Het Goede Doen... Maar Hoe?

Alle Boeddhistische scholen leren ons dat de Wet van het Ontstaan in Afhankelijkheid (pratītya-samutpāda), die vulgariter de Boeddhistische wet van oorzaak en gevolg genoemd wordt, werkzaam in zowel in de geestelijke als in de materiële wereld, zo men hiertussen een onderscheid wil maken. Reeds de beginverzen van het Dhammapadam laten hierover niet de minste twijfel bestaan:

“De bestaansfactoren hebben geest als hun voorloper,
hebben geest als hun hoogtepunt, zijn uit geest opgebouwd.
Zo iemand met verdorven geest spreekt of handelt,
dan volgt hem het leed
zoals het wiel de voet van het trekdier.

Zo iemand met heldere geest spreekt of handelt
dan volgt hem het heilzame
als een onafscheidelijke schaduw.”

Drukken we dit anders uit, dan bekomen we ongeveer: al wat we nù zijn, is het resultaat van hetgeen we gedacht hebben vroeger, of anders nog: wat we morgen zullen zijn, wordt het resultaat van hetgeen we nù denken.

Vermits dit verwantschap tussen “oorzaak” en “gevolg” bestaat, heeft het er de schijn van dat al wat ons te doen rest, niets anders is dan de wortel van het lijden uittrekken: de Verlichting wordt ons dan ten deel.

Boeddha’s Leer zegt duidelijk dat de oorzaak van ons lijden ligt in het egoïsme in de breedste zin van het woord, in de begeerte en in de zelf-bevestiging. Als we verlangen ons te bevrijden van het lijden en beginnen het goede te doen om die bevrijding te bekomen, dan zijn onze goede daden in werkelijkheid toch ook vormen van begeerte, zij het ook vormen van verlangens naar het goede. In dit gevel staan we vóór de situatie dat in plaats van een einde te stellen aan het lijden, wij niets anders doen dan het bereik van onze verlangens vergroten, - en die verlangens zijn de ware diepe oorzaak van ons lijden.

Hoe geraken we uit deze vicieuze cirkel?

Shinran Shōnin leert ons in dit verband dat goede, of beter gezegd heilzame daden noodzakelijk zijn; moesten dergelijke daden niet in het verleden gesteld zijn geworden, dan zou er ook geen ontwaken tot geloof mogelijk zijn. Shinrans onderricht op dit gebied is zeer belangrijk en subtiel.

Heilzame daden, zelfs wortelend in het verlangen naar verlichting, blijven een oorzaak van lijden. Maar daden die we stellen uit volle spontaneïteit, zonder bedoelingen, zonder berekening, als het ware onbewust, deze zijn niet in begeerte geworteld. Enkel het goede dat we zonder bedoeling, d.i. zonder verlangen doen, is echt heilzaam. Ze zijn immers grotendeels ik-loos, zelf-loos.

Het zijn deze van ik-heid ontdane handelingen die ons voeren tot een geestelijk niveau waarop we ons rekenschap kunnen geven van de ware oorzaak van onze verlichting. Onze goede daden moeten zuiver goedheid zijn. Ze moeten spontaan gesteld zijn geworden. We moeten dergelijke heilzame handelingen doen op een natuurlijke wijze, zonder enige bijgedachte van beloning.

Wanneer onze onbewuste handelingen, onze heilzame daden in het verleden hun gevolgen manifesteren, dan ontdekken we onszelf in de juiste toestand waarin de buiten ons werkzame heilskrachten een deel van onszelf worden; het is uitsluitend deze goedheid die ons in staat stelt die uitwendige kracht te ontvangen die oorzaak is van ons verwerkelijken van het Nirvāna.

Naar het Shin-Boeddhisme is de moraliteit (sila) niet de oorzaak van het bereiken van het nirvāna, maar een gunstige omstandigheid waardoor het mogelijk wordt zich open te stellen voor de Ander-Kracht. Wie het “gemoed ter overgave” shinjin verwezenlijkt voelt, kan gewoon niet meer anders dan moreel handelen uit spontaneïteit!

Ekō 4

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home