Amida En Wij

Rev. Jack Austin

De traditie wil dat Shakyamuni Buddha wel 84 000 verschillende leringen verkondigde enkel maar om DE Leer in het bereik te brengen van de talrijke verschillende mensentypes en karakters. Vaak worden ze onderverdeeld in twee grote categorieën van interpretaties, die men aanduidt als Theravada en Mahayana. Vanuit het Shin-standpunt is er evenwel een preciezere verdeling mogelijk: aan de ene kant de “zelf-kracht” (jiriki) en aan de andere kant de “ander-kracht” (tariki) die twee verschillende manieren van benadering van de Dharma weergeven. De eerste interpretatie is gebaseerd op de eigen inspanningen van de volgeling, terwijl de andere interpretatie gefundeerd is op de inhoud van Amida’s Geloften.

In de grote Sukhavati Vyuha Sutra luidt de 18de Gelofte, die men de belangrijkste, de “Oorspronkelijke Gelofte” noemt, als volgt:

“Indien, na mijn verwerven van het Boeddhaschap, alle wezens in de tien richtingen die, met oprecht gemoed en volle vertrouwen verlangen in mijn Land geboren te worden, mijn naam ook maar tienmaal herhalend, er niet geboren worden, moge ik dan de Uiteindelijke Verlichting niet deelachtig worden.”

Deze Gelofte, evenals de andere afgelegd als Bhikshu Dharmakara en volgeling van de voortijdse Boeddha Lokesvararaja, werd afgelegd in volkomen overeenstemming met het Mahayana-ideaal van volmaaktbaarheid voor het welzijn van alle wezens. Wanneer de gelofteafleggende Bhikshu dan Amida Buddha geworden was, in de “tijdloze tijd toen alles van eeuwige waarde” geschiedde, maakte hij het verwezenlijken van de verlichting mogelijk voor alle wezens die zijn hulp zouden aanvaarden.

Door een vreemde kronkel in de menselijke geest, is het vaak heel wat moeilijker een hulp te aanvaarden dan aan anderen hulp te bieden. Dat brengt met zich mee dat we heel wat liever zelf doen. Nu zijn er beslist wel uitzonderlijke wezens die succesvol het z.g. “zelf-krachtpad” kunnen vervullen, maar die begaafden zijn erg zeldzaam en ver te zoeken, zeker als we diep in eigen hart gaan kijken. In zijn Essence of Buddhism schreef D. T. Suzuki: “De fundamentele bedoeling van het Boeddhisme is verder te gaan dan deze wereld van tegengestelden, een wereld die opgebouwd wordt door ons intellectueel verlangen tot onderscheid en door onze emotionele bezoedelingen, en een spirituele wereld van niet-onderscheid te verwezenlijken, wat mede inhoudt dat een absoluut standpunt moet behaald worden.” Dat is dan ook beslist een reusachtig doel, maar ook wat een reusachtige taak!

Trouwens, in de Lankavatara Sutra, een tekst die in Zen-middens fel bestudeerd wordt, worden we duidelijk verwittigd: “Woorden zijn niet de hoogste realiteit, noch is wat in woorden uitgedrukt wordt, de hoogste realiteit. Waarom? Omdat de hoogste realiteit een verheven toestand van zaligheid is, waarin men niet kan treden door te zeggen wat het is, want woorden zijn de hoogste realiteit niet. Mahamati, de hoogste realiteit kan enkel bereikt worden door de innerlijke verwezenlijking van de edele wijsheid.”

Wanneer we willen voortgaan op de “zelf-kracht”, dienen we ons in de eerste plaats af te vragen wat dat “zelf” dan wel is. Shakyamuni Buddha leerde dat we opgebouwd zijn uit vijf bundelingen (skandha): lichamelijkheid, gewaarwordingen, waarnemingen, reacties, wilsneigingen en bewustzijn. Al deze wezenscomponenten zijn voortdurend onderhevig aan een stroom van veranderingen. Alle samengenomen kunnen ze bezwaarlijk in aanmerking genomen worden als een stabiele basis waarop men steunen kan om de ontzaglijk grote en moeilijke taak waar Suzuki op zinspeelt, te volbrengen. De “zelf-kracht”-methode om het heil te verwezenlijken is jiriki en wordt ook wel shodomon, de “Weg der Wijzen” geheten. Zelfs in deze methode is het meeste dat we kunnen doen, werken om de omstandigheden en voorwaarden te scheppen waarin de Verlichting zich kan manifesteren.

