Appendix 2 - (Beperkt) Glossarium

anattā
‘Niet-zelf’. Een van de basisbegrippen die geheel het boeddhisme domineren en waardoor het zich onderscheidt van de meeste andere religies. Het standpunt van ‘non-ego’, ‘ik-loosheid’, ‘niet-ziel’ kan bijgevolg gelden als criterium voor het boeddhisme en moet dan ook op elk stadium van de leer als visie op het bestaan én als heilsweg terug te vinden zijn. Het leerpunt van anattā heeft in het Mahayana-boeddhisme zijn amplificatie gevonden in sunyatā (zie aldaar), de ‘leegheid’, d.i. de afwezigheid van elk blijvend kenmerk (dharma, zie aldaar sub 2°).

bardo
(Hoofdzakelijk in Tibetaans boeddhisme) Sanskriet antarābhava, ‘tussen bestaan, tussenruimte’; de bestaansvorm tussen het moment van de dood en dat van een nieuwe geboorte, een periode van 49 dagen. Niet alle boeddhistische scholen aanvaarden dit als doctrinepunt. Men leze over een psychologische benadering van bardo de inleiding die C. G. Jung schreef voor de Duitse vertaling van Bardo Thödol, het Boek van de Tussenruimte beter bekend als Tibetaans Dodenboek.

bodhisattva
Wezen ter Verlichting. De term heeft diverse toepassingsgebieden.

(1) Manifestatie of objectivering of projectie van het ideaal van Wijsheid/Mededogen als basiseigenschap van het boeddhaschap. Dit zijn de zg. Grote Bodhisattva’s, die in devotie en iconografie een grote rol vervullen in Mahayana en Tantrayana.
(2) De historische wezens die door hun kennis of hun inzet voor de medewezens bijgedragen hebben tot verkondiging of beleving van de Leer; b.v. Nagarjuna Bodhisattva.
(3) volgens bepaalde denkstromingen, zijn alle wezens geroepen ‘ter Verlichting’ en dus bodhisattva’s.

dharma
Een van de moeilijkst te vertalen termen. Dharma is een woord met velerlei betekenissen en connotaties binnen het boeddhisme:

(1) kosmologisch: principe, wetmatigheid;
(2) epistemologisch: ervaringselement, eigenschap, kenmerk van kenbaarheid;
(3) soteriologisch: de heilsleer, in het bijzonder de Leer van de Boeddha (in dit geval wordt het woord meestal met een hoofdletter geschreven: de Dharma.

De hindoeïstische betekenis ‘plicht’ komt nauwelijks in boeddhistische teksten voor.

mahāmudrā
‘Het Grote Symbool’. Is in het Tantrische boeddhisme de praktische lering van sūnyatā, waarbij het niet-bestaan van alle wezens benadrukt wordt. De centrale leer van mahamudra bestaat uit twee aspecten: het ontspannen van de geest en de inspanningsloosheid, d.i. spontaneïteit, natuurlijkheid. De eerste bedoeling van mahamudra is bijgevolg de yogi te leren zijn gemoed te ontspannen en de natuurlijke weg naar de Verlichting te volgen. Paradoxaal, net zoals overigens in het Reine-Landboeddhisme, is dergelijke inspanningsloosheid moeilijk te verwezenlijken: de “gemakkelijke weg” is immers de moeilijkste. Daarom hoort mahamudra thuis in de latere stadia van de heilsweg. In deze zin vertoont de ‘Tibetaanse’ mahamudra heel wat analogieën met de Chinese Ch’an en de Japanse Jōdo-Shinshū.

pāramitā
Letterlijk ‘dat wat geenzijds [gegaan] is’, de ‘volkomenheid’, dat ‘wat overtreft’. De vertaling ‘transcendent(aal)’ die men vaak aantreft, kan misleidend zijn. Meestal worden zes ‘volkomenheden’ vermeld: dāna vrijgevigheid, sīla morele discipline, ksānti geduld, vīrya energie, dhyāna meditatie, en prajñā wijsheid. Toch komen ook lijsten en vermeldingen voor met een ander aantal of met andere ‘volkomenheden’.

pratitya samutpāda
Pali: paticca samuppāda.
‘Het oprijzen in onderlinge afhankelijkheid’, de oorzakelijkheidketen waarmee het boeddhisme aantoont hoe de lijdensexistentie zijn oorsprong heeft, via begeerte en gehechtheid, in avidyā, de ‘mis-wetendheid’(meestal vertaald als ‘onwetendheid’), nl. die fundamentele denkfout dat er een permanent ‘ātman’, ‘zelf’, ‘ego’ zou zijn. Door sommige auteurs wordt pratitya samutpada gezien als de essentie van de volkomenheid van wijsheid, d.i. de Verlichting. Voor meer details, zie o.a. Syllabus Boeddhisme I (FVG), p.30-38.

sukhāvatī
‘Vreugdeverblijf’. De Boeddhawereld waarvan Amitābha/Amitāyus (Boeddha van het Onmeetbare Licht en Leven) de centrale figuur is. Traditioneel is dit Boeddhaland de meest heilzame toestand, van waaruit de Verlichting door iedereen kan verwezenlijkt worden. Wie bijgevolg dankzij Mededogen/Wijsheid van het Oneindige Boeddhaschap in dit “Reine Land” (Chinees Ching-t’u, Japans Jōdo) geboren wordt, verwezenlijkt onherroepelijk en zonder terugvallen nirvana. In tegenstelling tot deze opvatting, stelt Shinran, zich baserend o.a. op uitspraken van Nagarjuna en T’anluan (476-542), dat Sukhavati in feite niets anders is dan nirvana zelf,- en dat het nirvana geen statische toestand is, maar transpersoonlijke participatie in de dynamiek van de Ander-Kracht (Japans tariki), d.i. de heilswerkzaamheid van Boeddha’s Wijsheid/Mededogen. Voor meer details, zie o.a. Sh. A. Peel, Het Reine-Landboeddhisme, 1989.

sūnyatā
‘Leegheid’. Beslist niet te verwarren met het ‘niets’! Zie onder anattā. Die leegheid is in de eerste plaats de afwezigheid van om het even welk permanent kenmerk. De dharma’s zijn ‘leeg’, d.i. ze hebben geen eigen ‘zijn’, maar ‘bestaan’ enkel ten opzichte van andere dharma’s. Deze ‘leegheid’ is datgene wat alle wezens én het boeddhaschap gemeen hebben en ze ultiemelijk verbindt tot een één-heid.

Sūnyatā is zodoende geworden tot ‘uitwisselbaarheid’, ‘beschikbaarheid’ en zelfs - zeker in het latere Mahayana - tot synoniem voor ‘totaliteit, ‘wijsheid’, ‘verlichting’.

trikaya
‘Drie Lichamen’. De drie aspecten of ‘belichamingen’ waaronder het begrip ‘boeddhaschap’ kan benaderd worden:

nirmānakāya: het historische aspect, b.v. de historische boeddha Gautama, verkondiger van de Dharma;
sambhogakāya: het spirituele aspect, projectie en voorstelling van de Dharma, b.v. de niet-historische, d.i. ‘meditatieve’ boeddha’s en bodhisattva’s;
dharmakāya: het absolute aspect, de Verlichting, de vervulling van de Dharma, een cirkel zonder omtrek die overal zijn middelpunt heeft, zonder begin of einde, vorm- en kleurloos, onvoorstelbaar, ondenkbaar, onverwoordbaar.

Tekstboek boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2010

info-at-jikoji.com

          home