Hoe De Boeddha Het Zag - I

Het is niet met stilletjes naar het kabbelen van de zee te zitten staren dat men kapitein ter lange vaart wordt. Men kan onmogelijk leren zwemmen zonder in het water te komen.

Het is niet met een medische encyclopedie te doorbladeren dat men van zijn ziekte geneest.

En zo is het ook met de lering van de Boeddha. Beslist, het is wel fijn ernaar te luisteren, erover te lezen. In zichzelf te zeggen: “Wat reuze toch, dat Boeddhisme!”. De volle diepgang mist men. Want die kan men enkel ervaren door de volgehouden poging die lering, die op zichzelf al moeilijk om te begrijpen is, dan ook nog om te zetten in het dagelijkse doen en laten.

Wie het onderricht, dat de Boeddha aan zijn volgelingen nagelaten heeft, ècht wil kennen, die doet er van in den beginne goed aan zich voor ogen te houden dat het niet volstaat er letters over te lezen en liefst zowat ervan in zijn geheugen vast te drukken, maar dat het van énig groot belang is dit onderricht op te nemen in zijn innerste gedachten- en gevoelswereld.

De ware inhoud van het Boeddhisme is niet intellectueel. Men heeft natuurlijk dat intellect nodig om in Boeddha’s Leer binnen te dringen. Het is trouwens op het eerste gezicht bevreemdend genoeg. En in het beste geval treedt het intellect dan op als een sleutel. Maar dan ook weer niets meer dan gewoon een sleutel. En doordat heel wat mensen al voldaan zijn zodra ze hun intellectuele honger gestild hebben, blijft dieper begrijpen van het Boeddhisme voor hen dan ook onvermijdelijk uit.

De leer van de Boeddha kan enkel doorgrond worden uit de eigen beleving ervan. Dat staat als een reuzepaal boven het water. Opvallend b.v. is te bedenken hoe grote filologen, die Sanskriet, Tibetaans en Chinees kennen, die honderden Boeddhistische teksten gelezen en vergeleken hebben, het eigenlijk niet verder hebben gebracht in hun discussies dan de rol van de locatief in de zesde eeuw of de evolutie van de term ta-sheng… Waarbij ze dan volkomen vreemd zijn gebleven aan de ware inhoud van al wat het Boeddhisme voortgebracht heeft: de boodschap die de mens de weg uit zijn lijdenswereld wijst.

Opmerkelijk is hierbij dan ook dat vaak wetenschapsmensen die niets met oosterse filologie te maken hebben, wèl belangstelling voor het hart van het Boeddhisme betonen.

Om het Boeddhisme langs zijn “binnenkant” te vatten, is er geen betere methode dan het leven van zijn stichter te bekijken.

Het leven van de Boeddha is al in velerlei boeken beschreven; er werden romans over gemaakt, films over gedraaid; bijna had Richard Wagner er een opera over geschreven. We willen hier dat allemaal niet herhalen; wel willen we enkele markante feiten van zijn religieuze evolutie eventjes belichten.

Vandaar onze vraag:

Hoe Werd Prins Siddharta Een Boeddha?

Die vraag is van belang wanneer we erbij voor ogen houden dat de eigenlijke bedoeling van het Boeddhisme is: van elk mens een Boeddha (= een Verlichte!) te maken.

*           *           *

Elk jaar vieren de Boeddhisten (sommige op de eerste volle maan van mei, andere op 8 december, maar dat datumverschil speelt op zichzelf helemaal geen rol) een voor hen zeer belangrijke gebeurtenis: Bodhi-Dag, Verlichtingsdag, de dag waarop Prins Siddharta Gautama, van het Noordindische geslacht van de Shakya’s, de Uiteindelijke Verlichting verwierf. Vanaf die dag staat hij, ook bij ons in het Westen, bekend als de “Boeddha”.

Dat woord Boeddha is dus geen eigennaam, maar een soort van eretitel die “Verlichte” betekent.

Een jongeman die jarenlang medicijnen gestudeerd heeft, daarin een heleboel kennis en kundigheden heeft opgedaan en daarbij in zijn laatste, beslissende examen geslaagd is, die verwerft ook een titel “dokter”. Die titel geeft de mensen een waarborg dat onze jongeman kan instaan voor het lenigen van lichamelijke pijnen.

Elk van ons kent voldoende voorbeelden van dergelijke titels. Soms helaas dekken ze helemaal niet de lading die men verwacht...

Maar “Boeddha” houdt nog meer in dan enkel een eretitel. Dat zullen we gaandeweg steeds duidelijker aanvoelen.

