Nehan-E

Dat betekent “Nirvāna-dag”, de dag waarop de Boeddhisten het intreden in het Volmaakte Nirvāna (parinirvāna) van Gautama Buddha gedenken.

Het Theravāda viert deze gebeurtenis samen met geboorte en Verlichting op de volle-maan-dag van april/mei. Het Japanse Boeddhisme echter gedenkt Boeddha’s parinirvāna, na invoering van de Gregoriaanse kalender op 15 februari.

Velen, die het Boeddhisme slechts oppervlakkig kennen, stellen zich het nirvāna, einddoel van de Leer, nog steeds voor als een soort verzinken in het niet. Ze steunen zich hierbij op de betekenis “uitdoving”.

Een eenvoudige blik in een Sanskriet woordenboek zou ze echter vlug doen inzien dat het niet zomaar “uitdoven” betekent, maar wel degelijk “het uitdoven van een vlam, het smoren van een vuur” en zelfs het “herstellen van een koorts”.

Door een gewilde poëtische verwarring, werd “das Nichts” in fumeuze milieus gesteld als synoniem, ja zelfs als vertaling van nirvāna. Trouwens, in sommige (niet-Boeddhistische!) sektes wordt aan dat woord erg vaak een nog fantasierijkere betekenis gegeven. Maar daarover willen we net nu zeker niet hebben, noch over de onmogelijkheid van een “Boeddhistisch Niets”.

De vlam die in het nirvāna uitdooft, is die van de menige wereldse illusies met heel hun nasleep van driften, verlangens en discriminaties. En geheel in dit verband van niet-discrimineren, moeten we ons het nirvāna niet voorstellen als DE tegenpool voor dit leven van geboorte-lijden-dood. De grote wijze Nāgārjuna heeft duidelijk gewezen op de substantiële identiteit van nirvāna en samsāra in zijn fundamentele uitspraak:

“Samsāra is niet te onderscheiden van nirvāna,
Nirvāna is niet te onderscheiden van samsāra.”

Dat wij, bij onze dagelijkse ervaringen, een onderscheid tussen beide maken, is slechts een gevolg van de twee-splitsing eigen aan ons denken. Wij kunnen geen “noord” denken zonder “zuid”, geen “goed” zonder “kwaad”, geen “object” zonder “subject”… en dus ook geen nirvāna zonder dat tegengestelde “samsāra”.

Totdat we, buiten ons verwoordende denken om, plots duidelijk en diep beseffen en “verwezenlijken” dat nirvāna en samsāra ècht één zijn zonder afscheiding, zonder discriminatie. En daarmee lossen ook meteen die andere tegenstellingen wijzelf/uiteindelijke werkelijkheid, kennen/gekende, Verlichter/Verlichte, als vanzelf op…

Teksten leren ons in de eerste plaats dat we dit nirvāna kunnen realiseren door het Edele Achtvoudige Pad in zijn integraliteit en gelijktijdigheid consequent te beleven en na te leven. Maar deze weg, de Weg der Wijzen (shōdō-mon) is niet gemakkelijk. Voor ons, gewone, zwakke, eindige mensen, is het Edele Pad beslist tè moeilijk voor ons dagelijkse leven. Slechts heel enkelen (en laten we ons maar liefst geen elitaire illusies of zinsbegoochelingen wijsmaken!) beschikken over voldoende eigen kracht om zich los te maken van de onwetendheid en van de talloze gehechtheden, om via het Edele Achtvoudige Pad in sensu stricto het nirvāna te verwerkelijken.

 

Wat wij wèl kunnen - ook al is dàt niet zó gemakkelijk - is door de volstrekte overgave (shinjin) aan de Gelofte-Kracht van Amida, de “staat van niet-terugkeer” (Sanskr. avaivartika, Jap. futai-ten) in dit leven nu te bereiken. Deze staat is niets anders dan de zekerheid van het nirvāna. Het is in de ontmoeting met de oneindige Lichtkracht van Amida dat deze zekerheid in dit bestaan ontluikt. Met de dood voltrekt zich de intrede in het nirvāna. Voor de Shin-Boeddhist is de dood dan ook niets anders dan de Geboorte in het Reine Land. Men dient het begrip “Reine Land” op te vatten als een conceptueel beeld voor het nirvāna waarbij het voor ons kenvermogen onbereikbare positieve aspect benadrukt wordt. Deze Geboorte is geen karmische geboorte meer.

 

Shakyamuni stierf te Kusinagara, tussen twee bloeiende sala-bomen (Shorea robusta), het hoofd noordwaarts, het gezicht gekeerd naar het westen, waar de meditatieve traditie Amida’s Reine Land gelokaliseerd heeft. Daar bleef hij zijn onderricht voortzetten temidden van zijn treurende volgelingen. Onder hen was zelfs Cunda de smid, die in zijn onschuld aan de Boeddha het bedorven varkensvlees gegeven had waaraan deze zou sterven. Tot die droefgeestige menigte sprak de Tathāgata onder meer de volgende woorden:

“Treurt niet, monniken. Ook al moest ik een hele kalpa lang in deze wereld leven, toch kwam er een einde aan ons samenzijn. Nergens en nooit is een samenzijn geweest dat geen scheiden kent. Nu is de Leer grondig voor iedereen uiteengezet. Het zou geen nut hebben dit langer te blijven doen. Alle wezens op aarde en in de hemel die konden verlost worden, zijn nu verlost. De overige wezens, die niet verlost zijn, hebben nu de basis gelegd voor hun latere verlossing. Dat blijft de volgelingen nu nog te doen. Want dit is nu het Lichaam van de Leer van de Tathāgata (Dharmakāya) dat buiten elke vernietiging staat. Besef daarom goed dat alles in de wereld vergankelijk is en dat elk ontmoeten ook een scheiding inhoudt. Weest niet bedroefd. Zo is immers de aard van de wereld.”

