Nationale Dag van het Boeddhisme

Mariemont, 5 mei 1979

In ekō 5 hebben we deze manifestatie in detail aangekondigd. Hoewel reeds in 1978 dergelijke manifestatie gehouden werd, is het de eerste maal dat de Nationale Dag van het Boeddhisme in België georganiseerd werd door de sedert enige maanden opgerichte Belgische Boeddhistische Unie.

Het weer was somber, maar toch regende het niet, zodat de huldiging aan de Boeddha, buiten in het park vóór de grote bronzen Daibutsu met de vereiste plechtigheid en ingetogenheid kon doorgaan. Na een korte toespraak door de Heer Jean LEROY die meteen de vier aanwezige scholen voorstelde, werden kaarsen, wierook en bloemen aangeboden, terwijl de vier scholen als het ware spontaan (dit punt was trouwens helemaal niet afgesproken, noch zelfs op het programma voorzien) diverse sutra’s zongen.

Het was goed om zien en horen dat vertegenwoordigers van de verschillende scholen vaak meezongen in een “chanting” van een andere school.

Na deze Boeddha-hulde, die langer duurde dan het tijdschema liet voorzien, werd in één van de museumzalen een za-zen gehouden door de Tai Ruy Dōjō van het Belgisch Sōtō-Zen Centrum. Voorzien was dat deze za-zen geleid zou worden door Deshimaru Roshi zelf, maar deze was op het laatste ogenblik verhinderd.

Interessant was dat tijdens deze plechtige meditatie, aan de aanwezigen uitleg verstrekt werd over de zin en het verloop van zo’n meditatiezitting.

Na de Zen-school, was het aan de Theravādā een korte pūja te houden. Onder de leiding van Ven. Meas Yang, de Cambodjaanse monnik die te Brussel vertoeft, werd o.m. de Drievoudige Toevlucht genomen en het Mettā-sutta gezongen.

Vervolgens was het de beurt aan de Jōdo-Shinshū. 0nder leiding van Prof. K. Miyaji, afgevaardigd door de Nishi Hongwanji te Kyoto, hebben wij (dat zijn Revs. Inagaki, Austin, Ducor en Peel) de Drievoudige toevlucht hernomen naar de Hongwanji-traditie, de Shōshinge gezongen, gevolgd door de plechtige zesvoudige Nembutsu en de Zegening:

“Mochten alle verdiensten van deze bijeenkomst
verspreid worden over alle wezens
mochten zij in zich het gemoed ter verlichting wekken
en zo in het Reine Land geboren worden!”

Niet minder dat zeven Tibetaanse lama’s van de Kagyupa-school hielden tot besluit van de ochtendzitting een uitgebreide dienst met zang en muziekinstrumenten (Mahākāla-pūja), welke niet naliet een diepe indruk te maken.

Na het middagmaal, was er geleid bezoek aan de tentoonstelling Japanse Kunst. Dan werden er vier voordrachten gehouden, waarin vertegenwoordigers van de aanwezige scholen een bijzonder facet van het Boeddhisme belichtten. Eens te meer bleek dààr hoe de fundamenten in de verschillende scholen gelijkaardig zijn, alle teruggaand op het onderricht van de historische Boeddha, terwijl de verschillen meer liggen in de methodiek zoals die in de praktijk toegepast wordt. Hier vallen punten van onderscheid in beklemtoning op, zonder dat er evenwel sprake kan zijn van tegenstellingen.

Voor de Jōdo-Shinshū werd de lezing gehouden door Rev. Prof. Miyaji. Zijn tekst volgt hierna in Nederlandse vertaling.

Ofschoon er iets minder volk was dan in 1978 viel wel op dat het meeleven veel intenser was. Wat aan hoeveelheid verloren ging, werd zoals vaak, ook hier aan kwaliteit teruggewonnen. En dàt is toch het voornaamste.

 

Mariemont, 5 mei 1979

Rev. Prof. Kakue MIYAJI

Het is voor mij een bijzonder voorrecht U hier, op deze Belgische Boeddha Dag het woord te kunnen richten.

Na Zijn Verlichting, heeft Boeddha Shākyamuni in zijn eerste Leerrede, die men ook de “Eerste Omwenteling van het Rad van de Leer” noemt, ons de Vier Edele Waarheden onderwezen.

Deze zijn eerst de Waarheid van het Lijden, ten tweede de Waarheid van de Oorzaak van het Lijden, ten derde de Uitdoving van het Lijden en ten vierde de Weg die naar de Uitdoving van het Lijden voert.

De eerste twee Waarheden zijn respectievelijk het gevolg en de oorzaak van deze wereld van zinsbegoocheling of ‘samsāra’ terwijl de derde en de vierde Waarheden het gevolg en de oorzaak zijn van de wereld van de bevrijding of ‘nirvāna’.

Deze traditionele Boeddhistische opvatting wordt weerspiegeld in de Jōdo-Shinshū stelling van de “Twee Aspecten van het Diepe Vertrouwen”. Deze leerstelling werd het eerst beklemtoond door Shan-Tao, een Chinees Meester uit 7de eeuw, die door onze Stichter Shinran Shōnin zeer hoog aangeslagen werd.

Welke zijn nu die “Twee Aspecten van het Diepe Vertrouwen”?

