Bardo-Thödol - Het ‘Tibetaanse Dodenboek’

(naar A. David-Néel, “Textes Tibétains inédits’, p. 128)

Alhoewel het een fundamenteel beginsel is van de boeddhistische Leer dat het bestaan van zoiets als een “ego” ontkend wordt, klampt men zich in de dagelijkse religie vast aan een of andere entiteit of ziel, die bij de dood aan het lichaam ontsnapt om verder te leven, hetzij in reïncarnatie, hetzij op een andere manier.
Het geloof in een voortlevende entiteit post mortem, die door de kracht van zijn voorafgaande activiteiten gedreven wordt naar nieuwe levensvormen, heeft een overvloedige literatuur teweeggebracht. Deze bevat o.a. een groot aantal traktaten onder de naam Bardo thös tol (d.i. de academische translitteratie die gewoonlijk “Bardo Thödol” geschreven wordt). Sommige ervan zijn niet bestemd om gelezen te worden bij het bed van een stervende of tijdens de begrafenisrituelen, maar dienen bestudeerd te worden door de leden van de clerus die zich willen bekwamen in het goed begeleiden van de overledenen in de wereld waar ze na hun dood terechtgekomen zijn.
De titel ‘Bardo thös tol’ betekent letterlijk ‘datgene waarvan het horen bevrijdt van de Bardo (tussenruimte)’. De entiteit die uit het lichaam getreden is en in Bardo binnengetreden is, verneemt door de teksten die voorgelezen worden de wijze waarop hij zich dient te gedragen om uit het Bardo te ontsnappen. Waartoe leidt die bevrijding?
Het doel dat men in het Boeddhisme probeert te bereiken is bevrijding uit samsara: het doorbreken van de keten van dood en wedergeboorte.
Maar weinigen zijn er in hun leven in geslaagd materiële en geestelijke activiteit stil te leggen. Aan diegenen beweert de Bardo thös tol te leren hoe zij, na hun dood – terwijl ze in het Bardo verblijven – datgene kunnen verwezenlijken wat ze in hun leven niet deden of konden doen.
Dit concept van ‘bevrijding’ dringt evenwel niet door tot de ‘gewone man’ (evenmin als het anatta-concept), en men blijft hopen op gelukkige wedergeboortes in deze wereld, in de godenwereld of in een van de twee populaire hemelen van het Lamaïsme: het Westelijk Paradijs van de Grote Zaligheid of het Land van de Vreugde. Deze middelen aan de gedesincarneerde geest mededelen is het doel van alle Bardo thös tol.
Maar er is meer: de idee dat de overledene een inspanning moet leveren om te luisteren en uit te voeren wat hem gezegd wordt, is voor sommigen nog te veel. Ze wensen een occulte macht die zich gaat ontfermen over hen of over hun geliefden, zodat die miraculeus in het Paradijs komen.
In dat geval wordt de Bardo thös tol “Powa”, d.w.z. overbrenging (nl. van de geest in een gelukzalig oord, meestal het Westerse Paradijs).
Dikwijls wordt de tekst gereciteerd door de familie of de lama als een magische formule die het gebeuren zal voltrekken. Het gebeurt ook dat men deze tekst reciteert voor een pop die de kleren draagt van de dode, wanneer dit niet kan geschieden bij het lichaam zelf.
De ‘entiteit, ziel, geest’ die in het Bardo verblijft is eigenlijk ‘bewustzijnsvermogen’. Dit vormt geen eenheid. Het is het aggregaat van alle bewustzijn-s die afhankelijk zijn van de verschillende zintuigen. Elk van die ‘bewustzijn-s’ vormt een punt in de stroom van energie die verder manifestaties zal voortbrengen, zelfs na het uiteenvallen van de pañcaskandha. Deze gedachte geeft aanleiding tot de veelvuldige reïncarnaties van sommige tulku’s: ze zijn de reïncarnatie van de geest, het woord en het lichaam van uitmuntende personen.
Het is belangrijk te weten dat het Bardo niet als een plaats wordt beschouwd, maar een droom die de overledene doormaakt. De reis die beschreven wordt is een reeks beelden die zich aanbieden aan het bewustzijnsvermogen op het ogenblik van de dood of onmiddellijk erna. De inhoud van die droom wordt gevormd door de herinneringen voortkomend uit de mentale en psychische activiteiten die door de overledene werden uitgevoerd.
Al deze visioenen zijn zuiver subjectief; er is geen enkele uitwendige werkelijkheid in ze. Het inzicht ervan leidt naar de bevrijding.
De geschriften van het Bardo thös tol bevatten een merkwaardige mengeling van elementen ontleend aan talrijke bronnen: in taoïstische tempels of geschriften vindt men analoge beelden. Er werd geleend bij de Nepalese Tantra, bij de filosofische scholen van het Mahayana, en nog veel meer. Men is geneigd te geloven dat de oorspronkelijke tekst teruggaat op de Bön-religie en dat op die basis gradueel boeddhistische en tantrische noties over elkaar gelegd werden.
De filosofische basis van het Bardo thös tol is het Mahayana concept volgens hetwelk de bevrijding bestaat in een mentale handeling: die bestaat erin te erkennen dat er geen bindingen bestaan behalve die wijzelf weven rondom ons en dat hemelen, goden, hellen en demonen enkel voortbrengselen zijn van onze verbeelding.
Dat is de laatste ‘bezwering’ door het Bardo thös tol gericht aan de ‘entiteit’ op het einde van haar reis doorheen het Bardo, wanneer ze zich bevindt voor de Rechter van de Doden die ze zal oordelen:
“Weet dit: buiten uw voorstellingen (hallucinaties) bestaat er geen Heer Rechter van de Doden noch demonen noch de overwinnaar van de dood: Mañjusrī.
Begrijp dit en word verlost.”
De 49 dagen die men aan de reis door het Bardo toekent zijn zuiver symbolisch: de lama’s beweren immers dat de tijd van de reis doorheen het Bardo afhankelijk is van de mentale gesteldheid van de reiziger.

