Shinjin

Als men zich de vraag stelt door welk punt van de Lering de Jōdo-Shinshū afsteekt ten opzichte van de andere Boeddhistische strekkingen, - en zelfs ten opzichte van de andere Reine-Landstrekkingen - dan is het wel door de cassante uitspraak dat de enige en ware oorzaak voor het bereiken van het nirvāna (= de Geboorte in het Reine Land) niet een som is van morele, meditatieve, ascetische of rituele praktijken, maar enkel en alleen “shinjin”. Shinran Shōnin onderlijnt dit op schier elke pagina van zijn werken.

Willen we iets van de diepgang van het Shin-Boeddhisme aanvoelen, dan moeten we van zo na mogelijk dit begrip opnemen in ons vertrouwd verwoordingpatroon.

Shinran heeft het in het kader van de Boeddhistische geschriften vanuit diverse approaches benaderd. Maar wij hier in het Westen blijven voortdurend op deze keiharde term haperen. Enkel al de vertaling ervan stelt ons vreselijke problemen.

De meest voor de hand liggende vertaling zou “Geloof” zijn. Dat woord heeft in ons cultureel milieu echter een gamma van sterk uiteenlopende betekenissen. Vergelijken we even:

“Ik geloof dat je verkeerd bent” drukt een verzachtende twijfel uit,
”Ik geloof aan spoken” drukt het kritiekloos voor waar aannemen van feiten of situaties uit,
”Ik geloof in de goedheid van de mens” drukt het vertrouwen uit.

Enkel de laatste betekenis kan in verband gebracht worden met “shinjin”.

Dat zou ons ertoe kunnen brengen “vertrouwen” te verkiezen boven “geloof”. Toch dekt het slechts een gedeelte, een facet van hetgeen Shinran bedoelde. Bovendien komt nog steeds een te sterke klemtoon te liggen op de eigen intellectuele of emotionele werkzaamheid.

Prof. M. Tokunaga omschreef het begrip “shinjin” vanuit drie richtingen, waar hij de term beschreef als de negatie van de eigen gemoedshouding, het inhaken op de dynamische en natuurlijke werking van Amida’s Kracht waarbij geen twijfel gekoppeld is en de uitwerking in de mens van de 1l8de Gelofte

Naar Shinran is “shinjin” inderdaad niet een aspect of een resultaat van het eigen handelen of denken van de mens. De mens wekt in zich niet dit “geloof” of “vertrouwen”; het is voor hem de deelneming op zijn persoonlijk vlak aan het Absolute Mededogen van de Boeddha.

Shinjin is immers de Ware Handeling, de Grote Praktijk van het Oneindige Mededogen van de Boeddha dat spontaan in elk wezen actief is. Onze eigen rol ten opzichte van shinjin is uiteindelijk negatief: om tot shinjin te komen, moeten we weghalen, uit de weg ruimen. Wat ons hindert tot de ware belevenis van shinjin te komen, dat is uitsluitend het complex van eigen, “individuele” berekeningen, verwachtingen en inspanningen.

De werking van Amida in elk van ons, is wat voor elk van ons de ware aard van zijn natuur uitmaakt. Onze bewuste, onder- en onbewuste bemoeiingen met de natuurlijke gang van zaken (jinen-hōni) hebben aan de werking van het Absolute Leven en Licht hindernissen opgetrokken. Deze hindernissen zijn weliswaar slechts illusoir en relatief, maar vermits onze geest gehecht is aan het relatieve en illusoire, kan hij die ware aard niet onderkennen.

Slagen we er echter in die ware aard wèl te erkennen: hoe ijdel en zelfopgeblazen onze berekeningen en inspanningen zijn, hoe kunstmatig ze opgetrokken zijn geworden door onze zelfzucht, dan verdwijnen ze.

Het is daardoor dat het woord “vertrouwen” voor shinjin nog teveel de typische bijgedachte van “IK vertrouw” oproept. Beter is het dan de voorkeur te geven aan het woord “overgave”.

