Hoogtepunten Uit De Boeddhistische Kanon - III

In de Pālīkanon vinden we verschillende versies van het eerste sermoen dat Gautama Shakyamuni, de Boeddha, uitsprak. Het werd enkele weken na zijn Verlichting gehouden te Vanarasi, voor de vijf mede-asceten, die hem verlaten hadden toen hij de strenge zesjarige zelfmarteling als nutteloos had ervaren. Na het nirvana bereikt te hebben, zocht de Boeddha z’n vroegere metgezellen weer op en “zette het Rad van de Leer in beweging”. Volgens de Theravada-traditie, zou deze leerrede uitgesproken zijn geworden tijdens de vollemaannacht van juli.

De versie die we hier weergeven, is Majjhima Nikāya 141 (Sacca-vibhangasutta). Hierin herneemt Sāriputta (Sanskriet: Sāriputra de woorden van het eerste sermoen, waarbij hij eigen commentaar bijvoegt.)

Aldus herhaalde Sariputto aan de monniken:

De Verhevene, o broeders, de Heilige, Volkomen Ontwaakte heeft te Varanasi, in Isipatana, in het Hertenpark, het hoogste rijk der waarheid gevestigd: geen asceet of priester, geen god, geen goede of boze geest, noch gelijk welk wezen in de wereld kan zich daartegen verzetten. Het is het aanwijzen, duidelijk maken, uiteenzetten, vertonen, onthullen, ontwikkelen, openbaren van de Vier Heilige Waarheden. Welke vier? Van de Heilige Waarheid van het Lijden, van de Heilige Waarheid van het ontstaan van het Lijden, van de Heilige Waarheid van de Opheffing van het Lijden, en van de Heilige Waarheid van het Pad dat naar de opheffing van het lijden voert.

 

Wat echter, o broeders, is de Heilige Waarheid van het Lijden?

Geboorte is lijden, ouderdom is lijden, ziekte is lijden, sterven is lijden; verdriet, jammer, pijn, hartzeer, vertwijfeling zijn lijden; verenigd zijn met wat men niet lief heeft is lijden; niet verkrijgen wat men begeert is lijden. Kortom, de vijf groepen van gehechtheid zijn lijden.

Wat nu, o broeders, is geboorte? Ontstaan, baren, vormen, […] conceptie, het verschijnen der delen, het bewustworden: dat, o broeders, noemt men de geboorte.

Wat nu, o broeders, is ouderdom? Van alle voorkomende wezens, in elke voorkomende soort het verouderen en verslijten, het geringste gebrekkig en vergrijsd worden, het verval van de krachten, het afslijten van de zinnen: dat, o broeders, noemt men de ouderdom.

Wat nu, o broeders, is het sterven? Van alle voorkomende wezens, in elke voorkomende soort het verdwijnen, oplossen, ontbinden, ondergaan, overlijden, tijdsvervullen, het uiteenvallen van de delen, het rotten van het lijk: dat, o broeders, noemt men het sterven.

Wat nu, o broeders, is het verdriet? Dat wat men ervaart bij gelijk welk verlies, bij gelijk welk ongeluk dat iemand treft, verdriet, kommernis, hartzeer, innerlijke benauwenis, innerlijk wee: dat, o broeders, noemt men verdriet.

Wat nu, o broeders, is de jammer? Dat wat hij gelijk welk verlies dat men ervaart, bij gelijk welk ongeluk dat iemand treft, klacht en gejammer, beklagen en bejammeren, weeklagen, weejammeren is: dat, o broeders, noemt men de jammer.

Wat nu, o broeders, is de pijn? Al wat, o broeders, lichamelijk smartelijk, lichamelijk onaangenaam is, door lichamelijke gewaarwording als smartelijk of onaangenaam ervaren wordt: dat, o broeders, noemt men de pijn.