Er zijn weinig mensen op de wereld gekomen die zo’n grote geestelijke invloed hebben uitgeoefend op de volgende generaties als de Boeddha. Deze invloed heeft zich steeds en overal ten goede ontwikkeld. In naam van het Boeddhisme is er nooit oorlog gevoerd geworden, zelfs geen godsdienstoorlog. Niemand is ooit vervolgd, verdrukt of miszien geworden omdat hij geen Boeddhist was of geen goed Boeddhist zou geweest zijn. Het Boeddhisme, dat nooit uitgegroeid is tot een politiek stelsel, heeft steeds aan de kant van de ongelukkigsten gestaan, zonder enige staatskundige ambities te koesteren.

Gelet op de karakteristieken van die aanwezigheid van het Boeddhisme in het wereldgebeuren, is het toch wel goed iets meer te weten over bepaalde aspecten van Siddharta Gautama’s leven. Maar daarbij stuiten we op talrijke mythische en legendarische verhalen, ontsproten uit het fantasievolle brein van de Indiërs. Zonder die verhalen eigenlijk letterlijk te geloven, moeten we ze ook zo maar niet afwijzen. Er zit vaak, omhuld in fiorituren en opgezwollen bewondering, een diepe levenservaring in, meestal gehuld in een symboliek waarvan de ontraadseling ons zal helpen de ware inhoud van het Boeddhisme, over alle verhalen heen, te benaderen.

Er zijn geen geschiedschrijvers meer die twijfelen aan het historische bestaan van de Boeddha, hoewel er toch geen directe historische bronnen voor bestaan. De Indische mentaliteit is nooit heel erg historisch-gezind geweest en met datums werd (en wordt er nog) vaak zorgeloos omgesprongen. Toch is het gelukt met vergelijkingen, recoupages en andere elementen uit te maken dat Siddharta Gautama wel degelijk als mens op aarde geleefd heeft. Bovendien is het immers niet de taak van de historici uit te maken of hij de geestelijke hoogtepunten van het Boeddhaschap inderdaad bereikt heeft.

Wat in de oudste geschriften over zijn leven verteld wordt, is meestal toch omringd van een bijzondere aura. Er zijn daarbij mythische gegevens mee in verwerkt, maar juist het zeer eigen karakter van deze mythische gegevens is als een getuigenis van de spirituele invloed die hij op zijn tijdgenoten, medemensen en volgelingen, uitgeoefend heeft. Het onderricht, zoals dat verschijnt in de hem toegeschreven leerredenen, geeft ons bovendien een duidelijk beeld van zijn geestelijk inzicht en van zijn spirituele gestalte.

Zo kennen we uit zijn jeugd twee feiten die markerend zullen zijn voor de hele evolutie van het latere Boeddhisme.

Zo wordt o.m. verhaald dat, toen de prins zeven jaar was (een gevoelige en voor de meeste kinderen ook meestal beslissende leeftijd!) hij lessen kreeg in letter- en krijgskunde, een normaal onderwijs voor een zoon in een aristocratisch geslacht. Maar vaak dwaalden de gedachten van de kleine prins naar andere zaken af. Op een fraaie lentedag, terwijl hij samen met zijn vader buiten het kasteel aan het wandelen was, keek hij aandachtig zoals een jongen dat kan, naar een boer die zijn veld aan omploegen was. De prins bemerkte een vogel die laag over de omgewoelde grond vloog en er een worm oppikte die door het ploegijzer naar boven gewerkt was. De prins, die heel jong zijn moeder verloren had, werd diep getroffen door het lot van beide wezens worm èn vogel. Hij ging, in de schaduw van een boom zitten peinzen en fluisterde tot zichzelf: “Ach! Moeten zo alle wezens elkaar doden?”

Een ander verhaal gaat over de “Vier Ontmoetingen”.

Zo ontmoette de prins een oude man, moeizaam voortstrompelend geleund op een wankele stok. Hier leerde hij dat iedereen, met het verlopen van dagen en jaren, zijn jeugd ziet vervliegen, zijn krachten voelt vergaan en de onvermijdelijke aftakeling tegemoet gaat.

Wat later ontmoette Siddharta een ziek man en hij leerde hoe de ziekte oud en jong kan neerslaan. Dan ontmoette hij een begrafenisstoet en ontdekte hij dat elk van ons gedoemd is om te sterven, de ene vroeg, de andere laat, maar telkens onverwachts.

Als de prins dan overwoog hoe er rondom hem gelachen en gezongen werd, terwijl overal die bedreigingen van ouderdom, ziekte en dood aanwezig zijn, bleef zijn denken haperen aan dat mysterie van de menselijke conditie. Hoe toch konden de mensen zich hechten aan eer, bezit, liefde, genieting en macht, als die op elk ogenblik tot lijden, angst en stof konden vergaan?

En daarbij ervoer hij dat het probleem van het lijden wel het grootste probleem van de mens is en dat alle verweermiddelen die de mens tegen dat lijden gebruikt zinloos en ondoeltreffend zijn.

(Wordt vervolgd)

Ekō 9
Hoe de Boeddha Het Zag

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home