Nembutsu - Het Huiswaarts Keren - I

Kenryu T. Tsuji

Ik zal wel nooit mijn terugreis vergeten, enkele jaren terug, van Bangkok naar Tokyo. De reusachtige DC 8, boordevol, hoofdzakelijk met Japanse toeristen, streek langzaam neer bij het naderen van de Haneda luchthaven. Wij vlogen over de baai van Tokyo. Het was tegen zonsondergang; toen we dichter bij de eilanden kwamen, konden we duidelijk de dorpjes onderscheiden: in de huizen met hun blauwe daken waren de lichten al aangestoken.

En plots weerklonk in het vliegtuig het vertrouwde Japanse kinderlied “Yuyake Koyake”. Ik leunde achterover in mijn zetel, sloot de ogen en de woorden van dit lied, dat ik in mijn prille jeugd zo vaak gehoord had, kwamen terug opwellen in mij:

“Yujake koyake di hi ga kurete,
Yama no otera no kane ga naru.
Otete tsunaide mina kaero,
…”

“De avondzon kleurt vlammend rood de hele lucht,
van de berg komt de verre galm van een tempelklok.
Laten we de handen vouwen en samen alle naar huiskeren,
Volgen we de kraaien die naar hun takken terugvliegen.

Als iedereen weer thuis is
schittert aan de hemel een grote ronde maan.
Wanneer alle vogeltjes slapen en dromen
schittert de hemel vol gouden sterretjes.”

In alle talen roept het huis het beeld op van al wat goed, als wat warm is in het leven. En die warmte is niet enkel die van het knetterende vuur, maar vooral die van de liefde en het begrip van de leden van het gezin. Als je terugkomt van een geslaagd avontuur, is je gezin daar om in je vreugde te delen. Maar bij tegenslag, betekent je thuis nog heel wat meer. Als je met lome schreden terugkeert, vertoornd, gebelgd, verdrietig, hopeloos, vind je daar de zachte stemmen die je liefdevol begroeten en troosten.

Huis staat als symbool voor geestesrust. Niets is er vreemd: de kamers, het meubilair, de foto’s, de bomen, de bloemen, zelfs de oude barst in de muur, alles kent men. Je bent een deel van al die dingen, en die dingen zijn een deel van je.

De huiselijke haard is ook de plaats waar nieuwe krachten opgedaan worden om weer het hoofd te kunnen bieden aan de problemen van morgen. Hoe droef en verlaten is toch iemand die geen huis heeft.

Ik herinner me de laatste dagen van mijn vader op deze wereld. Juist vóór de deportatie had hij een huis gebouwd voor hem en voor mijn moeder. Hij was een buitengewoon timmerman en een zorg besteed aan het minste detail was opvallend. Hij had het beste hout gebruikt dat er te vinden was. Hij wist dat hij zich hier zou terugtrekken om er zijn laatste levensjaren door te brengen.

Maar met het uitbreken van de tweede wereldoorlog moest hij dit huis verlaten en werd hij duizend mijl daarvandaan gedeporteerd om te werken in een suikerbietenhoeve. Dààr ligt hij nu, ziek, met drie of vier anderen, opgesloten in een gammele hut, als een scheepsboeg boven de golven opstekend in een eindeloze oceaan.

Ikzelf was gedeporteerd geworden naar een kamp op vijfhonderd mijl daarvandaan, samen met de leden van mijn tempel. Toen ik vernam dat mijn vader ziek was, mocht ik hem gaan bezoeken. Hij lag te slapen in een piepkleine ruimte, dof verlicht door een petroleumlamp. Toen hij de ogen wijd opende, zei hij al snikkend: “Ik zou naar huis willen gaan”. Wat jammer, zijn wens kon niet meer in vervulling gaan, want kort daarop stierf hij.

Hoe normaal en natuurlijk is het toch dat het menselijk hart naar een thuis verlangt, een thuis met al wat dit begrip betekent. Door een diepe meditatie weten we dat ook wij verlangen naar een geestelijk tehuis. Ons gestild denken toont ons dat we - sedert wat ons miljoenen kalpa’s lijkt - in de wereld der illusies gezworven hebben. Iemand die niet tot deze ontdekking gekomen is, is allicht meer tevreden, want hij is nooit tegenover deze realiteit gesteld geworden. Maar ééns uit zijn illusiedroom ontwaakt, ééns doorgrond hoe al die aardse paradijzen - prestige, beroemdheid, geld, eer – slechts tijdelijke, relatieve waarden zijn, kan men echt niets anders meer dan zoeken naar een geestelijk thuis.

Dit ware huis, deze haven die voor eeuwig afschermt tegen de illusies van het leven, dat is Amida Buddha.

En zie: ons innerlijk onderzoek heeft ons bij de drempel van de Jodo-shinshu gevoerd.