Het eerste is oprecht en diep doordrongen te zijn van het feit dat ik slechts een onwetend, met zonden en kwaad vervuld, wezen ben, vastgeklonken aan het samsāra, ondergedompeld in de oceaan van begoochelingen en denkfouten, zonder enige kans er mij door eigen kracht uit te slaan.

Het tweede Aspect is oprecht en diep doordrongen te zijn van het feit dat Amida Buddha’s Oneindige Licht mij omstraalt en dat ik daardoor de Verlichting kan verwezenlijken in Zijn Reine Land. Zonder de geringste twijfel, zonder de minste vrees geef ik mij volledig over aan de reddende kracht van Zijn Wijsheid en van Zijn Mededogen.

Deze twee Aspecten van overgave verduidelijken respectievelijk de twee dimensies van de originele Lering van het Boeddhisme die ik hiervoor vermeld heb: d.i. onze staat van begoocheling en de Dharma die ons tot de Verlichting voert.

Verwijzend naar deze “Twee Aspecten van het Diepe Vertrouwen”, schreef Meester Shan-Tao, de 5de Patriarch van de Jōdo-Shinshū, de volgende parabel:

 

Een zeker man ondernam een lange reis doorheen een woestijn, van het oosten naar het westen toe; nergens kon hij ook maar één levend wezen bespeuren. Opeens stond hij vóór een rivier van razendwild water en van hoog oploeiend vuur. Tussen de golven en de vlammen was er een nauw pad. Het was zowat 100 passen lang, maar amper enkele voet breed. Dat pad kon hem zo goed als nooit naar de andere oever brengen!

De golven beukten razend over het smalle pad, en wanneer ze terugtrokken, namen de laaiende en loeiende vlammen hun plaats in en zo bleef dat maar heen en weer gaan, eindeloos lang. Verschrikt wilde de man op zijn voetstappen terugkeren, maar nu bemerkte hij horden bloeddorstige rovers en meuten wilde dieren die op hem afgestormd kwamen.

Sidderend van angst, dacht hij: “Voorzeker, dit is mijn dood! Keer ik op mijn stappen terug, dan word ik gedood; hier blijven staan is gelijk aan doodgaan; vooruit gaan over dat pad betekent een wisse dood! De dood is onvermijdelijk, wat ik ook doe. Dan nog liever voorwaarts gaan! Dit pad moet me naar de andere oever brengen.

Juist op dat ogenblik hoort hij achter zich een stem die hem aanspoort zonder vrezen vooruit te gaan over het pad. En op het volgende moment hoort hij een andere stem die van gene oever vóór hem komt, en hem aanspoort: “Kom! Kom toch! Aarzel niet, twijfel niet! Vertrouw mij met geheel uw hart! Wees niet bevreesd voor al die golven en die vlammen!”

Geleid door deze stemmen, haast de man zich over het pad en bereikt zo de andere oever.”

 

Onze reiziger is de mens die naar de Waarheid van het Boeddhisme streeft. Het oosten achter hem, dat is onze wereld, het samsāra; het westen tegenover hem, dat is het Reine Land.

Het woeste water van de rivier, dat zijn onze begeertes, en de vuurrivier is onze boosheid. Het smalle pad is “shinjin”, het diepe vertrouwen in de Boeddha en tevens het verlangen geboren te worden in Amida’s Reine Land. De stem die vanuit het Oosten weerklinkt, dat is de stem van Shākyamuni die ons aanspoort de Reine Land-lering te volgen, en de stem vanuit het westen is niets anders van de roep van Amida’s Mededogen.

Te midden van al onze lusten, verleidingen en verkeerde inzichten, voelen we onszelf vaak hopeloos verloren, niet meer wetend welk pad het ware is, welk leerstelsel we eigenlijk moeten volgen.

Twintig jaar lang heeft Shinran Shōnin zo de juiste weg naar de Verlichting gezocht.. Tenslotte, dank zij zijn Meester Hōnen, vestigde hij zijn diep vertrouwen in Amida’s Groot Mededogen en in de Kracht van Zijn Oorspronkelijke Gelofte.

In de samenvatting en besluit, van de “Kyō-Gyō-Shin-Shō”, Shinran Shōnins hoofdwerk, schrijft deze:

 

Oh! Hoe blij ben ik toch! Vast is mijn vertrouwen op het Boeddha-Land van Zijn Oorspronkelijke Gelofte. Al mijn ijdele berekeningen zijn leeggelopen in de oceaan van Zijn Onzegbare Realiteit. Overlopend van dankbaarheid, erken ik de goedheid van de Tathāgata en oprecht huidig ik de welwillendheid van mijn leraars. Geluk overstroomt mijn hart, mijn eerbied wordt al maar dieper en dieper. Ik ben vol van de diepte van Boeddha’s Mededogen en ik blijf nu onbewogen onder de spot van anderen!”

 

Bij Shinran Shōnin voel ik de hoogste wijsheid en het diepste gevoel van dankbaarheid aan. Ik geloof dat deze wijsheid en dergelijke uitgepuurde gevoelens fundamentele elementen van elke vorm van humanisme zijn.

Ik hoop dat ik met deze enkele woorden in staat geweest ben U één van de essentiële aspecten van de Jōdo-Shinshū-lering te verklaren.

Mocht gij allen, Boeddhisten of niet, actief werkzaam, zijn voor het ware heil van alle wezens!

Ekō 6
Nationale Dag van het Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home