 

(Eerste dag)

Wanneer de ademhaling volledig ophoudt, druk dan stevig op de slaapzenuw; een lama of een hogere in rang spreke men eerst als volgt aan:

“Eerwaarde Heer, nu dat gij het reine licht ervaart, tracht in deze toestand te volharden.”

Voorts voor gelijk welke persoon, moet de officiant hem oog-in-oog zetten, aldus:

“Edelgeborene, luister nu goed. Gij ervaart nu de straling van het heldere licht van de zuivere werkelijkheid. Erken deze straling.

Edelgeborene, uw huidige geest, wiens ware natuur de leegheid is, heeft noch vorm noch kleur. Leegheid is zijn ware natuur. Hij is de ware werkelijkheid, hij is het Grote Mededogen.

Uw eigen geest, die nu leegheid is, mag evenwel niet beschouwd worden als de leegheid van het niets, maar als geest-in-zich, ongehinderd, lichtend, doordringend en gelukzalig. Hij is het ware bewustzijn, de Almeedogende Boeddha.

Uw eigen bewustzijn, dat in waarheid ongevormd en leeg is, en uw geest die lichtend en gelukzalig is, ze zijn niet van elkaar te scheiden. Hun eenwording is het Dharmakaya-aspect van de Volkomen Verlichting.

Uw eigen bewustzijn, lichtend, leeg en onafscheidelijk van het Grote Stralingslichaam, kent geboorte noch dood. Het is het Onveranderlijke Licht, het is de Boeddha Amitabha.

Het volstaat dit te weten. De leegheid van de eigen geest erkennen als boeddhaschap, en weten dat dit uw eigen bewustzijn is: dat laat u vertoeven in het goddelijk gemoed van de Boeddha.”

Herhaal dit duidelijk, wel drie- tot zevenmaal toe. Dat roept in het gemoed [van de gestorvene] het vroegere ‘oog-in-oog-plaatsen’ door zijn guru op. Voorts bewerkt dit dat men het lege bewustzijn erkent als zijnde het heldere licht. Ten derde wordt men door het zó erkennen van het eigen zelf, blijvend met de Dharmakaya verenigd en wordt de bevrijding gevestigd.

(Tweede dag)

“Edelgeborene, gij maakt drie Bardo-toestanden door: het Bardo van het ogenblik van de dood[87], het Bardo van de werkelijkheid[88] en het Bardo van het zoeken naar wedergeboorte[89].

