Terug uit Kyoto

Het moet wel zijn dat 1979 voor het Shin-Boeddhisme in onze landen een erg bijzonder jaar geworden is.

In mei (zie hierover ekō 6) werd onze “shrine-room” verheven tot een volwaardige en zelfstandige tempel die van de Hoofdabt de naam Jikō-ji toegewezen kreeg, wat Tempel van het Licht van Mededogen betekent.

Redelijk onverwacht kreeg ik eind september een oproep om naar Kyoto te komen met het oog op “tokudo”. Eigenlijk is “tokudo” de definitieve intrede in de monnikenorde, maar vermits wij in de Jodo-Shinshu geen monniken hebben, kan men “tokudo” beter omschrijven als een soort “priesterwijding”, d.i. dat de “priester” bevestigd wordt in zijn wens blijvend zich te “wijden” aan de taak de Leer van de Boeddha te bestuderen en aan anderen over te dragen.

In de Jodo-Shinshu kent men eigenlijk drie van zulke “wijdingen”. De eerste, die “kyo ki” genoemd wordt, wordt meestal door de Hoofdabt verleend en is de intrede in de gemeenschap van de Jodo-Shinshu. De tweede “wijding” is zoals gezegd “tokudo”. Er is een derde wijding “kyo-shi” die eigenlijk een hoge academische graad vertegenwoordigt.

Tokudo wordt enkel door de Hoofdabt verleend en de ceremonie dient plaats te grijpen in de Shinran-hal (Goei-do) van de Nishi Hongwanji te Kyoto.

Enkele jaren terug had ik reeds de eerste “wijding” ontvangen uit handen van Zenmon Kosho Ohtani, nu Ere-Hoofdabt. Nu in oktober ontving ik tokudo van de huidige Hoofdabt Monshu Koshin Ohtani.

Men lette er echter wel op die termen “priester” en “wijding” niet in de bij ons gebruikelijke, d.i. Christelijke zin op te vatten! Dat wij die woorden gebruiken, dat is omdat ze ons zo in de mond liggen en omdat er eigenlijk geen preciezere termen voor deze functie bestaan, noch in het Nederlands noch in andere Westerse talen.

“Priester” in de zin die in de Jodo-Shinshu aan dat woord gegeven wordt, is in feite een samengaan van monnik, leek en leraar, eventueel te vergelijken bij de functie van een rabbijn in het Jodendom of die van een dominee bij de Protestanten. Het Shin-Boeddhisme kent immers geen kloosterleven, met de typische kloosterdiscipline, zoals men die bij andere Boeddhistische scholen wèl aantreft. Het Shin-Boeddhisme wil midden in het dagelijkse leven staan, het religieuze element in dat dagelijkse leven inwerken en tevens de dagelijkse handelingen een religieus karakter geven.

Ook de Shin”priester” zal in de zorgen van het dagelijks bestaan leven, niet in de veilige beschutting van kloostermuren. Noch monnik noch echt leek, moet hij deze beide aspecten in zich zien en verenigen.

Een “wijding” in de conventionele zin is het evenmin. Het Boeddhisme (en zeker het Shin-Boeddhisme) kent geen sacramentele handelingen.

De ceremonie (tokudo-shiki) is uiterst sober en uiterst indrukwekkend. Geen schitterende versieringen, geen pompeuze muziek. Ze heeft plaats, éénmaal per jaar, na zonsondergang in oktober-november, in de grote Shinran-hal, vóór het altaar. Als enige verlichting branden de twee sesamolielampen naast het altaar en één kaars op de lessenaar waarachter de Hoofdabt plaats zal nemen.

Sta me toe de ceremonie heel in het kort te beschrijven. Kort is daarbij een moeilijk woord, want de hele “wijding” duurt nog geen halfuur.

Na de intrede van de Monshu (Hoofdabt), brengen de wijdelingen hem hulde en ontvangen ze in hun handpalm een snuifje wierookpoeder dat ze dan over hun kledij uitstrijken, ten teken van symbolische zuivering.

Vervolgens reciteren de wijdelingen de Drievoudige Toevlucht in de Boeddha, in de Leer en in de Gemeenschap, evenals de Shin-belijdenis.

De Hoofdabt gaat dan over tot het symbolische afscheren van het haar. In werkelijkheid is dit heel prozaïsch enkele uren tevoren bij een kapper gebeurd. Hij raakt daarbij driemaal het hoofd van de recipiënt met het symbolische scheermes aan. Daarna is een korte onderbreking voorzien, waarbij de wijdelingen de eigenlijke ceremoniële priesterkledij aantrekken.