Wat nu, o broeders, is hartzeer? Wat geestelijk smartelijk, geestelijk onaangenaam is, wat door gedachtenberoering als smartelijk of onaangenaam ervaren wordt: dat, o broeders, noemt men hartzeer.

Wat nu, o broeders, is vertwijfeling? Wat bij gelijk welk verlies dat men ervaart, bij gelijk welk ongeluk dat iemand treft, ontmoedigend en vertwijfelend is, het versaagd en vertwijfeld zijn: dat, o broeders, noemt men de vertwijfeling.

Wat voor lijden, o broeders, is nu het niet-verkrijgen van hetgeen men begeert? In de wezens, o broeders, komt de begeerte op: “O waren wij toch niet aan de geboorte onderworpen, mocht ons toch geen geboorte ten deel vallen!” - maar dat kan men door begeren niet verkrijgen: dat nu niet verkrijgen wat men begeert, is lijden.

In de wezens, o broeders, aan ouderdom, sterven, verdriet, jammer, pijn, hartzeer, vertwijfeling onderworpen, komt de begeerte op: “0 waren wij toch niet aan de ouderdom, sterven, verdriet, jammer, pijn, hartzeer, vertwijfeling onderworpen; mocht ons geen ouderdom en sterven, geen verdriet en pijn, geen jammer en hartzeer, geen vertwijfeling ten deel vallen!”, maar dat kan men door begeren niet verkrijgen: dat nu, o broeders, niet te verkrijgen wat men begeert, is lijden.

Wat voor lijden zijn nu, kort gezegd, de vijf groepen van gehechtheid? Er is een gehechtheid aan de vorm, een gehechtheid aan het gevoel, een gehechtheid aan de waarneming, een gehechtheid aan de wilsvormingen, een gehechtheid aan het bewustzijn: dat, o broeders, noemt men kort gezegd de vijf groepen van gehechtheid als lijden.

Dit, o broeders, noemt men de Heilige Waarheid van het Lijden.

 

Wat, o broeders, is nu de Heilige Waarheid van het Ontstaan van het Lijden?

 

Het is deze dorst (tanhā), wederbestaan zaaiend, verbonden aan genoegenverlangens, nu hier dan daar voldoening zoekend, - het is de zinnelijke drift (kāmatanhā), de bestaansdrift (bhavatanhā) en de bezitsdrift (vibhavatanhā).

Dat, o broeders, noemt men de Heilige Waarheid van het Ontstaan van het Lijden.

 

Wat, o broeders, is echter de Heilige Waarheid van de Opheffing van het Lijden?

Het is van die dorst de volkomen, restloze uitrooiing, afstoten, uitdrijven, vellen, verdelgen.

Dat, o broeders, noemt men de Heilige Waarheid van de Opheffing van het Lijden.

 

Wat, o broeders, is nu de Heilige Waarheid van het Pad dat naar de opheffing van het lijden voert?

Dat is de Heilige Achtvoudige Weg, het naar de opheffing van het lijden voerende pad, namelijk het juiste inzicht, de juiste gezindheid, het juiste woordgebruik, de juiste handelswijze, het juiste levensonderhoud, de juiste inspanning, de juiste achtzaamheid, de juiste geestesconcentratie.

Wat nu, o broeders, is het juiste inzicht? Het lijden kennen, de ontwikkeling van het lijden kennen, de oplossing van het lijden kennen, het naar de oplossing van het lijden voerende pad kennen: dat, o broeders, noemt men het juiste inzicht.

Wat nu, o broeders, is de juiste gezindheid? Op zelfverzaking zinnen, geen wrok koesteren, geen haat voeden: dat, o broeders noemt men de juiste gezindheid.

Wat nu, o broeders, is het juiste woordgebruik? Leugen vermijden, laster vermijden, barse woorden vermijden, praatjes vermijden: dat, o broeders, noemt men het juiste woordgebruik.