Van deze drie hebt gij tot gisteren enkel het Bardo van het ogenblik van de dood ervaren. Ofschoon het heldere licht van de werkelijkheid voor u opkwam, waart gij toch niet bij machte uw geest daarop geconcentreerd te houden en daarom moet gij nu hier rondzwerven.

Van nu af zult gij de twee andere Bardo’s meemaken, het tchönyid-bardo en het sidpa-bardo.

Gij moet een niet-aflatende aandacht besteden aan hetgeen waarmee ik u oog-in-oog plaats en u daarop concentreren.

Edelgeborene, wat men de dood noemt, dat is nu gekomen. Gij scheidt uit deze wereld, maar hierin zijt gij niet alleen: de dood komt immers voor alle wezens. Klamp u niet uit gehechtheid of uit zwakte aan dit leven vast. Zelfs wanneer gij u uit zwakte eraan vastklampt, dan hebt gij toch de kracht niet hier te blijven. Gij hebt aan dat vastklampen niets, dan enkel het ronddwalen in samsara. Hecht niet [aan deze wereld], maar roep in uw geest de Drie Kostbaarheden[90] op.

Edelgeborene, wat er in het tchönyid-bardo ook aan angst en schrikken over u kan komen, vergeet nooit de volgende woorden en druk hun betekenis in uw hart, want in deze woorden ligt het essentiële mysterie van het inzicht:

‘Moge ik, nu het onzekere ervaren van de werkelijkheid mij hier omnevelt,
elke gedachte van angst en schrikken daaromtrent van mij afzetten: [alle gedaanten die] verschijnen zijn slechts de spiegelbeelden van mijn eigen bewustzijn.
Moge ik ze erkennen als zijnde eigen aan de aard van het bardo.
Moge ik op dit uiterst belangrijke moment het Grote Einde verwezenlijken,
niet vrezen de scharen van vreedzame en toornige [godheden],
want ze zijn immers slechts de gedaanten van mijn eigen denken.’

Herhaal steeds deze [verzen]; en terwijl gij u hun betekenis blijft voor ogen houden, ga steeds verder. Daardoor is, wat er ook aan gedaanten van angst en schrikken kan verschijnen, het Inzicht een zekerheid. Vergeet niet de fundamentele geheime kunst die in deze verzen schuilt.

Edelgeborene, toen uw lichaam en uw geest van elkaar scheidden, hebt gij een dagen van de Reine Waarheid ervaren, subtiel, sprankelend, helder, fel lichtend, wonderbaar stralend, eerbied wekkend, zoals een luchtspiegeling die als een ononderbroken stroom van trillingen over een lentelandschap trekt. Laat u daardoor niet in vertwijfeling brengen, laat u niet afschrikken of intimideren. Dat is immers de straling van uw eigen ware natuur. Erken ze.

Uit het midden van deze straling komt de natuurlijke klank van de werkelijkheid, weergalmend als duizend donders die tezamen losbreken. Dat is de natuurlijke klank van uw eigen ware zelf. Laat u daardoor niet in vertwijfeling brengen, niet afschrikken, niet intimideren.

Het lichaam dat gij nu hebt wordt het ‘gedachtelichaam van de [karmische] neigingen’ genoemd. Vermits gij geen stoffelijk lichaam van vlees en bloed hebt, kan er u, wat er ook gebeurt, niets overkomen. Klanken, lichten, stralingen, geen van deze drie kan u deren: gij kunt immers niet meer sterven. Het volstaat dat gij duidelijk weet dat deze verschijnselen enkel de gedaanten van uw eigen denken zijn. Dit moet gij erkennen als het Bardo!

Edelgeborene, wanneer gij nu deze eigen gedachtegedaanten niet kunt erkennen [voor wat ze zijn], wat ook gij ooit in de mensenwereld aan meditatie of vrome praktijken hebt gedaan, wanneer gij nu dit onderricht niet naleeft, dan zullen de lichten u tegenhouden, zullen de klanken u beangstigen en de stralingen u afschrikken. Indien gij dus niet deze allerbelangrijkste sleutel tot de Leer kent en bijgevolg niet in staat zijt die klanken, lichten en stralingen te erkennen [voor wat ze zijn], dan zult gij opnieuw in het samsara moeten rondzwerven.”