Shinjin is de twijfelloze overgave aan de natuurlijke loop van Amida’s Mededogen. Deze overgave is diep (betrekt heel ons wezen, ons bestaan, onze houding tegenover het leven en al het levende), ze is sereen (rustig vertrouwend op de natuurlijkheid van Boeddha’s werking in ons waardoor we de verzekering van de onherroepelijke Geboorte in het Reine Land verwerven) en ze is geconcentreerd in één enkele richting (isshin = de één-geest), waarbij alles in het leven gezien wordt in de zin van het inhaken op het Grote Mededogen.

Uit deze “overgave” is meteen ook elk intellectueel of emotioneel element verdwenen waarbij een “ik-gedachte” ook maar zijdelings zou kunnen betrokken zijn.

Het is ook dank zij dit bij ons toch gekende begrip “overgave” (cfr. bijvoorbeeld Meister Eckehart), dat we nader besef krijgen van het feit dat Shinran Shōnin het ontwaken van shinjin beschrijft als een diepgaande en effectieve religieuze ervaring. Want het is dus niet zo maar een “geloven”. De overgave is geen blinde daad, maar het klaarbewuste resultaat van een lange ontwikkeling van de geest. Overgave sluit elke bijgedachte van bewering en veronderstelling uit.

Shinjin is DE beleving: een dwarse sprong uit de vastgeankerde ego-denk-patronen die ons bestaan leiden. En die beleving is religieus in die zin dat Shinjin ons gehele wezen richt op het naamloze, onpersoonlijke heilige.

Daarom is deze overgave een belangrijke gebeurtenis in het leven van de gewone mens die van zichzelf weet dat hij noch een heilige noch een genie noch een wijze is. En toch: door deze overgave wordt hij religieus de gelijke van de grootste Bodhisattva.

Het ontwaken tot deze overgave is in het Shin-Boeddhisme een ogenblik van volkomen zelfloosheid, van totale uitschakeling van elke ik-heid.

En ook al is het maar één ogenblik dat we misschien met ons trage bewustzijn misschien zelfs niet eens kunnen waarnemen, het opent voor het innerlijke leven zulke weidse horizonten dat de rest van het bestaansverloop erdoor getekend blijft.

Niet dat shinjin van de zondaar en zwakkeling plots een spirituele held gaat maken! Dat kan niet. De mens blijft wat hij is, onderworpen aan de neerslag van vroegere daden. Maar ergens in hem weet en voelt hij nu Amida’s aanwezigheid, zowat zoals een zwangere vrouw in haar lichaam het kind voelt en ermee leeft. Zij leeft dan in vreugde om de geboorte, - maar tevens in angst voor het welzijn van haar kind.

Ook de mens die shinjin ervaren heeft, beleeft die tastbare aanwezigheid van het Absolute Mededogen op twee manieren die op het eerste gezicht tegenstrijdig lijken: enerzijds realiseert hij Amida’s Gelofte-Kracht en zijn vreugde hierover is er de uitdrukking van, - maar anderzijds heeft hij nu ook het vlijmscherpe besef erbij gekregen van zijn eigen slechte aard, niet sociaal of moreel, maar op zuiver religieus vlak. Zijn verdriet hierover tekent hoezeer onze ik-heid in oppositie komt te staan tegen Amida werking.

Wat zijn evenwel de effecten van Shinjin op de mens?

Man kan twee soorten effecten onderscheiden: het ene effect is onmiddellijk; het andere manifesteert zich op het ogenblik van de dood.

Het is duidelijk dat dit tweede effect het belangrijkste is. Het staat immers in rechtstreeks verband met het einddoel van het Boeddhisme: het verwezenlijken van het nirvāna, de intrede in het Boeddhaschap, of, zoals de Shin-Boeddhist het zegt: de Geboorte in het Reine Land.

Want het ogenblik zelf van de dood, is deze Geboorte. Door uitputting van de karmische, Leven-en-dood scheppende krachten, gaat shinjin over in het volledige, definitieve nirvāna.