Tijdens het tweede deel van de ceremonie ontvangen de nieuwe priesters hun wijdingsnaam, hun certificaat en de priesterstola. De Monshu leest hun daarop de priestergeloftes voor, die de wijdelingen aanvaarden door driemaal te buigen.

°°°   °°°   °°°

Maar vóór het zover is, heeft elk kandidaat een trainingsperiode achter de rug waarin hij het bewijs dient te leveren grondig op de hoogte te zijn van Leer en Praktijk van het Boeddhisme, met geheel de religieuze en filosofische ontwikkeling die vanaf de historische Boeddha, via de Patriarchen en de belangrijkste leerteksten (sūtra’s), geleid hebben tot het Shin-Boeddhisme.

Dat zijn dagen van schier volstrekte afzondering, als het ware wèl in kloosterverband en mèt kloosterdiscipline, zonder radio of tv, zonder briefwisseling of wandelingen buiten, geen eten of drinken dan strikt wat op tafel komt.

Om zes uur ’s morgens begint de eerste dienst in de hoofdtempel. Hij duurt er tot kwart over zeven, half acht en wordt gevolgd door een nieuwe, besloten dienst enkel voor de aspirant-priesters.

Om acht uur wordt het ontbijt opgediend door één van de wijdelingen, volgens een beurtrol. Er is ook een beurtrol, buiten die voor de tafeldienst, voor het altaar en voor het onthaal van de professoren.

Van 9 tot 12 en van 1 tot 4 lessen, discussies, ondervragingen. Om 4 uur een korte dienst, waarna tijd voor was, bad, studie. Na het avondmaal om 6 uur, weer studie tot 9 elk op zijn kamertje. De nachtdienst werd meestal gevolgd door wat gepraat, maar om 11 uur, als al het licht uitmoet, ligt iedereen toch al te slapen!

Wat mij persoonlijk betreft, ik vond het een heerlijke periode van intellectuele hoogspanning en fysische “charge”. Tijdens die periode ban ik niet enkel mijn haar kwijtgeraakt, maar ook ettelijke kilootjes. Maar het waren boeiende dagen, niet enkel door de contacten met de professoren, stuk voor stuk specialisten meestal met wereldfaam en die zo goed als onze enige band met de “buitenwereld” vormden, maar ook door het intense leven in communauteit, waarbij heel wat belevenissen en ervaringen, spiritueel of “werelds”, uitgewisseld werden.

Mijn mede-trainees waren drie jonge Amerikanen van Japanse afkomst, die men sansei noemt wat “derde generatie” betekent. Twee mannen en één vrouw; in het Shin-Boeddhisme kunnen immers ook vrouwen “priester” worden. Hun bedoeling is het werkzaam te zijn in de States, waar er ongeveer 400 000 Shin-volgelingen zijn. Wij hadden ruimschoots de gelegenheid ideeën en toestanden te vergelijken. Het contact met deze mede-trainees was een zeer vruchtbare bron van overwegingen.

 

De voertaal voor deze training was het Engels. Maar in een andere tempel werd dezelfde trainingsperiode gehouden in het Japans. Daar waren een zeventigtal kandidaten, oud en jong dooreen, waarbij een 15-tal dames.

°°°   °°°   °°°

Vóór de eigenlijke trainingsperiode, was ik te Kobe te gast bij de familie Inagaki. Rev. Prof. Saizo Inagaki is één van Japans beroemdste Shin-predikers. De trouwe lezers van ekō kennen zijn reeks “Geloofspunten”. Ook maakte ik er kennis met de leden van de Horai-kai, een lekengenootschap dat zich binnen en buiten Japan bezighoudt met het bevorderen van de studie van het Shin-Boeddhisme in zijn zuiverste vorm. Deze genootschap is trouwens ook één van de beschermers en sponsors van Jikō-ji en van het Centrum voor Shin-Boeddhisme.

Bij een dienst in het huis van Prof. Inagaki werd mij gevraagd een woordje te spreken over het Boeddhisme in Europa. Maar mijn uiteenzetting was toch maar flauwe kost, vergeleken bij wat volgde, een lering door Prof. Inagaki. Hij haakte improviserend in op een gesprek dat we enkele uren te voren gehad hadden. Het was roerend te zien hoe deze oude priester (94 jaar!) zijn toehoorders geboeid hield, ook over de moeilijkste onderwerpen! Bovendien doorspekte hij zijn uiteenzetting met voldoende Engelse woorden, wat me toeliet zijn onderwerp van nabij te volgen.

Te Kyoto werd ik opgevangen door Prof. Yamasaki in naam van de lnternational Association for Shinshu Culture (I.A.S.C.), een andere sponsor van onze werking. Bij de gesprekken bleek hoe wij mogen rekenen op de steun van de Japanse Shin-gemeenschap.

