De Bodhisattva-Geest In De Wereld Van Vandaag

Friedrich Fenzl

Sedert meer dan 15 jaar is Fr. FENZL werkzaam als secretarie van de Duits-Oostenrijkse tak van de Europese Jōdo-Shinshū-Gemeenschappen. Van 1968 tot 1970 studeerde hij Shin en algemeen Boeddhisme, evenals geschiedenis van het Japanse Boeddhisme aan de Ryokoku-Universiteit te Kyōtō. In 1977 richtte hij in zijn verblijfplaats Salzburg een Buddhistische Gemeinschaft op. Fenzl steekt tegenover de meeste Boeddhistisch geïnteresseerde Europeanen af door zijn sterk sociaal-ethische gerichtheid. Ook voor hem is de Leer van de Boeddha niet zo maar een filosofisch-analytisch systeem, maar in eerste plaats een beleving van de dagelijksheid in het Oneindige Licht van Amida, dat niet enkel straalt voor lezers (en schrijvers...) van boeken over Boeddhisme, maar in de eerste plaats voor de minderbedeelden, op welk niveau ook men deze ontmoet.

De volgende tekst is die van een prediking, in 1976 uitgesproken te Scheibbs (Oostenrijk) op het Eerste Boeddhistische Jeugdkamp.

Enkele weken terug, deed zich in mijn woonplaats Salzburg een feit voor dat zo ongewoon scheen dat verschillende kranten het zelfs de moeite waard vonden het in hun kolommen te vermelden. Een 13-jarige jongen die ‘s avonds langs de rivier Salzach fietste, kwam door een onvoorziene hindernis te vallen en stortte samen met zijn fiets van de glooiing tot in het stromende water van de bergrivier. Daar bleef hij vol bloed en half overspoeld bewusteloos naast zijn fiets liggen. Na enige tijd kwam hij weer bij en begon om hulp te roepen. Toen gebeurde het ongelooflijke: niet één van de talrijke wandelaars, die na de hitte van de dag bij de Salzach kwamen profiteren van de koelte, bekommerde zich om de noodkreten van de arme jongen. Niemand stak een hand uit, niemand ging een dokter roepen: men wandelde rustig verder in de hoop dat er wel iemand anders zou zijn om hulp te bieden. Uiteindelijk kon de jongen met de laatste kracht van de wanhoop zich naar huis slepen. Vandaaruit werd hij naar een ziekenhuis overgebracht.

Waarom begin ik mijn overwegingen van vandaag met deze kleine, onaanzienlijke gebeurtenis? Dat is vanuit de vaststelling dat dit Salzburgs “fait-divers” geenszins a-typisch is. Het weerspiegelt veeleer een opvatting van deze tijd, een geestesinstelling die men zou kunnen betitelen als “niet-beschikbaar-zijn voor de naaste”. Mensen verkolen in brandende wagens naast de autostrade; hulpeloze oude vrouwen sterven god- en mensvergeten in hun mansardewoningen; vrouwen, meisjes worden overweldigd en verkracht, kinderen mishandeld, dieren nutteloos gekweld.

Mensen worden van al hun waardigheid als mens beroofd en om hun religieuze overtuiging of gewetensnood gevangen gezet. Maar ja! Al die dingen gaan ons niet aan; we zijn er niet aansprakelijk voor en hebben er dus niets mee te maken. Men voelt zich vrij van elke vorm van verantwoordelijkheid, van elke verplichting zich te engageren. Men schuift de verplichting hulp te bieden, bijstand te verlenen op officiële of semi-officiële instanties of instellingen. Ergens staat er toch iets voor: er is een politie, een Rode-Kruis, een Dierenbescherming, de UNO, een pensioenenstelsel… ergens toch zo’n anoniem apparaat dat met een zielloze precisie, eigen aan alle anonieme apparaten, elke last of bevoegdheid van ons dient over te nemen. Onze kommer: ons niet verbinden, geen last hebben, niet opvallen, eerbiedig op veilige afstand blijven van al wat onaangenaam is, - je weet wel, die dingen die je slechts erger, opwinding, tijdverlies, maar in geen geval voordeel of winst opleveren. Men voelt zich een welbeschermde burger in een maatschappij waarin solidariteit of deelneming in het lot van andere wezens steeds meer en meer tot een exotische woordenschat gaan behoren.

Maar zijn we dan werkelijk vrijgesteld van de minste vorm van verantwoordelijkheid voor het wel en wee van onze medemensen, van onze medewezens? Staan we niet in voor andermans leed? Is het niet vreemd, dat juist in deze tijd en in deze maatschappij waar iedereen de mond vol heeft van “sociaal” en “humaan”, elk gevoel voor sociale deelneming en menselijke gezindheid steeds zeldzamer wordt ten voordele van een kras egoïsme dat tewerk gaat volgens de lijfspreuk: “Ik alleen ben het middelpunt van het heelal”.

