er tantrische teksten.
De teksten werden hoofdzakelijk gebruikt bij de rituelen van Vajrayana (Diamantvoertuig of Bliksemvoertuig), ook wel Mantrayana (Spreukenvoertuig) genoemd.
Het Boeddhisme is rond de 6de/7de eeuw voor het eerst in Tibet terechtgekomen: er waren weinig aanknopingspunten met de aanwezige religie, in tegenstelling bijvoorbeeld tot China (Confucius-ethiek en Taoïstische filosofie). Het Boeddhisme had weinig te bieden dat aansluiting kon vinden bij sjamanistische religieuze vormen. Nochtans had er in India een samensmelting plaatsgevonden tussen het tantrisch denken en het Boeddhisme. Het Tantrisme is preboeddhistisch en zelfs pre-vedisch: het zou teruggaan tot de Induscultuur.
Pre-arisch was er in India een moedergodin (Mahādevi). Deze cultus wordt verdrongen door de arische cultus, maar leeft ondergronds verder en komt weer boven rond het begin van onze jaartelling.
Zo vertoont de Atharva-veda heel wat tantrische elementen.
In de 3de eeuw gaat het zich manifesteren in een mengvorm met het (theïstische) Hindoeïsme in het tantrisch Hindoeïsme dat vooral tot uiting komt in de Siva-cultus (periode van de Purana-literatuur).
In de zesde eeuw manifesteert zich een tantrisch Boeddhisme in India. Dit is samengesteld uit heel verscheiden en vaak tegenstrijdige elementen, wat misschien te wijten is aan de talrijke invloeden die het heeft ondergaan: van de volksdevotie, van het Chinese Taoïsme en van de Bön-religie uit Tibet zelf.
Het heeft zich wél gefundeerd op de Madhyamaka-filosofie (Nagarjuna) en de Yogacara-school.
De meditatievormen (meestal visualiseringen) gaan terug op de boeddhistische Mahayana-praktijken. De eigen praktijken (mantra, mandala, dharani) zijn sterk door de hindoeïstische Tantra beïnvloed.
In de 8ste eeuw krijgt het tantrisch Boeddhisme een concrete vorm in het Vajrayana: Diamantvoertuig of Bliksemvoertuig. Dit gaat naar Tibet (8ste eeuw) en zal daar dan nog sjamanistische invloed ondergaan.
De grote meesters zijn Padmasambhava, Marpa en Atisha, die het Tibetaanse Boeddhisme vormen en omvormen tot het “Lamaïsme”: de religie van de geleerde. Dominerend is het guru-principe: de verhouding tussen leraar en leerling wordt zeer belangrijk. De leraar neemt zelfs de plaats in van de Boeddha. Nadruk komt te liggen op de leraar die een inwijding voltrekt.
In de eredienst gaat de eerste huldiging naar de guru en doorheen de guru naar de drie traditionele “Juwelen”.
De oorspronkelijke sjamanistische religie is nog steeds aanwezig in Tibet: zoals het Boeddhisme een aantal sjamanistische elementen heeft overgenomen, zo heeft ook de Bön-po een poging gedaan een spirituele meerwaarde te ontwikkelen. Ze heeft ook de hele structuur van het Boeddhisme overgenomen: kloosters, studie enz.
De oudste school uit het Tibetaanse Boeddhisme. de Nyingma-pa, beroept zich op een grote wijze uit India: Padmasambhava. Aan hem wordt het ‘Boek van de Grote Bevrijding’ toegeschreven: een boeddhistische leer met veel tantrische en magische elementen. Het ritueel wordt heel belangrijk en kan een ingreep betekenen op het karmisch gebeuren. Men kan verlichting bereiken met behulp van rituelen en magie.
De Sakya-pa stroming is een hervormingsbeweging die een poging doet om terug te keren naar het essentiële Boeddhisme, maar de druk van de ‘publieke opinie’ behoudt de tantrische en sjamanistische elementen.
De Kagyu-pa erkent Atisha als guru: een hervormer die vanuit Oost-Bengalen naar Tibet komt en de tantrische teksten in het Tibetaans doet vertalen. Daarnaast is er ook Marpa, ook een in India gevormde vertaler, die zich in een klooster vestigt en leraar wordt van Milarepa (zie verder).
Milarepa is een dualistische figuur: in de prediking keert hij zich tot de zuivere Leer van Shakyamuni; in de praktijk is hij een groot tovenaar die het Boeddhisme verbreidt door gebruik te maken van magische praktijken. Hij werkt de guru-gedachte sterk uit: de guru wordt almachtig, wordt plaatsvervanger van de Boeddha, is een manifestatie van Boeddha en de Leer.
Tsong-Khapa (14de-15de eeuw) slaagt in een heel diepgaande hervorming. Hij voert de vinaya-regels weer in en legt nadruk op meditatie, studie en kennis. De kloosterorakels worden gecentraliseerd in één ‘staatsorakel’. Hij wordt gezien als de leider van de Gelug-pa die in de 16de eeuw de wereldlijke macht over Tibet krijgen en er een theocratie vestigen. De Panchen-lama is het eigenlijke geestelijke hoofd van de beweging; de Dalai-lama is de plaatsvervangende geestelijke leider én de wereldlijke leider over Tibet.
Filosofische Structuur
Ze is hoofdzakelijk gebaseerd op Nagarjuna:
de relatieve waarheid en de absolute waarheid zijn verweven (“tantra”) met de identiteit van samsara en nirvana. Het onderscheid samsara/nirvana behoort tot het domein van de relatieve waarheid, evenals het onderscheid verlichting/onwetendheid. Dat trekt men verder door tot het onderscheid wijsheid/driften: de driften behoren tot hetzelfde niveau als de wijsheid en kunnen middelen worden om verlichting te verwezenlijken, op voorwaarde dat men ze op de juiste wijze hanteert.
Het streven is elke relatieve twee-heid te herleiden tot haar fundamentele één-heid.
Dit wordt verwerkt in een sympathetisch denkpatroon waarin een aantal boeddhistische concepten in nieuwe verhoudingen tot elkaar worden geplaatst: b. v. nirvana/samsara zoals prajñā/karunā zoals sūnyatā/upāya zoals vajra/pama.
De Vajrayana heeft ontstaan gegeven aan de Vijf Meditatieboeddha ‘s (dhyāni-buddha) die de basis vormen van de mandala-opbouw: Vairocana, Akshobhya, Ratnasambhava, Amitabha en Amoghasiddhi.
Bodhicitta, het “gemoed ter verlichting”, wordt tantrisch geïnterpreteerd als de één-wording van sunyata en karuna, d. i. als activiteit, met inbegrip van de passies die ‘geschikte middelen’ zijn geworden.
Maithuna wordt de geslachtelijke vereniging van mannelijk en vrouwelijk element, dat beschreven wordt én voorgesteld als de yogin (adept) met zijn mudra (‘zegel’, partner).
   

Tekstboek boeddhisme, versie juli 2010 - Inhoud

     
231   Tibetaanse Literatuur
232   Bardo-Thödol - Het ‘Tibetaanse Dodenboek’
233   Milarepa - De Jager en het Hert
     
999   Contact


Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com
          home