Indien we echt bij machte waren iets uit eigen kracht te doen, de verlichting te scheppen, dan zou het toch nog steeds beperkt blijven tot één of andere toestand binnen het bereik van oorzaak en gevolg en dat is dan ook niet de meest sublieme toestand. In laatste instantie, moeten we onszelf aan de Verlichting overleveren, aan de Verlichting de mogelijkheid geven ons over te nemen, maar dat is nu juist iets waartegen onze menselijke geest uit trots revolteert. In feite is het zo dat jiriki vroeg of laat toch tariki moet worden indien we willen gaan naar de volmaakte hoogste verlichting. Er is geen andere weg, onze trots ten spijt: het “zelf” dient te verdwijnen in plaats van prat te gaan op “eigen” verwezenlijkingen.

Trots op onze eigen verwezenlijkingen is de grootste spirituele hindernis, want niet enkel blaast hij ons beperkte ik nog wat meer op, maar belet hij ook verlichting die enkel verwezenlijkbaar is door het verdwijnen van die trots en van elke ik-gedachte. “Amida zal zijn helpende armen enkel uitstrekken wanneer we tot het besef komen dat onze zelf-kracht van geen tel is” (D.T. Suzuki in Shin Buddhism). Maar, zoals op de volgende bladzijde geschreven staat: “Vertrouwen op zelf-kracht is trots, en zo’n trots is erg moeilijk uit te roeien, vermits hij toch niets anders Is dan geloof in zelf-kracht”.

De ‘nuchtere’, historisch-gerichte Westerling kan natuurlijk wèl de opwerping maken dat héél die geschiedenis van Amida en zijn Reine Land slechts een mythe is. Maar hoe vaak is het niet dat het juist in mythen en poëzie, in beeldrijke en verbeeldingsvolle verhalen is dat de grootste waarheden schuilgaan, als in kostbare schrijnen. We moeten immers veel verder gaan dan ons intellect, willen we de waarheid benaderen. We moeten ook verder gaan dan het vastkleven aan eigen opvattingen, willen we de boeien van oorzaak-en-gevolg doorbreken.

Laten we opnieuw D. T. Suzuki (de man die zijn leven lang Zen en Shin in familieverband, scholing, denken en schrijven verbonden heeft) citeren: “Mythen, legendes en traditie - en allicht is traditie hier niet een juiste term - en dichterlijke verbeelding zijn in feite heel wat meer reëel dan al wat we historische feiten noemen… Die Amida-geschiedenis bevat heel wat meer objectieve en spirituele realiteit dan één of andere historische gebeurtenis; en Amida heeft een betere metafysische fundering dan gelijk welk historisch feit dat we ‘objectief’ noemen. Amida, waarlijk, die is niets anders dan wijzelf - en dat is dan ook de reden waarom we het verhaal van Amida zo vlot kunnen aanvaarden…”

Terwijl wij Boeddhisten zo graag lipdienst bewijzen aan de Boeddhistische doctrine van anattā (Sanskriet anātman, niet-zelf), besteden we liefst het beste van onze tijd aan het verstevigen van elke ik-gedachte. We kruipen voor de gevolgtrekkingen uit deze doctrine weg en zoeken toevlucht en uitvlucht in allerlei ‘praktijken’ die ons intellect best liggen en bovendien in de lijn van onze egocentrische instincten liggen. Maar in werkelijkheid kan enkel het verwerpen van al onze kleine afzonderlijke zelfjes ons de bevrijding schenken waarnaar we beweren te streven. In Dhammapada wordt het als volgt uitgedrukt: “Het is niet door studie noch door beschouwen, noch door meditatie noch door het leiden van een leven in eenzaamheid, dat men de bevrijding bekomt. Enkel de vernietiging van begeerte schenkt de vreugde van de bevrijding”. We kunnen ons afkeren van blijkbare hindernissen en we kunnen ermee ophouden onze eigen opvattingen in de watten te leggen. Vermits we allemaal vertrekken vanuit verschillende situaties en verschillende ontwikkelingsstadia, moeten er ook verschillende wegen zijn om de waarheid te benaderen.

Er zijn mensen die beslist vorderingen boeken langs het jiriki-pad, maar dat zijn toch wel uitzonderingen, dan wanneer de weg van tariki (ook wel Jodomon, het “Pad van het Boeddha-Land” genoemd) voor iedereen open staat, zoals duidelijk uitgedrukt wordt in de Oorspronkelijke Gelofte. Vanzelfsprekend is er voor beide wegen moed vereist, want moed is een eerste noodzaak willen we iets in ons leven veranderen, iemand die aan het verdrinken is, weert zich meestal tegen degene die hem komt redden. Maar de drenkeling die ontspannen kan zijn, zich ook kan overlaten aan de ervaren zwemmer die de stromingen (en ook de onder-stromingen) kent en die hem dan ook zal redden.

