Conclusie

Ons overzicht van de boeddhistische literatuur was weliswaar verre van volledig. Volledigheid was onze bedoeling niet. Trouwens: volledigheid zou onmogelijk geweest zijn. Het volume van wat men ‘boeddhistische literatuur’, d.i. sutra’s en sastra’s noemt, is gewoonweg onvoorstelbaar. Het is niet haalbaar in één gans mensenleven het geheel van de Pāli ‘canon’ plus de Mahayana- en Vajrayana schriftuurverzamelingen in het Sanskriet, het Chinees, het Tibetaans, het Japans gelezen te krijgen. Wat dan om er een panoramisch beeld van op te hangen?

Buiten deze onvermijdelijke onvolledigheid (met de daaraan verbonden subjectieve keuze…), is voorzeker ook het risico van zogenaamde tegenstrijdigheden opgevallen. Nemen we enkele voorbeelden:

-   In de Eerste Prediking (p. 13) verkondigt Boeddha Gautama de Vier Edele Waarheden… wier bestaan in het Hart-sutra (p. 58) gewoonweg ontkend wordt.
-   In de Avatamsaka-cyclus (p. 69) en in de Reine-Landteksten (p. 76) worden de Boeddha’s en de Boeddhalanden verheerlijkt, maar elders (p. 107-108) is dat allemaal slechts “drie pond vlas”.

Echter: wie wat vertrouwd is met de modaliteiten van het boeddhistische denken, weet dat dergelijke contradictorische uitspraken

1)  slechts periferisch of zelfs schijnbaar zijn; de geschriften zijn immers ‘geschikte middelen’ die, binnen een bepaalde configuratie, pragmatisch en doeltreffend willen zijn – ook al zijn ze ‘voorlopig’;
2) zeker in de Mahayana-teksten verwijzen naar de epistemologische problematiek van noch… noch…, de vierde propositie van het ‘Logische Tetralemma’, propositie waarmee onze westerse benadering het zo moeilijk heeft.

Duidelijk blijkt hieruit dan ook dat de opbouw en de intentie van de boeddhistische literatuur geenszins aanspraak kan en wil maken op een onbetwistbare autoriteit als gevolg van een ‘openbaring’. Het Boeddhisme is alles behalve een revelatiegodsdienst. In deze zin is de Leer van de Boeddha beslist geen “Godsdienst van het Boek”, maar wél een spiritualiteit die, binnen bepaalde criteria (nl. lijden - veranderlijkheid -niet-zelfheid - nirvana), haar neerslag vindt in ‘boeken’.

Elke stroming binnen deze spiritualiteit heeft via historische of geografische situaties en/of via culturele eigenheden, haar eigen karaktertrekken en connotaties verworven. Ze zal dan ook in het bestaande aanbod van schrifturen haar eigen keuze doen – of desnoods dit aanbod verruimen met eigen creaties of interpretaties die door een meestal stilzwijgende consensus dan in de ‘canon’ kunnen opgenomen worden. Deze evolutie is echter een natuurlijk proces en geen autoritaire beslissing van enige wereldlijke of geestelijke overheid.

Daarom stelt zich in de boeddhistische literatuur niet het lastige probleem van historiciteit zoals dat zich sedert eeuwen gesteld heeft en zich nog steeds stelt in de joods-christelijke schriftuur.

Zo goed als alle sutra’s worden in de mond van Boeddha Gautama gelegd. Maar het is overduidelijk dat Gautama niet al deze sutra’s kan uitgesproken hebben. De bevindingen van zowel de literaire kritiek als de tekstkritiek wijzen op een eeuwendurende evolutie van inhoudelijke gelaagdheden in elk van de betrokken ‘canons’. Na een eerste tijd van blijkbaar mondelinge overdracht, kan men vanaf de 3de eeuw voor onze tijdrekening tekenen van schriftelijk optekenen vermoeden[94]. Bestaande teksten werden bovendien voortdurend aangevuld, bijgewerkt, vertaald, samengevat, zonder dat dit aanleiding gegeven blijkt te hebben tot systematische of principiële afwijzingen.

Men beschouwde elke tekst die binnen de boeddhistische criteria bleef niet zozeer als fysisch door de Boeddha ‘gesproken’, maar wel als resulterend uit een meditatief contact met de Dharma, zodat hij toch door de Boeddha als geïnspireerd kon ervaren worden. De formulering “Aldus heb ik gehoord” kan immers zowel een authentisering als een signaal van omzichtigheid inhouden.

Het probleem van een teksthistoriciteit, in casu een goddelijke openbaring, is bijgevolg irrelevant. Daarbij komt dat in de praktijk bepaalde sastra’s pregnanter aangevoeld werden dan de sutra’s waarop ze gebaseerd waren: bijvoorbeeld Nagarjuna (ten opzichte van de Prajñaparamita-cyclus) of Shinran Shonin (ten opzichte van het grote Reine-Land-sutra). Enigszins anders is het gesteld met de Tibetaans-boeddhistische literatuur, waar de sastra’s voor een meer algemeen gebruik worden bestemd, terwijl de sutra’s – en zeker de tantra’s – voorbehouden blijven aan hogere inwijdingen.

Om al deze redenen kan men stellen dat wat men de “Boeddhistische Canon” noemt[95] in feite een open complex van schrifturen is. Dergelijke opvatting ligt dicht bij de taoïstische instelling tegenover teksten, maar ligt aan de antipode van de joods-christelijke – en zeker van de islamitische revelaties, die Gods woord stricto sensu willen weergeven en bijgevolg als goddelijk onveranderlijk en dogmatisch onfeilbaar willen beschouwd worden.

De Leer van de Boeddha is een spiritualiteit die open, dit is beschikbaar staat voor de 84 000 mensenkarakters eigen aan de Indische psychologie. Elkeen kan hierin, in functie van zijn aanleg (karma?) en zijn interesse (citta?), de hem meest passende weg vinden.

Eindbedoeling van het Boeddhisme is immers alle wezens tot het uiteindelijke geluk van de Verlichting te brengen: Sabbe sattā bhavantu sukhitattā!

Moge dit voor elkeen zo zijn.

Namu Amida Butsu



[94] De oudste vermelding van het systematisch optekenen vinden we in Sri Lanka, door koning Vattagamani, in het jaar -80. Maar vermoedelijk bestonden er reeds ten tijde van koning Ashoka tekstverzamelingen.

[95] Erger nog wordt het als men spreekt van een "Boeddhistische Bijbel"…

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com
          home