Een Werk Van Fundamenteel Belang…

Le Traité de la Grande Vertu de Sagesse de Nāgārjuna (Mahāprajnāpāramitāsastra), avec une étude sur la Vacuité, par ET. LAMOTTE – Tome IV - Université de Louvain – Institut Orientaliste (Edit. E. Peeters, Louvain) 1976.

Deze meesterlijke uiteenzetting, traditioneel toegeschreven aan Nāgārjuna, patriarch van zowat alle op dit ogenblik bestaande Mahāyāna-scholen is in feite een in extenso commentaar op één van de belangrijkste sutra’s. Daarbij moet gezegd worden dat de vertaling en de bespreking van dit werk ongetwijfeld één van de hoogtepunten uit het zo verdienstelijke oeuvre van de Leuvense professor wordt.

Het deel dat  nu vóór ons ligt, is het vierde.

Herinneren we er in het voorbijgaan aan dat Deel 1, verschenen in 1944 gewijd was aan de beschrijving van personen en omstandigheden waarin de Mahāprajñāpāramitā gepredikt werd, -  dat Deel II van de Sāstra de beschrijving gaf van de geestesgesteldheid waarin een Bodhisattva de paramita’s (volkomenheden) dient te beoefenen, en dat Deel III, tegenover de Abhidharma van de Hīnayāna-scholen de verdediging op zich neemt van de nieuwe, dynamische opvattingen wat betreft de praktijken die ter Verlichting voeren en de kenmerken van de Boeddha.

Dit vierde Deel omvat de hoofdstukken XLII—XLVIII van de Sāstra. Naar E. Lamotte het zelf omschrijft, is het gewijd aan het “Ideaal van de Bodhisattva”, d.i. hoofdzakelijk het bestreven van de Bodhisattva, zijn wensen, geloften die enkel kunnen in vervulling gaan door het beoefenen van de Volkomen Wijsheid (prajñāpāramitā) geheel passend in de lijn van de denkwijze eigen aan de Madhyamika-filosofie.

Het door de Bodhisattva nagestreefde doel is immers dubbel: zelf de hoogste wijsheid te verwerven, het Boeddhaschap te verwezenlijken, en, ter gelijke tijd ook het heil en het geluk van alle wezens te verzekeren.

Opvallend hierbij is wel hoe geheel die Mahāprajñā-literatuur waarop de “Traité” de belangrijkste commentaar is, gegevens bevat die centraal staan in het geheel der verschillende scholen van het Mahāyāna. Er wordt immers niet enkel aangesloten bij de “carrière” van de Bodhisattva die de 10 niveaus dient te doorlopen om verlichting te verwerven, carrière die benadrukt wordt in uiteenlopende scholen en denkrichtingen als de Avatamsaka (Hua-yen, Kegon), de T’ien—t’ai (Tendai) en de meeste andere. Ook de leerstelling van de dhārani’s (of mantra’s), die beklemtoond wordt zowel in het Vajrayāna als in de Japanse Shingon, wordt diepgaand in de “Traité” behandeld.

Ook de basisgedachten van de diverse Pure-Land-scholen: de Boeddha-landen en de Geloften (wil/kracht tot verlossing van alle levende wezens) worden via de Sastra gefundeerd in de algemene Boeddhistische filosofie. Hierbij moeten we wel noteren dat in dit werk de auteur niet de minste toespeling maakt op één bepaald Boeddha-veld, dat hij ook nergens Amitābha vermeldt, noch één van de Pure-Land-sūtra’s citeert, ofschoon die reeds vóór de tijd van samenstelling van de Mahāprajñāpāramitāsāstra verspreid en bekend waren.

In dit verband is het goed te vermelden dat de oudste bekende vertaling van de Grote Sukhāvatīvyuhasūtra dateert van de 2de-3de eeuw n.Chr. dan wanneer E. Lamotte, met nieuwe en beslist overtuigende bewijselementen, aanvoert dat de auteur van de Sāstra onmogelijk de “grote” Nāgārjuna kan zijn, maar zeker 3 à 4 eeuwen later moet gedateerd worden. Deze auteur zou immers een ervaren en bekwaam polemieker zijn die ook Āryadeva’s werk moet gekend hebben.

Zoals in de titel van het werk vermeld, weidt de commentator (wie hij dan ook moge geweest zijn) uitvoerig uit over zijn opvatting van sūnyatā (leegheid). Hij behandelt dit probleem scholastisch-grondig; hij situeert de “negatieve” en beperkende draagwijdte van dit begrip zoals het opgevat werd in sommige Hīnayāna-scholen en stelt daar tegenover de “neutrale” benadering van het Madhyamika en de “positieve” oplossing van het probleem eigen aan de latere Mahāyāna-denkers.

Bij dit alles vallen de nota’s, inleidingen, verklaringen en subcommentaren van E. Lamotte’s hand op door hun veelzijdigheid en de uitgestrektheid van de eruditie die men daarachter voelt. Men mag gerust veronderstellen dat zonder het bewonderenswaardige werk van E. Lamotte, onze “Nāgārjuna” nooit zo scherp afgetekend had kunnen staan enerzijds tegenover de sūtra die hij zo uitvoerig illustreert, maar anderzijds ook in het Gesamtbild van de Boeddhistische filosofie. Het spreekt vanzelf dat het hier gaat om een door-en-door academisch werk van het hoogste niveau. Op dit vlak is Lamotte’s bijdrage tot de kennis van het Boeddhisme als denkstelsel nog ongeëvenaard.

Ekō 5

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

 

          home