Voor Doodgewone Mensen Zoals U Of Ik

De Leer van Gautama de Boeddha is gebaseerd op de drie bestaanskenmerken, die reeds in de Pali-kanon zeer duidelijk omschreven worden:

“alle bestaansstructuren zijn door lijden getekend,
alle bestaansstructuren zijn door vergankelijkheid getekend,
alle bestaansstructuren zijn zonder zelfheid.”

Zonder enig ophouden zijn alle wezens onderworpen aan de talrijke vormen van lijden: lichamelijke pijn, ongenoegen, verdriet, misnoegen, wrok, ontevredenheid, wanhoop, angst, frustraties. Begeren wat men niet bezit. Angst te verliezen wat men bezit.

Niet dat er in het menselijk bestaan geen momenten van vreugde zouden zijn: maar zelfs in de hoogste vreugdeogenblikken schuilt het besef dat het allemaal vergaat, dat het vreugdige beleven ons dra ontglipt, ja zelfs dat elk “aards geluk” betaald moet worden door leed zoals ook de volkswijsheid leert.

Want alle dingen zijn veranderlijk: dat is de grond van onze existentiële angst. Niets is blijvend. Alles vlucht voortdurend, alles is in oneindig rusteloze verandering, verwording, revolutie. In ons bestaan rukt de tijd, tot in zijn kleinste eenheden, alles weer uiteen.

Zelfs de eigenheid der dingen is een illusie. Geen ding is permanent zichzelf, op zichzelf, in zichzelf. Geen blijvend ego, leert het boeddhisme, geen eeuwige ziel. Zolang men de implicaties van deze anattā-leer weigert in te zien, blijft men vreemd tegenover het Boeddhisme en riskeert men van de gehele Leer zelfs geen helder begrip te vormen.

De dingen bestaan enkel in afhankelijkheid ten opzichte van de andere dingen. Men kan, zegt de Boeddha, van de dingen zelfs niet zeggen dat ze niet bestaan. Ze ontstaan uit, in functie van, in relatie tot, ten opzichte van. In het immense tijdruimtelijke schema van onze conceptuele kennis, zijn ze alle aan elkaar gebonden in een onbegrensbaar net van worden en ontworden.

Zo ontstaat het lijden dan uit onze ingeboren of verworven verlangens welke diep in de onwetendheid geworteld zijn. Deze onwetendheid is fundamenteel: het is geen gebrek aan geleerdheid of letteren, maar het zich niet kunnen realiseren hoe vluchtig en hoe ik-loos onze “persoonlijkheid” is. We wensen, verlangen en vrezen in functie van zo’n persoonlijkheid. En daardoor blijven onze verlangens onverzadigd en onvervuld. We reageren op deze ontgoocheling door een lijdenservaring, door frustraties, door angst.

Willen we dat lijden uit ons leven bannen, dan moeten we natuurlijk beginnen met de oorsprong van dit lijden uit te schakelen. Om daarin enige kans tot slagen te hebben, dienen we anders te gaan leven, niet zozeer zonder verlangens (dat is uitgesloten, asceten, kluizenaars en heiligen ten spijt), maar wèl zonder door onze verlangens in de diepte beroerd te worden.

Dat is natuurlijk gemakkelijker gezegd of neergeschreven dan in de volle praktijk van het dagelijkse leven verwezenlijkt. Al wat we nu zijn, is het resultaat van verlangens; onze individualisering bestaat enkel in de menigvuldige manifestatie van begeertes.

De permanentie ontglipt ons. En vermits we uiteindelijk slechts een bundeling van verlangens zijn, is het voor ons erg moeilijk ons uit de greep van die verlangens te bevrijden.

Voortdurend zijn we in verandering. Uit de ene daad spruit de andere voort; elke handeling wordt gevolgd door een andere. Al wat we doen, heeft ergens zijn neerslag, later, kort nadien, op langere of kortere termijn, in een andere levensvorm. Moet nogmaals en tot in den treure herhaald worden dat “karma” niet “noodlot” betekent, maar “daad”.

