Tannishō - Het Betreuren van Afwijkingen

(toegeschreven aan Yuien-Bō - ?-1290?)

Dat de “Gemakkelijke Weg” aanleiding kan geven tot verkeerde interpretaties en verdraaiingen, zelfs tot flagrante anti-boeddhistische houdingen, bleek reeds ten tijde van Shinrans leven. Het is na Shinrans dood (1262) dat Yuien-bo, een van Shinrans discipelen en vermoedelijk auteur van dit werk, besluit deze misvattingen recht te zetten.
Om te beginnen (hoofdstuk 1 t/m 10) zet hij de doctrine uiteen aan de hand van de onderrichtingen die hij kreeg van Shinran, elk hoofdstuk eindigend met “Aldus sprak hij” of “Dat waren zijn woorden”.
Hoofdstuk 11 t/m 18 is gewijd aan de meest voorkomende afwijkingen, intellectuele vervormingen of ethische misconcepties (waaronder regelrecht antinomianisme).
Dit werk, dat hoofdzakelijk in het Japans geschreven is (behalve een kleine inleiding in het Chinees) kent beduidend meer succes dan Shinrans hoofdwerk Kyogyoshinsho. Reden hiervoor is waarschijnlijk de taal (= volkstaal) en de grotere toegankelijkheid ervan. Bewijs van dit succes is o.a. de vertaling ervan naar heel wat Europese talen, waaronder sinds 1989 ook het Nederlands (vertaling Shitoku A. Peel, De Simpele Weg, Antwerpen).

III

“Zelfs de goede mens verwezenlijkt de geboorte, hoezeer dan ook de slechte.”

Dat is zo, en toch hebben de mensen de gewoonte onder elkaar te zeggen: “Zelfs de slechte mens komt tot geboorte, hoezeer dan ook de goede.” Zo een uitspraak lijkt op het eerste gezicht beter gefundeerd, maar is toch in tegenspraak met de inhoud van de Ander-Kracht van de voortijdelijke Gelofte. Wat is de reden daarvan?

De mens die het goede doet uit eigen kracht is niet afgestemd op Amida’s Voortijdelijke Gelofte, want hem ontbreekt de ingesteldheid die zich onvoorwaardelijk overgeeft aan de Ander-Kracht.

Nochtans, wanneer iemand zijn hart afkeert van de eigen kracht en zichzelf geheel toevertrouwt aan de Ander-Kracht, dan wordt hij zeker geboren in het Ware Land van Vervulling.

Wij zijn zo verblind door onze passies, dat er voor ons geen bevrijding mogelijk is uit die onafgebroken ketting van geboorte-en-dood, welke praktijk we ook zouden beoefenen. Dat is volkomen hopeloos!

De Gelofte van Amida heeft op de eerste plaats tot doel dat ook een slecht mens boeddha kan worden. Daardoor komt het dat een slecht mens, wanneer hij zich toevertrouwt aan de Ander-Kracht, precies de ware bron van geboorte in zich draagt.

Zo heeft hij [d.i. Shinran] gesproken.

VIII.

De nembutsu is, voor diegene die hem reciteert, niet-praktijk en niet-goed.

Hij wordt ‘niet-praktijk’ genoemd omdat hij niet gezegd wordt vanuit enige berekening. Hij wordt ‘niet-goed’ genoemd omdat hij niet een goede daad is die verricht werd tot eigen voordeel.

Vermits hij totaal Ander-Kracht is en vrij van zelf-kracht, is hij niet-praktijk en niet-goed.

Dat waren zijn woorden.

IX.

Eens stelde ik aan de meester de vraag; “Hoewel ik de nembutsu reciteer, springt en danst mijn hart niet van vreugde. Bovendien denk ik er helemaal niet aan zo vlug mogelijk naar het Reine Land te gaan. Waarom toch is dat zo?”

En de meester antwoordde: “Ook ik, Shinran, heb me vaak die vraag gesteld. En nu komt diezelfde bedenking ook bij jou op, Yuien-bō. Ik heb daar diep en aandachtig over nagedacht. Als het zo is dat ik me niet verheug over iets, waarover ik beslist zeer blij zou moeten zijn en zelfs in de lucht springen en dansen over de aarde, dan besef ik eens te meer dat mijn geboorte in het Reine Land reeds vooraf moet verwezenlijkt zijn. Wat ons hart belet te jubelen van vreugde en te dansen van blijdschap, wat de mens belet werkelijk verheugd te zijn, dat is zijn verdwazing door blinde driften.

De Boeddha wist dat alles; daarom heeft hij gesproken over “het dwaze wezen vol blinde driften”: dat is het wezen dat moet bevrijd worden. Daarom juist is er die Gelofte vol mededogen, de Gelofte van de Ander-Kracht. Wanneer we beseffen dat deze uitsluitend voor ons eigen heil bestaat, dan weten we ook dat ons vertrouwen verantwoord is.

Overigens, enerzijds denken we er niet aan vlug naar het Reine Land te gaan, maar anderzijds, bij het minste ongemak, worden we wanhopig en denken we dat we gaan sterven. Is ook dat geen gevolg van onze verblinding?