(…)

(Vierde dag)

“Edelgeborene, luister aandachtig. Op de vierde dag schijnt het rode licht dat de oervorm van het element vuur is. Op dat moment straalt op u vanuit de Rode Westelijke Wereld van Zaligheid de Verhevene Amitabha, wiens kleur rood is, die een lotus in de hand houdt, die zit op een pauwentroon, omarmd door de goddelijke moeder Gökarmo, samen met de bodhisattva’s Chenrezi en Jampal, vergezeld van de vrouwelijke bodhisattva’s Ghirdima en Aloka. Deze zes Lichamen der Verlichting stralen op u neer vanuit een krans van regenbooglicht.

De oervorm van de totaliteit van de gewaarwordingen, als het rode licht van de Alles-onderscheidende Wijsheid, fel rood, met sterrenwerelden en satellietsterrenwerelden verheerlijkt, helder, doorzichtig, heerlijk, fel lichtend, uitstralend uit het hart van de goddelijke vader-moeder Amitabha, treft nu uw hart [zo fel] dat gij het amper kunt uitstaan. Vrees het niet!

Tegelijkertijd echter straalt op u ook een troebel licht dat komt vanuit het rijk van de hongergeesten; het komt vlak naast het Licht van de Wijsheid. Nu moet gij zodanig handelen dat dit troebele licht u niet lief wordt. Geef alle gehechtheid en zwakte op!

Want op datzelfde ogenblik wordt gij door de sterke kracht van het felle rode licht afgeschrikt en wilt ge ervoor op de vlucht slaan. Daarentegen zult gij een sterke neiging gewaarworden naar het troebele rode licht dat vanuit het rijk van de hongergeesten afkomstig is.

Wees echter niet bevreesd voor het heerlijke, fel lichtende, doorzichtige, stralende rode licht. Wanneer gij het erkent als de Wijsheid en gij laat uw geest vertoeven in de toestand van verzaken, dan zult ge onafscheidelijk erin overgaan en het boeddhaschap verwezenlijken.

Wanneer gij het niet erkent, denk dan ‘Het zijn de genadestralen van de Verhevene Amitabha. Tot hem zal ik mijn toevlucht nemen.’ Vertrouw in eensgerichtheid van gemoed op hem, roep hem aan. Dat is de haak van de genadestralen van de Verhevene Amitabha. Vertrouw deemoedig op hem. Vlucht niet. En zelfs wanneer gij vlucht, dan nog zal zijn licht u onafscheidelijk volgen. Vrees het niet!

Laat u zeker niet verlokken door het troebele rode licht dat uit het rijk van de hongergeesten komt. Dat is immers de lichtbaan getrokken door uw sterke gehechtheden [aan samsara], die opgekomen is om u op te vangen. Wanneer gij u eraan vastklampt, dan vervalt gij in het rijk van die ellendige wezens, om er de smartelijke ellende van onophoudelijke honger en dorst te ondergaan. Daar zult ge geen kans krijgen om naar bevrijding te streven. Dat troebele rode licht is een kloof die u aftrekt van het pad der verlossing. Hecht er niet aan, geef uw neigingen op. Wees niet zwak. Vertrouw op het fel lichtende rode licht. Zet al uw vertrouwen op de Verhevene vader-moeder Amitabha. Reciteer als volgt:

Moge ik, zwervend in samsara,
welke ook de macht van de gehechtheden is,
op het stralende lichtpad van de Wijsheid
eleid worden door de Verhevene Amitabha.
Moge de goddelijke moeder Zij-met-de-witte-teugel [mijn] bescherming zijn,
zodat ik veilig gevoerd word doorheen de verschrikkelijke hinderlaag van het Bardo
en verplaatst word naar de toestand van het Volkomen Boeddhaschap.

Als gij zó reciteert in deemoed en ernst, dan zult gij treden in het gemoed van de goddelijke vader-moeder, de Verhevene Amitabha, in de krans van het regenbooglicht intreden en het boeddhaschap in de sambhogakaya verwezenlijken, in het Westelijke Rijk dat ‘Wereld van Zaligheid’ heet.”


[87] chikhai-bardo

[88] tchönyid-bardo, waarin goden en geesten verschijnen.

[89] sidpa-bardo

[90] De Boeddha, de Leer en de Gemeenschap.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com


          home