Soms komt het voor dat dit radicale standpunt een heel eigen trek van Shinrans interpretatie zou zijn, maar een grondige studie van de teksten bewijst het tegendeel. Zelfs in de Theravāda-kanon (Samyutta-nikāya , PTS V, 410) kort de term “doodsnabije karma” (maranāssana-kamma) voor als rechtstreeks naar het nirvāna leidend. Ook in Buddhaghosa’s Visuddhi Magga wordt dit punt besproken. Ook in het populaire Tibetaanse Dodenboek Bardo Thödol komt het nirvāna in het doodsogenblik voor. Het is echter aan Shinran Shōnin voorbehouden geweest dit volledige nirvāna van het stervensmoment als enig nog verwezenlijkbare nirvāna uit te stippelen.

Duidelijk is evenwel dat Gautama Buddha, de historische Boeddha, zelf deze definitieve verwezenlijking van de ik- en lijdensloze toestand op het ogenblik van de dood als één van de wegen ter Verlichting geleerd heeft.

Shinran Shōnin trekt deze lijn door. Voor wie shinjin, de diepe oprechte innerlijke overgave ervaren heeft, is deze de ware en énige oorzaak van Geboorte in het Reine Land. De ik-loosheid, beleefd op het moment van shinjin, treedt terug op, precies op het ogenblik van het sterven. Zo wordt bij het uiteenvallen van de bestaansstructuren (skandha), de Verlichting, de Leedloosheid, het nirvāna bereikt.

Maar buiten dit eerste effect waardoor de dood nu gelijk komt te staan aan de verwezenlijking van het uiteindelijke nirvāna, is er ook het direct voelbare effect dat zich in het gewone, dagelijkse leven manifesteert.

Diep in zich wint de gelovige (nu meer dan ooit gaat deze term in zijn volste rijpheid op!) een sfeer van vreugdige gelijkmoedigheid, die hem toelaat de dingen van het bestaan met een geruster gemoed te overzien. Lijden, vrees, ontgoocheling, pijn worden hem niet bespaard. Evenmin kan hij zich losmaken uit de boeien van onwetendheid, van driften en van de diverse gevoelens van hechting of haat: ze blijven hem omstrengelen als zoveel gevolgen van vroegere karmische gebeurtenissen.

Toch kan de gelovige zich nu beter zien in Amida’s licht. In goede of in slechte levenssituaties, heeft hij nu het allesdoortintelende besef dat het zwaarste van de strijd gestreden is, dat “de bouwer van het huis gezien is” (Dhammapadam 154). Daaruit groeit nog zijn dankbaarheid ten opzichte van de Boeddha van het Oneindige Leven en van het Oneindige Licht, die we ook wel de Boeddha van de Onbegrensde Liefde zouden kunnen noemen.

De gelovige weet dat zijn lijden het resultaat is van vroegere karmische vormingen die in de illusie van een “ik” wortelden. Hij weet nu ook dat hij, dank zij het inhaken op de Mededogende Gelofte-Kracht van de Boeddha, geen karmische vormingen meer verwekt. Dat hij zó noch voor zichzelf noch voor andere wezens geen bronnen van later kwaad meer schept.

Aan dit besef dat nu buiten alle twijfel staat, geeft de gelovige uiting door het uitspreken van de onzegbare Naam Namu Amida Butsu.

Wanneer ik de oceaan van de grote overgave beschouw, zie ik dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen de adel en het gewone volk, tussen priester en leek, noch is er onderscheid tussen man en vrouw of tussen oud en jong

De hoeveelheid begane zonden speelt geen rol, - en de duur van de religieuze praktijk wordt niet gemeten.

Er is daar geen kwestie meer van goede werken, van “plots” of “geleidelijk”, van meditatie of geen-meditatie, van juiste meditatie of van verkeerde meditatie, van contemplatie of geen contemplatie, noch van “tijdens het leven” of van “op het einde van het leven”, noch van “veel reciteren” of van “één enkele gedachte”.

De diepe overgave is niet te omschrijven, niet uit te drukken, niet te verwoorden… Het geneesmiddel van de Gelofte van de Verhevene vernietigt alle vergiften van menselijk weten en niet-weten.

(Shinran Shōnin Kyō Gyō Shin Shō III,51)

Ekō 9

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home