Hoe De Boeddha Het Zag - II

De vierde van de beslissende ontmoetingen die Prins Siddharta deed, was die van een bedelmonnik, zoals er te allen tijde in Indië rondgezworven hebben. Op de vraag wie en wat hij was, liet de bedelmonnik verstaan dat hij, opgeschrikt door het lijdensbestaan waarin leven en dood zo nauw op elkaar volgen, besloten had de wereldse geneugten vaarwel te zeggen met de bedoeling een uitweg uit deze smartelijke toestand te ontdekken.

In Prins Siddharta’s geest ging een nieuwe wereld open. In het ascetisme zoals die bedelmonnik het beoefende, zag hij eveneens de mogelijke oplossing voor zijn eigen innerlijke conflicten. En op een nacht, zo zegt ons het verhaal, verliet hij vrouw en kind, kasteel, geslacht en rijkdom, enkel vergezeld door zijn trouwe wagenmenner en vertrouweling Channa en zijn wit paard Kanthaka. Gekomen aan de grens van het kleine rijk van zijn vader, legde de Prins zijn kostbare gewaden af, trok de monnikenpij aan, sneed met zijn zwaard zijn hoofdhaar af en stak alleen de grensrivier over.

Om te beginnen ging hij in de leer bij verschillende beroemde wijzen en asceten. Na een tijdlang hun meditatiemethodes beoefend te hebben, kwam hij tot de overtuiging dat deze niet beantwoordden aan het doel dat hij zich gesteld had en dat ze hem toch niet zouden leiden naar de uiteindelijke verlichting die de oplossing van het lijdensprobleem betekende.

Daarop trok hij dan de eenzaamheid in, om door uiterst ascetische praktijken het geestelijke inzicht te verwerven. Zijn ascetisme was zo streng dat hij scharen van bewonderaars en volgelingen tot zich trok. Het moet rond deze tijd geweest zijn dat hij zijn toenaam Shakyamuni, de ‘Wijze der Shakya’s’, kreeg.

Om aan die vervelende schare bewonderaars te ontkomen, trok hij steeds dieper het woud in, met slechts vijf volgelingen die hem niet wilden lossen. Hoe streng de praktijken ook waren, toch slaagde Shakyamuni er maar niet in de gewenste resultaten te behalen. Na zes jaar van dit leven, was hij zo verzwakt dat sommige mensen die hem eens in het oerwoud kwamen opzoeken, hem bewegingsloos op de grond vonden en meenden dat hij van ontbering omgekomen was.

Maar terug bij zinnen gekomen, besloot Shakyamuni heel dat nutteloze ascetische gedoe op te geven, vermits het hem toch geen stap dichter bij de waarheid over het lijden gebracht had. Hij kwam daar tot de overtuiging dat eenvoudige leefgewoontes veel beter dan honger, pijn, dorst, hitte en kou, de mens kunnen voorbereiden op de verlichting.

Hij nam een bad in de rivier, deed schone kleren om en aanvaardde een schaal in melk gekookte rijst die Sujata, een meisje uit een dorp in de nabijheid, hem aangeboden had.

Maar de vijf gezellen die zes jaar lang met hem meegegaan waren en zijn ascetisme bewonderd hadden, waren nu geschandaliseerd dat hij een voedzame maaltijd (en dan nog uit de handen van een jonge vrouw!), aangenomen had. Hij daalde meteen in hun achting en misprijzend lieten ze hem aan zijn verder lot over.

Zo bleef Prins Siddharta nu alleen met zijn besluit.

Het werd een harde strijd!

Wanhoop, twijfel, de verleiding alles meteen maar op te geven, terug te keren naar het met volle teugen genieten van het leven… Donkere schaduwen gingen over zijn gemoed hangen. Uit de hel die in elk van ons woelt, rezen verlokkingen en verzuchtingen. In de legendarische verhalen leest men hoe Mara, de god van het rijk der zinnelijke begeertes, zijn legerscharen tegen de Prins opjoeg, hoe hij zijn eigen dochters in dans en wulpsheid inschakelde om de toekomstige Boeddha toch maar aan het wankelen te brengen.

Maar stap voor stap, voorzichtig, volhardend, geduldig onderzocht Shakyamuni al zijn gewaarwordingen en gedachten. Eén voor één verwierp hij ze, tot de uiteindelijk overwonnen Mara met een luide kreet weer zijn hemelrijk invluchtte.

