Exotisme

Het Boeddhisme ontstond in het oude India en kreeg bijgevolg een Indische culturele inslag. Eeuwen later kwam de Leer van de Boeddha naar China en kreeg er een Chinese culturele inslag bij. Dan, vanuit China trok het Boeddhisme naar Japan en… u raadt het al… Hetzelfde geldt trouwens voor het Boeddhisme in Tibet, in Sri Lanka, in Birma, Centraal-Azië, Indonesië.

Bij elke nieuwe uitplanting, ziet men hoe het Boeddhisme als structuur, als levenshouding niets laat vallen van het verworvene, niets van zijn essentie opgeeft, maar zich aanpast aan de nieuwe culturele bodem en zich verrijkt met de culturele verworvenheden die het er aantreft. Maar dergelijke aanpassing, gebeurt die zo maar op één-twee-drie?

Even dus de geschiedenis bekijken. Ofschoon reeds vermeld in de 1ste eeuw vóór de Christelijke jaartelling, wordt het Boeddhisme officieel in China geregistreerd in 65 na Chr. Onmiddellijk begint het intense vertaalwerk, dat rond 650 een hoogtepunt bereikt met Hiuan-tsang. Hoe intens deze inspanning wel was, ziet men aan het grote aantal versies. Van de Grote Reine-Land-sutra (Mahā-Sukhāvatīvyūha-Sutra), één van de hoofdteksten van de Jōdo-Shinshū, vermeldt men twaalf vertalingen opgemaakt tussen de Late Han-dynastie (2de eeuw n.Chr.) en de Sung-dynastie (10de e.)!

Als men nu nagaat wanneer een eigenlijk “Chinees” Boeddhisme ontstond, komt men tot volgende vaststellingen:

Fa-tsang (643—712) legt de grondslagen voor de T’ien-T’ai en de Avatamsaka—school;

Hui-neng (638—713) geeft aan de Meditatieschool de typisch Chinese Ch’an-vorm;

T’an—luan (476-713) verchineest de Zuiver-Land-tendens.

Men ziet dat in elk van die gevallen, men toch met een “groei” van vijf à zes eeuwen moet rekenen.

In Japan heeft zich hetzelfde voorgedaan: officieel deed het (Chinese) Boeddhisme er zijn intrede in 552, maar de ècht-Japanse scholen ontstaan alle gedurende het Kamakura-tijdperk: Hōnen (1133—1212) richt de Jōdo-shū op, Dōgen (1200—1253) de Sōtō-Zenshū, Nichiren is werkzaam in diezelfde l3de eeuw. In 1224 schrijft Shinran Shōnin de definitieve versie van zijn Kyō-Gyō-Shin-Shō. Ook hier dus stelt men vast dat er een zes eeuwen verliepen tussen de introductie en de ‘verjapanisering’.

Daarmee moet rekening gehouden worden als men wil spreken over een “Europees” Boeddhisme (over “neo-boeddhisme” spreken we liever niet; laten we die ongelukkige gevallen van syncretisme en hutsepotterij liever buiten beschouwing laten.)

Men moet eerst en vooral een onderscheid maken tussen een religieuze inhoud en de culturele feiten eromheen. Vaak worden, bewust of onbewust, deze twee begrippen door elkaar gehaspeld en wordt een historisch-geografisch facet verheven tot absolute religieuze […]

Als we dus tijd van wachten hebben, zal een “Europees” Boeddhisme groeien uit de diverse Boeddhistische groeperingen die zich sedert een 75 jaar ontwikkeld hebben in Amerika en in Europa. Maar zo’n Boeddhisme moet groeien - niet kunstmatig ineengeknutseld worden.

Tot dan blijven we liefst veilig binnen de omlijstingen die ons door de grote scholen uit Voor- en Achter-Indië, uit Tibet, China en Japan aangeboden worden. Daarin zit geen na-apen: een heilsleer is geen modeverschijnsel, is geen liedje, geen schilderij die per se “origineel” moet zijn!

Het hart van de lering is in het Boeddhisme eigenlijk keihard! Dit mag paradoxaal zijn: Boeddha’s Leer is rijk aan onderricht, aan emoties, aan doortintelingen, maar er zit geen gemakkelijke sentimentaliteit of miserabilisme in. De Boeddha verstrekt ons geen tranquillizer. Hij spreekt tot ons in de volheid van het leven, niet als versiering, als vrijetijdsbesteding, noch zelfs als vlucht van het leven weg.

Daardoor is alle hang naar exotisme zo uit den boze. Door het aanvaarden van sommige vormen en vormelijkheden eigen aan het Japanse Boeddhisme, erkent de Europese Shin-Gemeenschap het morele leiderschap van een eeuwenoude traditie, van een ervaring die wortelt in de “overbrenging” zoals die ons door patriarchen en leraars vanaf Boeddha Gautama verzekerd is geworden.

Daartegenover staat dat onze culturele erfenis Westers is en blijft. Onze communicatietaal is Engels, Duits, Frans, Nederlands… Laten we dus geen Japanners of Tibetanen of Hindoes nabootsen in hun eigen culturele sfeer: we zouden het toch maar heel slecht doen. Na-apen, tot daar toe, - maar dan nog slecht na-apen!

Ook in de Jōdo-Shinshū moeten we er dus op waken elk ongepast exotisme te weren. Het is de nadrukkelijke wens van de hoofdtempel dat devotionele of meditatieve teksten in de landstaal gesproken worden. Spleetogen hebben of met stokjes eten zou ons niet dichter bij de Boeddha brengen! Laten we het “Oosters” en de “exotica” zoveel mogelijk beperken tot wat de religieuze traditie en de goede smaak ons bijbrengen.

Maar, zal men zeggen, de sutra’s worden niet in de landstaal gezongen. Maar ook in Japan is dat niet het geval. Wél in het oude, rituele Klassiek-Chinees naar Japanse uitspraak (go-on). Van elk volgeling wordt verondersteld dat hij inderdaad wéét wat hij zegt of reciteert. Dit “in een vreemde taal houden” heeft een diepgaande psychologische betekenis, waartegen het nadeel van het “niet-verstaan” niet opweegt. Het schept een losmakende vervreemding tegenover de omgeving; het duidt erop dat we ons bevinden in een buiten-gewone communicatiewereld die afgescheiden is van de (geografische) ruimte en van de (historische) tijd. Het gebruik van een andere taal is natuurlijk niet eigen aan de Shinshū, (men vindt het terug bij zo goed als alle Boeddhistische scholen, maar ook bij de meeste andere religieuze uitingen: vandaar de grote menigte “rituele talen”: Latijn, Koptisch, Oud-Slavisch, Armeens, Sanskriet, Klassiek Arabisch, al die ‘priestertalen’ bij de meeste natuurvolkeren.

Dat we de drievoudige toevlucht meestal in het Pāli reciteren, wijst bovendien op de onderlinge band die alle Boeddhistische strekkingen aaneenklinkt.

Ook de nembutsu is boven alle talen geplaatst. Oorspronkelijk uit het Sanskriet afkomstig (namo Amitābhāya Buddhāya) werd dezelfde klankwaarde zonder verschuiving in de betekenis in het Chinees omgezet – Na-mo O-mi-t’o-Fo - waarvan de Japanners dan weer Namu Amida Butsu gemaakt hebben. Deze Japanse uitspraak is voor ons Westerlingen allicht de gemakkelijkste. Daarom heeft deze spreekwijze wel kans de 6 eeuwen die ons van het “Europese Boeddhisme” scheiden, te overleven…, zonder dat we aan exotisme doen!

Ekō 4

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home