In een bekend en populair Shin-boek, de Tannisho, lezen we: “Stelt men zijn vertrouwen in de Oorspronkelijke Gelofte, dan zijn geen daden van moraliteit meer vereist, want er is geen enkele zedelijke handeling die de Nembutsu (de “Naam van de Boeddha”) overtreft; noch moet men voor het kwade bevreesd zijn, want er bestaat geen kwaad dat machtig genoeg is om de werking van Amida’s Oorspronkelijke Gelofte te dwarsbomen”.

We moeten er steeds aan blijven denken dat samsara ook nirvana is wanneer het gezien wordt vanuit het standpunt van de Boeddha en dat het onze beperkte visie is die ons belet dit feit in te zien. Onze broeder die van ellende omkomt in een Zuidoostaziatisch dorp niet van ons afgescheiden is, noch is de Boeddha zelf ergens anders. “Deze betrekkelijke wereld waarin we weten dat we leven, en de meer werkelijke wereld die erachter ligt, vormen een volledig sluitend en onverdeeld geheel, en de éne is in feite niet meer reëel dan de andere”, zegt D. T. Suzuki in zijn Essence of Buddhism. Zelfs voor de doodgewone burger, of hij religieus ingesteld is of niet, moet deze wereld gezien worden als een onderling verbonden reeks van provincies eerder dan als een verzameling afzonderlijke landen en continenten. Van dit netwerk, maken ook de werkelijkheden van the Dharma een onderdeel uit.

Geen enkele religieuze organisatie kan aanspraak maken op een monopolie van de waarheid. Geen enkele groepering heeft een ‘patent’ op Amida Buddha, de Boeddha van het eindeloze Licht (Amitabha) en van het oneindige Leven (Amitayus).

Shinran Shonin, die zowat 800 jaar geleden, de waarheden van de Drie Sutra’s herformuleerde, heeft er nooit aanspraak op gemaakt een school, sekte of dynastie te hebben opgericht; hij weigerde zelfs te aanvaarden dat hij discipels had. Sekten of tempels, monniken of priesters, wijzen en dwazen,”heilige” plaatsen en talrijke van ratten verpeste krochten, zijn evenveel schuilplaatsen voor de aanwezigheid van Amida Buddha. Of de mensen nu Amida’s Leer aanhangen of bekampen, zijn Waarheid huldigen of bespotten, dat verandert niets aan het feit dat zijn Licht overal uitstraalt, juist zoals de wet van het karma werkzaam blijft of de mensen er nu in “geloven” of niet.

Het is uit een gevoel van dankbaarheid voor de verzekering van bevrijding uit de boeien van het karma, voor de zekerheid van intrede in Amida’s Boeddha-Land, dat we de Nembutsu (in het Japans Namu Amida Butsu: Ere zij Boeddha Amida) uitspreken. Zo bereiken we de toestand van niet-terugkeer (in het Pāli anāgāmin) buiten het bereik van de karmische noodzakelijkheden. Weliswaar kunnen we dan uit eigen wil terugkeren (genso eko) om anderen te helpen, maar dat is dan weer een andere geschiedenis waarover we het nu niet zullen hebben. We hebben nu nog genoeg ongunstig karma uit te werken, we hebben beslist nog ontgoochelingen en mislukking te incasseren, maar wèl weten we dat we het Boeddhaschap zullen verwerven als we de Oorspronkelijke Gelofte in ons diepste wezen kunnen aan vaarden.

Het “werkelijke, oprechte en ware hart-en-geest” van de Boeddha wordt dan ook het onze. Deze ervaring, die we SHINJIN noemen, vormt de centrale kern van het Shin-Boeddhisme. Zijn oorsprong, zijn wezen, zijn werking en zijn volbrenging berusten in Amida Boeddha. Het is dergelijke zekerheid die de mens van ware overgave de moed geeft boven schijnbaar onoverkomelijke hindernissen uit te stijgen.

Het is onverschillig of we conventioneel “goed” of “slecht” zijn, oud of jong, rijk of arm, gehuwd of vrijgezel, we kunnen allen de roepstem van Amida horen en beantwoorden. Is het dan zo verbazend dat de grote meerderheid van de Boeddhisten in het Verre Oosten het Jodomon-pad verkiezen?

Mogen we dergelijke mogelijkheid zo maar verwaarlozen?

Namo Amida Buddha.

Ekō 10

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home