Helaas, vermits al onze handelingen gefundeerd zijn op verlangens goed of kwaad, is het voor ons zo goed als uitgesloten los te komen uit de fundamentele angstsituatie. Gewone mensen zoals U of ik en al die miljoenen, miljarden andere mensen hebben eigenlijk maar weinig kans zich los te worstelen uit deze wereld van lijden.

Shinran Shōnin zette dit heel scherp: “Op dit vlak van doodgewone mens, kunt gij geen Verlichting verwezenlijken.”

Blijft de mogelijkheid boven dit doodgewone-mensenniveau uit te stijgen. In de meeste Boeddhistische scholen wordt de volgeling aangespoord de moeilijke weg ter Verlichting te betreden, met de hoop op slagen: het nirvāna. Dit is het Edele Pad, het Pad der Wijzen. Daar heerst strenge discipline, daar worden vaak harde meditatieve en rituele praktijken toegepast.

In de biografieën van grote Zenmeesters lezen we hoe ze dertig, veertig jaar ruw kloosterleven doorworstelden eer ze de eerste glimp van satori ervoeren. De Zenmode en de overtalrijke boeken over Zen hebben niets aan dat naakte feit veranderd! Tibetaanse heiligen trokken (trekken!) zich levenslang terug in diepe grotten en ijsnissen hoog in het gebergte om in de pijnlijkste der afzonderingen het Heilige Pad te beleven. Hoe boeiend, hoe verrijkend is b.v. het levensavontuur van Milarepa!

Maar zolang wij gewoon gewone mensen zijn, met wèl de behoefte aan heiligheid, maar zonder de ware moed om aan al die heilspraktijken te beginnen en met voldoende oprechtheid tegenover onszelf om dat gebrek aan moed te bekennen - zolang blijven we “zitten” met dagelijkse verlangens, passies, lusten en lustjes. We worden almaardoor telkens en telkens weer gegrepen en gebeten door de vlammen van onze driften, net alsof heel die wereld waarin ons bestaan zich afspeelt één groot brandend huis zou zijn.

Hōnen Shōnin de stichter van de Jōdo-school en tevens patriarch van de Jodō-Shinshū, die ook de grote leraar van Shinran was, zegt het zeer duidelijk: “Ikzelf, ik ben maar een doodgewoon iemand boordevol passies en verlangens, en waarin de wortels van het heilzame maar dunnetjes, klein en schaars zijn. Ik heb goed spartelen en wringen doorheen de drie werelden, ik zou er niet in slagen uit dit brandend huis te geraken.”

De gewone mens heeft in al zijn doen en laten niet veel, zeggen we maar: geen hoop ooit los te komen uit de banden van angst, verbijstering, verdriet, wanhoop, lichamelijk en moreel leed. De menselijke natuur is te opgebouwd uit de vrucht van ijdele verlangens. De mens heeft geen eeuwige kern, geen ziel (in de metafysische zin des woords) die los kan komen, vermits gescheiden, uit dit “aardse” lijden. In zijn verscheurdheid, mist de mens in zich elke kracht de Verlichting te veroveren. In zijn illusoire “zelfheid” meent hij soms op eigen kracht tot het Boeddhaschap te geraken. Zijn enige kracht spruit voort uit zijn verlangens, het is de kracht van zijn verlangens, van zijn begoochelingen, van zijn ingesteld-zijn op onwetendheid.

Zullen we dan maar definitief pessimist worden?

De Boeddha loert ons dat de enige mogelijkheid tot geestelijke hergeboorte geboden wordt via het vervangen van boze, onheilzame daden door goede, heilzame daden.

Deze mogelijkheid kan slechts opengesteld worden wanneer in de motivering van onze daden de ik-verlangens vervangen worden door ik-loze liefde. Toch heeft de doodgewone mens in zich geen goedheidreserve die groot en bestendig genoeg is om te dienen als basis voor een geestelijke hergeboorte.

Deze crue vaststelling is een van de hoofdproblemen van het Boeddhisme in lering en in praktijk. Het is dan ook rondom dit probleem en de oplossing ervan dat het geheel van Shinrans onderricht gestructureerd is.

Ekō 3

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home