Wat nu, o broeders, is de juiste handelswijze? Vermijden te doden wat leeft, vermijden te nemen wat niet gegeven is, vermijden buitensporigheden te begaan: dat, o broeders, noemt men de juiste handelswijze.

Wat, o broeders, is het juiste levensonderhoud? Wanneer, o broeders, de discipel de onjuiste kostwinning verlaten heeft en zijn leven op de juiste wijze voortzet: dat, o broeders, noemt men het juiste levensonderhoud.

Wat, o broeders, is nu de juiste inspanning? Wanneer, o broeders, de monnik zijn wil wekt, om nog niet opgekomen onheilzame dingen niet te laten opkomen; daarvoor spant hij zich in, moedig, bereidt hij zijn gemoed, maakt het strijdvaardig; hij wekt zijn wil om opgekomen onheilzame dingen te verdrijven; hij wekt zijn wil om nog niet opgekomen heilzame dingen te laten opkomen; hij wekt zijn wil om de opgekomen heilzame dingen zich te laten vestigen, niet los te komen, verderontwikkelen, ontsluiten, ontvouwen, vervullen; daarvoor spant hij zich in, moedig, bereidt hij zijn gemoed, maakt het strijdvaardig: dat, o broeders, noemt men de juiste inspanning.

Wat, o broeders, is nu de juiste aandacht (sati)? Wanneer, o broeders, een monnik wat het lichaam betreft, over het lichaam waakt, onvermoeibaar, met klare zinnen, bewust, na overwinning van de wereldse driften en zorgen; wat de gevoelens betreft, over de gevoelens waakt, onvermoeibaar, met klare zinnen, bewust, na overwinning van de wereldse driften en zorgen; wat het bewustzijn betreft, over het bewustzijn waakt, onvermoeibaar, met klare zinnen, bewust, na overwinning van de wereldse driften en zorgen; wat de geestesobjecten betreft, over de geestesobjecten waakt, onvermoeibaar, met klare zinnen, bewust, na overwinning van de wereldse driften en zorgen: dat, o broeders, noemt de juiste aandacht.

Wat dan, o broeders, is de juiste geestesconcentratie? Daar verblijft, o broeders, een monnik ver van begeerten en onheilzame dingen, voelend en denkend, in vreugde en zaligheid in de wijding van de eerste meditatie. Na stillen van het voelen en van het denken echter, wint hij de innerlijke vrede, de eenmaking van de geest, de van gedachtevorming en discursief denken bevrijde, uit de concentratie geboren toestand, in vreugde en zaligheid, de wijding van de tweede meditatie. Na opheffing van de vreugde echter verwijlt hij gelijkmoedig, achtzaam, helderbewust, en hij voelt in zijn innerste gemoed het geluk waarvan de Edelen zeggen: “Gelukzalig wijlt de gelijkmoedige, de achtzame”, en zo bereikt hij de derde meditatie. Na verdwijnen van vreugden en smarten, door ondergang van alle vroegere vreugden en smarten, bereikt hij een toestand buiten vreugde en buiten leed, de gelijkmoedig-geestesklare wijding van de vierde meditatie: dat, o broeders, noemt men de juiste geestesconcentratie.

Dit, o broeders, noemt men de Heilige Waarheid van het Pad dat voert naar de opheffing van het lijden.

De Verhevene, o broeders, de Heilige, Volkomen Ontwaakte heeft te Varanasi, in Isipatana, in het Hertenpark, het hoogste rijk van de waarheid gevestigd: geen asceet of priester, geen god, geen goede of boze geest, noch gelijk welk wezen in de wereld kan zich daartegen verzetten. Het is het aanwijzen, duidelijk maken, uiteenzetten, vertonen, onthullen, ontwikkelen, openbaren van de Vier Heilige Waarheden.

Aldus sprak de eerwaardige Sāriputto. Tevreden verheugden de monniken zich over de woorden van de eerwaardige Sāriputto.

Ekō 8
Hoogtepunten Uit De Boeddhistische Kanon

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home