In deze korte uiteenzetting wil ik enkele hoofdpunten van het Shin-Boeddhisme nader verklaren, onder andere de Boeddha Amida, de Nembutsu, mij-zelf, het Ontwaken tot Overgave en mijn zedelijk leven.

Op een keer was ik in gesprek met een groep leraars aan de Zondagschool en ik vroeg hun een tekening te maken van Boeddha Amida. Er was een onmiddellijke reactie, een gevoel van onbehagen. Enkelen zeiden meteen dat ze te slecht tekenden; anderen maakten een schets met opgeheven rechterhand en neergehouden linkerhand, maar klaagden dat het gezicht te moeilijk was. Opeens zei een jong onderwijzer: “Boeddha Amida kan niet afgebeeld worden!”

Ik stel nogmaals de vraag: “Kunt u een tekening maken van Boeddha Amida?”

Boeddha Amida is de Dharma, en de Dharma is de Waarheid van het Heelal.

Herinner u de woorden van de stervende Boeddha Shakyamuni, gericht tot zijn treurende discipels: “De Ware Boeddha is geen menselijk lichaam, het is de Verlichting. Een menselijk lichaam is gedoemd om te verdwijnen, maar de Wijsheid van de Verlichting zal altijd bestaan in de waarheid van de Dharma en in de beoefening van de Dharma. Wie enkel mijn lichaam ziet, ziet mij niet in waarheid. Enkel wie het onderricht aanvaardt, ziet mij in waarheid.”

Waarlijk, de Dharma, de Leer, dat is de Waarheid.

De Waarheid van de Vier Edele Waarheden is de Dharma. De Waarheid van het “niet-ik” is de Dharma. De Waarheid van de vergankelijkheid is de Dharma. De “vierentachtigduizend leerreden” van de Boeddha die wij als sutra’s kennen, zijn de Dharma.

In de “Drie Waardevol1e Schatten”, Japanse tegenhanger van de Drievoudige Toevlucht, komt de uitdrukking “kyozo ni irite” voor, die men als “overspoeld worden door de leer” zou kunnen vertalen, ofschoon de letterlijke vertaling wel is “intreden in de bewaring van de sutra’s”; maar de uitdrukking beduidt veel meer dan een fysisch binnengaan in een bibliotheek. De vrijere vertaling geeft een duidelijker beeld van de Overgave waarin men gedompeld wordt in de Waarheid, in de Dharma en ermee als het ware vereenzelvigd wordt.

Dat herinnert me een gezegde van Rennyo Shōnin. Op een keer vroeg hij zijn volgelingen hem een zift vol water te brengen. Dat is natuurlijk een onmogelijke opdracht, want zodra de zift uit het water gehaald wordt, stroomt al het water door de openingen weg. Daarop zei de Shōnin: “Om de zift met water te vullen, moet ge hem in het water gedompeld houden.”

Wanneer je realiseert dat de Dharma overal is, dan ben je in de Dharma gedompeld. Je be-grijpt de Dharma en je leeft dan ook in harmonie met de Dharma van de Vier Edele Waarheden. Als je je handen in gasshō samenlegt, dan druk je op een fysische wijze je innerlijk aanvaarden van de Dharma uit. In het nederige gasshō-gebaar ervaar je de overgang van het zuiver-filosofisch aanvaarden van de Dharma (het “geloof”) naar de religieuze beleving van de Boeddha Amida (de “overgave”).

De Dharma van de koele filosofische overwegingen en haarkloverijen is door je religieuze bewustzijn en met je persoonlijke kenmerken omgevormd in de Dharma die levend, warm, trillend, alwijs en almeedogend is. De Dharma is daarmee voor jou omgevormd tot de Boeddha Amida, de Boeddha van de Oneindige Wijsheid en van het Oneindig Mededogen.

Boeddha Amida heeft voor ons twee aspecten: immanent en transcendent. Immanent betekent werkzaam in het heelal. Zoals ik hiervoor reeds zei, is de Dharma de Wetmatigheid van het heelal. Wijlen professor Daien Fu zei: “ Leven, dat betekent dat ik de handeling te leven stel; denken, betekent dat ik een denkensdaad stel; handelen, betekent dat ik een handelingsdaad stel; daar is niet de minste twijfel aan. Maar de handelingen van te leven, te denken, te handelen geschieden in het Rijk van de Spontaneïteit (Thusness). Bijgevolg zijn die handelingen zelf een handeling van Spontaneïteit. Leven betekent dus ik ben levende daad; denken betekent ik ben een denkende daad; handelen betekent ik ben een handelende daad.”

Kortom: de Spontaneïteit is niets anders dan de Dharma die in mij en door mij werkzaam is.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is een lezing op 22.7.78 door K. T. Tsuji gehouden op de Pacific Seminar te Asilomar (California). Hij werd ons welwillend ter hand gesteld door Rev. Jodo A. Chevrier (Zwitserland) die wij hiervoor hartelijk onze dank betuigen.

Ekō 4
Nembutsu - Het Huiswaarts Keren

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home