En toen in het oosten de ochtendster opkwam, was de strijd gewonnen.

Toen sprak de Verlichte zijn zegewoorden uit:

“De kringloop der vele geboorten
ben ik doorgetrokken zonder hem te vinden,
de huizenbouwer die ik zocht.
Leed is steeds weer nieuwe geboorte!
Maar, huizenbouwer, nu zijt gij gezien!
Gij zult opnieuw geen huis meer bouwen.
Al uw dakspanten zijn gebroken,
vernield is uw stutpaal.
Heengegaan ter ontbinding is de geest.
Ik heb het einde der begeertes bereikt.”

(Dhammapadam 153-154)

De vraag stelt zich nu voor ons: welk was de inhoud van deze Verlichting?

De totaliteit ervan ligt blijkbaar buiten ons menselijk begripsvermogen. Zoniet zou die Verlichting niet zo moeilijk te verwerven zijn. Toch kunnen we uit de lering van de Boeddha punten kiezen die in de taal van ons relatieve menselijke denken kunnen omgezet worden.

Zo weet men dat de Boeddha die nacht de ware aard van het bestaan heeft doorgrond: hoe lijden door onwetendheid en uit hechting ontstaat, - en hoe het lijden kan overwonnen worden.

Toen moet ook in Boeddha’s geest de gedachte opgekomen zijn hoe hopeloos het toch is anderen, die de wonderlijke beleving van de Verlichting niet ervaren hebben, deze moeilijke wijsheid bij te brengen, die anderen te leiden en te begeleiden naar deze Waarheid, dan wanneer de mensen eigenlijk toch liever gebonden blijven aan hun ouwe vertrouwde denk- en leefgewoontes.

Maar de Wijsheid van de Boeddha, die is ook zijn oneindig groot Mededogen voor alle wezens. En daardoor besloot de Boeddha de spirituele ervaring die hij beleefd had, die hij doorleefd had, naar de mensheid uit te dragen.

Eerst zocht hij de vijf asceten op die hem in de steek gelaten hadden. Toen deze hem zagen, spraken ze af hem te vermijden, hem niet te groeten, niet naar hem te luisteren. Maar toen de Boeddha naderbij was gekomen, straalde er van hem zo’n verheven glans uit, dat hun kwade bedoelingen wegsmolten, dat ze opstonden en voor hem eerbiedig bogen.

En het is voor deze ondankbaren, deze hooghartigen, deze mismoedigen dat de Boeddha zijn eerste sermoen hield, waarin hij de bevindingen van zijn Verlichtingsnacht samenvatte (zie Ekō 8 voor de tekst van deze eerste prediking). En de vijf weigerachtige asceten werden zijn volgelingen.

Van dan af trok de Boeddha het land door, overal zijn lering verspreidend. Als dorstigen naar drank en als hongerigen naar voedsel, zo kwamen de mensen tot hem. Vijfenveertig jaar lang bleef de Boeddha van stad naar dorp trekken, predikend, pratend, ondervragend, belangstellend.

Zoals we zagen, was de Boeddha niet van Brahmaanse afkomst, maar kwam hij uit een adellijk krijgersgeslacht. Wellicht geeft dit een verklaring voor het feit dat hij nooit zijn leer beperkt hield tot een kleine elitaire groep, maar zijn Dharma verkondigde aan al wie ernaar luisteren wou: koningen of paria’s, boeren en handelaars, kinderen en vrouwen, wijzen en ongeletterden, nergens onderscheid makend naar kaste, bezit, gedragingen.

Zijn methodes getuigen van een zeldzaam begrip voor de mens, van vriendelijkheid en van gezond verstand. Hij zette niemand ooit aan zonder een degelijke voorbereiding zijn lering te volgen. Als leefregel, prees hij de gulden middenweg: geen toegeven aan lusten en lustjes, maar ook niet vervallen in verdorrend ascetisme.

Opvallend is ook dat de Boeddha steeds stelling genomen heeft tegen het verrichten van mirakels en wonderfeiten (ofschoon de volksdevotie niet nagelaten heeft zijn biografie hiermee flink op te smukken!). Tevens raadde hij af zich bezig te houden met bepaalde problemen die zonder werkelijk belang zijn voor het verwezenlijken van het heil. Evenzeer was hij tegen ijdel gepraat en polemieken.

(wordt vervolgd.)

Ekō 10
Hoe De Boeddha Het Zag

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home