(Parinirvānasūtra, Nanjio nr 122, Taisho nr 389)

Men ziet hoe in dit afscheidsgesprek één van de basisprincipes van heel het Boeddhisme nogmaals met klem benadrukt wordt. Ook in de Pali-Kānon is die vergankelijkheid van de wereld hoofdthema van Gautama’s onderricht:

“Laat je klagen, Ānanda! Wees niet bedroefd. Heb ik je er vroeger al niet dikwijls genoeg op gewezen dat we ééns van al wat ons lief en aangenaam is, afscheid moeten nemen? Dat er echt niets is dat eeuwig blijft? Hoe zou het mogelijk zijn dat iets dat ontstaan is, iets dat geworden is in afhankelijkheid, dat naar aanschijn en aard gedoemd is vernietigd te worden, ook niet zou vernietigd worden?”

(Dīgha Nikāya 16)

Alle verschijnselen, van welke aard ook, zijn veranderlijk, zijn vergankelijk. Dit is de basisgedachte van de Eerste Edele Waarheid, de Waarheid van het Lijden.

Stellen we ons de vraag: waarom bestaat er lijden? Waarom, waaronder lijden de mensen? Niet zozeer door de vergankelijkheid op zichzelf. Wèl in de allereerste plaats doordat we ten opzichte van die vergankelijkheid een bepaalde houding aannemen. Een weigering: we willen niet dat de dingen vergankelijk zijn. We willen de vergankelijkheid niet zien. Als we goed gezond zijn, willen we dat die gezondheid blijft duren. Als we om een of andere reden beroemd zijn geworden als voetballer, minister, virtuoos, generaal, fietser, kunstenaar of keizer, dan willen we dat die roem ons leven lang voortduurt, ja zelfs langer nog.

Zolang het ons naar wens gaat, willen we dit “goede” status-quo handhaven. We willen blijven genieten van hetgeen we bezitten, al dreigt de angst alles te verliezen. Wanneer de zaken beginnen tegen te vallen, dàn roepen we om verandering. Zelfs tegenover de veranderlijkheid in het leven, is onze houding veranderlijk…

Wat is nu de ware grond van ons lijden?

Niet het feit op zichzelf dat de dingen vergankelijk of veranderlijk zijn. Dat feit kunnen we beschouwen als een natuurwet, even neutraal als een wet uit de fysica (“een planeet beweegt zich om de zon volgens een ellipsvormige baan” of “elk lichaam ondergedompeld in een fluïdum ondergaat ... etc.”). Maar het zijn onze houdingen tegenover de veranderlijkheid die de ware oorzaak zijn van ons lijden. Het is de inhoud van ons gemoed, van ons denken, kortom van al onze geestesfuncties die aan de basis van ons pijnlijk ervaren ligt.

De grondoorzaak van ons lijden ligt in onszelf.

Het gehecht-zijn aan dingen die we, tegen alle beter weten in, toch blijvend willen (onszelf of de idee die we van onszelf hebben als een blijvend iets), geeft aanleiding tot verlangens en driften. Een misverstand eigen aan de menselijke natuur, maar die aan de mensheid zoveel ellende, zoveel ongeluk en ontevredenheid opgelegd heeft.

Komen we er evenwel toe die veranderlijkheid van al het bestaande, inclusief de vergankelijkheid van onszelf en van al onze uitingen, in diepste wezen te beseffen, te begrijpen met de inzet van alle vermogens waarover we beschikken, dan kunnen we overstappen op het aankweken van een gezondere visie op de wereld en op het wereldgebeuren. Dergelijk besef staat gelijk met het openstellen van de weg naar het nirvāna.

De Boeddha Shakyamuni, die zowat een 2 500 jaar geleden het Volkomen nirvāna verwezenlijkte, is voor ons het duidelijke voorbeeld van de kracht en van het heil dat er in de Leer te vinden is. Overduidelijk heeft hij ons, door zijn historische aanwezigheid in deze wereld, geleerd met onze medemensen en met alle andere wezens om te gaan.

Laten we, de Leer indachtig niet alleen bij een herdenking, maar elke dag van dit vergankelijke leven, de tijd nemen in eigen gemoed te kijken: hoever we wel staan met onze beperkte middelen, hoe onze voornemens eraan toe zijn, hoezeer we verstrikt zitten in zwakte en gehechtheid.

Misschien helpt dit ons toch een stapje verder te zetten naar het beleven van de volmaakte vrede van het nirvāna.

Ekō 5

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home