Na de tokudo-periode, had ik de gelegenheid enkele tempels in de omgeving van Kyoto te bezoeken, meestal ook onder inspiratie van de leden van het I.A.S.C. Gezien de korte tijd waarover ik beschikte, ging het hoofdzakelijk om tempels die enig verband met Shinran Shonin vertonen: Tanjo-in, te Hino-no-Sato, geboorteplaats van de Shonin; Shoren-in, waar hij geordineerd werd, Enryaku-ji op de Hiei-berg, waar hij bij de 20 jaar in studie doorbracht; Chion-in, waar hij bij Honen Shonin met de Nembutsu-leer kennis maakte; de Nishi Ohtani Hombyo, waar zijn asse bewaard wordt. In Shoren-in, een tempel van de Tendai-school, viel mij de eer te beurt, door de abt in audiëntie ontvangen te worden.

De meeste van deze bezoeken werden voor mij georganiseerd door Prof. Yamasaki en Prof. Sato. Prof. Mikogami leidde mij in Nara rond, andere Japanse vrienden toonden mij nog andere bezienswaardigheden. Kortom: ik ontdekte hoe talrijk de Japanse vrienden van ons Centrum waren om mijn verblijf zo aangenaam, zo interessant en zo nuttig mogelijk te maken.

Vóór mijn vertrek werd ik een tweede maal in audiëntie ontvangen hij de Hoofdabt. In de loop van dit gesprek bleek eens te meer hoe de nog jonge Monshu een sterke spiritualiteit uitstraalt. Tevens viel mij op hoe Hij op de hoogte is van Europese toestanden, zeker in verband met de situatie van het Boeddhisme in onze gewesten. Zo behandelde hij met inzicht en diepgang de diverse problemen die zich stellen bij het verbreiden van de Leer, o.a. wat betreft de vertaling van termen en begrippen die in het Boeddhisme gebruikelijk zijn.

Wat dit punt betreft, vroeg de Hoofdabt onder meer dat de bewoordingen met een uiterste omzichtigheid zouden uitgezocht worden om de Shin-boodschap niet enkel zo effectief, maar tevens zo precies mogelijk te laten doorkomen. Dit om alle verwarring met o.a. de Christelijke terminologie uit te sluiten.

Als voorbeeld in dit verband citeerde de Monshu het begrip “shinjin” dat sedert jaren gebruikelijk vertaald wordt als “Faith, Glaube, Foi, Geloof”, welke vertalingen niet precies het originele begrip weergeven en bovendien te dicht hij de traditioneel ervaren Christelijke inhoud staan, een inhoud die bewust of onbewust bij de lezer of de toehoorder blijft doortintelen.

Uit deze audiëntie bleek ook eens te meer de groeiende aandacht van de Nishi Hongwanji voor de ontwikkeling van het Shin-Boeddhisme in Europa.

Van deze gelegenheid wil ik gebruik maken om alle vrienden in Europa, Azië en Amerika, die mijn tokudo mogelijk gemaakt hebben, hiervoor publiek te danken. Mijn dank gaat vanzelfsprekend in de eerste plaats naar Monshu Koshin Ohtani, naar onze Beschermheer Zenmon Kosho Ohtani, naar het Hongwanji International Center dat onder de leiding van Rev. Okuda staat, maar waarbij ik eveneens Rev. Kumata wens te betrekken, naar de heren professoren Uryuzu, Waranabe, Tokunaga, Takeda, Shirai en Mikogami. Ook de Horai-kai te Kobe, onder de inspiratie van Rev. Prof. S. Inagaki en het I.A.S.C. te Kyoto hebben bewezen voor ons Centrum een grote steun te zijn.

Van zeer bijzondere steun is mij Rev. Dr. Hisao Inagaki geweest, die heel wat organisatorische zorgen op zich genomen heeft en mij in Japan een warm en interessant onthaal bezorgde.

Misschien lijkt deze lijst van bedankingen wel erg lang voor een “gewoon iets” als een reis naar Japan, - maar ik wil toch onze vrienden en lezers wijzen op het feit dat het hier niet ging om een toeristische uitstap, maar om een intense spirituele belevenis voor mij persoonlijk, maar waarvan, in de ogen van de gastheren, de neerslag bedoeld was voor het gehele Boeddhistische gebeuren in Europa.

Het is dan ook geheel in dergelijk verband dat ik het mij veroorloof mijn hartelijkste dank eveneens uit te drukken voor de talrijke vrienden in België en buurtlanden die mij te dezer gelegenheid hun gelukwensen hebben doen toekomen.

Rev. Shitoku A. Peel

Ekō 8

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home