Nederigheid

Vaak hoort men zeggen dat het Theravāda-Boeddhisme de ethische benadering van Gautama’s Leer vertegenwoordigt, waarbij dan Zen de intellectuele “approach” zou zijn en het Tantrische Boeddhisme de magisch-rituele. We kunnen hier geen oordeel gaan vellen over de waarde van dergelijke uitspraken. Laten we ze als vuistregels beschouwen en de rudimentaire vereenvoudiging die ze inhouden voorlopig maar aanvaarden.

Met deze restrictie voor ogen, plus het klassieke “omnis comparatio claudicat”, zouden we op analoge manier kunnen zeggen dat het Shin-Boeddhisme een emotionele ja zelfs esthetische benadering tot het hard van de Boeddhistische heilsleer vormt.

Immers, de Shin-Boeddhist staat tegenover het Boeddhaschap (en al wat dit enkel vaag omschreven en in feite niet-omschrijfbaar begrip inhoudt) zowat als de echte kunstliefhebber tegenover een meesterwerk: open, ontvangend, opgaand.

Zo herinner ik me de tijdvergeten ogenblikken van innerlijke stilte tegenover Rembrandts “Jeremia treurend over de verwoesting van Jeruzalem”. Of bij die speciale Romaanse kapitelen in de Priorij van Serrabone, of bij het overweldigd ondergaan van Bachs Pinkstercantate.

Even stil in sublieme vreugde en perkloze dankbaarheid komt de Shin-Boeddhist te staan telkens hij Amida’s nembutsu gewaarwordt, waarbij hij niet meer kan uitmaken wie of wat het Namu-Amida-Butsu uitgesproken heeft, de Boeddha-zelf in een of andere verschijningsvorm die nog door het menselijke bewustzijn kan betekend worden, of de Boeddhist zo zelf-vergeten dat zijn woorden, de Naam, in alle wezens hun weerspiegeling en hun weerkaatsing vinden.

Zoals men nederig wordt tegenover een meesterwerk door menselijke hand gemaakt, - zou men dan niet nederig zijn tegenover dat alles overstelpende, zij het ook zo kortstondige ogenblik dat het universele theaterdoek even voor ons openschoof op het Heerlijkheidslichaam van de Leer?

Heel wat mensen willen of kunnen niet nederig zijn, knielen, het hoofd buigen. Ze willen zichzelf het middelpunt van elk bestaan, HUN bestaan voelen, ze willen “zichzelf zijn”, zichzelf affirmeren... Of kunnen eenvoudigweg niet tot een gevoel van nederigheid komen, uit bevreesdheid voor de spot van hun mede-karma-reizigers, - doordat hun opvoeding “er” niet mee klopt, - omdat ze in hun “eigen” ogen “zichzelf” toch maar belachelijk zouden vinden. Of gewoon omdat ze er het nut niet van inzien, omdat het niets “oplevert”.

Hoe groot is echter de afstand tussen Amida en onszelf! Tegenover de onmetelijkheid van het Licht (a-mita-ābhā = on-meten-licht) of de onmetelijkheid van het Leven (a-mita-āyus = on-meten-leven), tegenover het onvergelijkbare, het onuitdrukbare, onverwoordbare dat in ons dringt staan we klein, zo klein, ondanks onze drukdoenerij, onze gewichtigheid, onze “persoonlijkheid”.

Ekō 3

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home