Het is moeilijk dit oude huis van lijden te verlaten. Wij hebben er rondgedoold van de ene geboorte tot de andere, vanuit ver verleden tijden tot op de dag van vandaag. We voelen niet meer het verlangen naar het Land van Vrede waarin we zullen geboren worden. Zo verblindend en overweldigend is ons begeren.

Het mededogen van Amida richt zich bijzonder tot hen die geen zweem van verlangen koesteren om snel naar het Reine Land te gaan. Wanneer ik daarover nadacht, leek de Gelofte van Groot Mededogen meer dan ooit betrouwbaar en ik ben ervan overtuigd dat mijn Geboorte gevestigd is.

En indien er iemand is die wél danst van vreugde en verlangen om naar het Reine Land te gaan, dan zou die zichzelf toch de vraag moeten stellen of ook hij niet door een of andere begeerte verblind is?

Dat waren zijn woorden.

XIII.

(…)

In die dagen was er iemand die totaal verkeerde inzichten hieromtrent had. Hij was overtuigd dat de essentie van de Gelofte hierin bestond dat ieder wezen dat het kwade gedaan heeft, verlost wordt. Daaruit besloot hij dat men opzettelijk het kwade dient te doen, aangezien slechte daden aanleiding geven tot geboorte.

De geruchten over deze misvatting bereikten ook Shinran. Om een einde te stellen aan de verspreiding van zo een verkeerd inzicht, schreef hij daarover in een brief: “Ge neemt toch geen vergif alleen maar omdat er een tegengif bestaat!”

Daarmee bedoelde hij natuurlijk evenmin dat slechte daden de verwezenlijking van de Geboorte kunnen verhinderen! Hoe zouden wij ooit kunnen bevrijd worden uit de keten van geboorte-en-dood, als wij alleen door het naleven van voorschriften en het eerbiedigen van regels tot het vertrouwen in de Voortijdelijke Gelofte zouden kunnen komen?

Dat heeft hij gezegd.

Wij zijn maar domme wezens, en wanneer wij de leer van de Gelofte leren kennen, komen wij toch in de verleiding overmoedig te worden. Maar we moeten beseffen dat we niet in staat zijn slechte daden te volbrengen in dit bestaan wanneer die niet karmisch gefundeerd zijn.

Ook zegde hij nog: “Diegenen die zich in de wereld handhaven door in zeeën en rivieren netten te werpen en te vissen, of lieden die hun kost verdienen met in moerassen en bergen op wild te jagen en gevogelte te vangen, of mensen die handel drijven of velden en paddies bebouwen, ze zijn allen in hetzelfde geval.” Zelfs dat heeft hij gezegd.

“Als de karmische drijfkracht er ons toe aanzet, zijn we in staat om het even wat te doen.” Dat heeft de Shonin verklaard; maar niettemin ziet men tegenwoordig een aantal lieden die zich aanstellen als “aspiranten naar het toekomstige Boeddhaschap”, en die zich gedragen alsof enkel de deugdzamen de nembutsu zouden mogen zeggen. Ook zijn er die bij de dōjō’s berichten uithangen waarin gemeld wordt dat mensen die dit of dat gedaan hebben de dōjō niet mogen betreden.

Zijn dat dan geen lieden die enkel de uiterlijke tekenen van wijsheid, goedheid en ijver vertonen, terwijl ze in hun hart slechts schijnheiligheid koesteren? Zelfs het kwaad dat men opzettelijk verricht terwijl men rekent op de Gelofte, is enkel mogelijk door de karmische drijfkracht uit het verleden. Daarom moet men zijn goede zowel als zijn slechte daden beschouwen als karmische gegevens, en zich totaal overleveren aan de Gelofte: dan pas is men in overeenstemming met de Ander-Kracht.

In Yuishinshō[93] leest men het volgende: “Hebt gij dan misschien enige kennis van de reikwijdte van Amida’s kracht, dat ge meent dat de Boeddha u moeilijk zou kunnen redden enkel omdat gij een wezen van karmisch kwaad zijt?”

Ondanks het feit dat wij in ons hart berekeningen maken aangaande de Gelofte, toch wordt ook shinjin, het vertrouwen in de Ander-Kracht in ons gelegd. Indien men zich uitsluitend overlevert aan de Gelofte en men zou er ook in slagen zijn karmisch kwaad en blinde passies af te breken, wat zou het dan prachtig zijn als men zich ook nog zou kunnen bevrijden van de berekeningen die men maakt aangaande de Gelofte!

Maar wanneer men zich ontdeed van zijn passies, dan zou men terstond een Boeddha worden, en voor de Boeddha heeft de Gelofte toch geen enkele zin meer! Diegenen die anderen waarschuwen tegen het speculeren op de Gelofte, maar ondertussen zelf begeerten en fouten blijken te bezitten, maken ook zij geen berekeningen aangaande de Gelofte?

Waar zit hem dan uiteindelijk nog het kwaad: in het rekenen op de Gelofte, of in het niet-rekenen erop? Zou dit eigenlijk geen teken van onrijp denken zijn?


[93] “Hoofdzaken over Enkel-Vertrouwen,” essay door Seikaku (1166-1235), waarop Shinran in 1250 een commentaar schreef (Yuishinshō-mon’i).

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com


          home