De Mahāyāna-leer gaat uit van het principe dat wij geen geïsoleerd stofdeeltje in het wereldal zijn. We hebben allen deel aan de universeIe, alles omvattende en alles doordringende Boeddhanatuur. Net zoals omgekeerd deze Boeddhanatuur in alles en in ieder aanwezig is - vanaf de geringste zandkorrel en de kleinste amoebe tot in de mens, die zichzelf toch zo graag als kroon van de schepping betitelt. Wij zijn allen delen van een groot, kosmisch geheel en daarom door een geweldig net van oneindig veel karmische betrekkingen met elkaar verbonden. Wij danken ons bestaan, ons welzijn, het verloop van onze dagen aan een oneindig aantal wezens, die elk op hun beurt ook aan ons, zij het voor een miniem deeltje hun bestaan te danken hebben. Wij zijn de ouders, broeders, zustors, kinderen van een oneindig aantal wezens die ook onze ouders, onze kinderen, onze broers en zusters zijn. Wij leven niet afgezonderd in een ledige ruimte, aan onszelf overgelaten en voor ons alleen. Wij zijn als het ware ingebed in een mateloze zee van zijnsvormen die wij ervaren als geluk of als leed. Deze oneindig diepe existentiële verwantschap laat oprecht medeleven en grote barmhartigheid in ons hart oprijzen, daar waar we met hun lijden geconfronteerd worden. Wij kunnen niet, als vanuit een veilige loggia van de wereldgeschiedenis, het leed van deze wereld bekijken zonder ons erbij betrokken te voelen en zonder in ons het verlangen te laten opkomen dit lijden te milderen.

Dank zij de Bodhisattva-natuur kunnen we deelnemen aan de redding van deze in leed en onwetendheid verstrikte wereld. De Bodhisattva, die uit mededogen in deze wereld van klesa’s teruggekeerd is, voorzien van alle deugden van medelijden en mededogen, om voor het heil van alle wezens te werken, is een symbool waarin ons leven-nu het veelvoudige licht van het grote Boeddhaleven waarneemt. De Bodhisattva is een symbool voor het feit dat men het schitterende licht van de Boeddha waarneemt in de voor onze ogen zichtbare vorm van mensen rondom ons. Soms ontdekt men dit Grote Licht bij de meest onaanzienlijke mensen.

Het is precies over zo’n onaanzienlijk, onopvallend mens, die in geen enkel boek over geschiedenis of religie vermeld wordt, en die toch de grote weg van het Bodhisattvabestaan gegaan is, dat ik nu iets wil vertellen. Hij leefde toen in het Verre Oosten de tweede wereldoorlog ten einde was. De eerste naoorlogse winter 1945/46 was ontzettend hard voor het diepbedroefde Japanse volk. De steden waren door luchtaanvallen of atoombommen vernield, de huizen verbrand, de mensen uitgehongerd, vol angst en vertwijfeling. De ouderen onder ons herinneren zich wel dergelijke pijnlijke toestanden, die ook een dertig jaar geleden, in Europa heersten. In die vreselijke dagen verzamelde een twintigjarige medische student van het Tokyo Medical College de vele verlaten en verwaarloosde oorlogswezen om zich heen, die zonder familie, zonder voedsel, zonder geld door de straten van de Japanse hoofdstad zwierven. Niemand, geen enkele overheidsdienst, geen enkele caritatieve instelling, zelfs geen tempelgemeenschap had Akira Noguchi, zo heette die jonge man, de opdracht gegeven zich te bekommeren om de armste en onschuldigste slachtoffers van de volkerenmoord. Hij handelde gewoon uit de spontaneïteit van zijn gemoed, uit medelijden met die hulpeloze kinderen en vanuit zijn diepboeddhistische overtuiging. Hij verzamelde “zijn” kinderen in een uitgebomd wezenhuis dat behoorde tot de Hongwanji-tempel te Asakusa. Hij zorgde voor voedsel en kleding, herstelde eigenhandig het dak, bedelde om brandstof. Toen een tyfusepidemie in de stad en ook in het wezenhuis uitbrak, verzorgde zij eigenhandig de kleine slachtoffertjes. Zelf heeft hij het gelukkige einde van zijn inspanningen niet meegemaakt. Nog geen dertig jaar oud stierf hij bij de verzorging van een door tyfus getroffen kind. Toen men zijn lijk vond, bezat hij slechts twee dingen: zijn stethoscoop en zijn juzu, een Boeddhistische rozenkrans.

Het Boeddhisme kent geen heiligverklaringen, maar het feit dat Japan (nadien…) Akira Noguchi als een moderne Bodhisattva is gaan beschouwen, is meer waard dat een formele canonisatie. Waarom heb ik jullie dit verhaal verteld? Omdat er allicht, ook in dit duister, verworden tijdperk, nog van die Akira Noguchi’s kunnen bestaan, niet alleen in Japan, maar ook in Europa, Amerika, India… mensen die als moderne Bodhisattva’s van onze eeuw de lichtstralen van de barmhartigheid van Amida-Buddha zijn, die zich in onze wereld van leed, vergankelijkheid en begeertes belichaamd en gemanifesteerd heeft tot heil en zegen van vele wezens.

Als we goed om ons heen kijken, als we onze zintuigen scherpen voor Boeddha’s Liefde en Mededogen voor ons in begoochelingen en onwetendheid verstrikte wezen, dan kan het best gebeuren dat ook wij op een mooie dag het licht van de Bodhisattva kunnen waarnemen in ons zo vaak als irreligieus afgeschilderde atoom- en rakettentijdperk.

NAMU AMIDA BUTSU

Ekō 2

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

 

          home