Hoe De Boeddha Het Zag - III

Waarom zouden we naar Verlichting streven?

Toen Prins Siddharta het Boeddhaschap verwierf, werden alle dingen In deze wereld hem meteen duidelijk: het lijden, het ontstaan van het lijden en de manier om aan dit lijden een definitief einde te stellen.

Meteen echter besefte hij ook dat hij allicht niet de eerste noch de enige kon geweest zijn die ooit een “Boeddha” (= Verlichte) werd. Hij ervoer dat er blijkbaar vóór hem nog andere “Verlichten” geweest waren en dat het dan ook zeer waarschijnlijk is dat er in de toekomst (… of zelfs in het heden?) weer andere Boeddha’s in de wereld zouden verschijnen.

In deze zin begreep hij ook dat het Boeddha-worden niet beperkt blijft tot één enkel a.h.w. uitverkoren wezen, maar dat het in feite mogelijk moet zijn voor iedereen die in diepe overgave de lering van de Boeddha ontvangt, in zich opneemt, in zijn dagelijkse bestaan beleeft en aldus de Verlichting in daden, woorden en gedachten verwerkelijkt.

Waarschijnlijk is het met deze gedachte vóór ogen dat Gautama de Boeddha ertoe overging wat hij ontdekt had, aan anderen mede te delen, hoewel hij er zich degelijk van bewust was dat deze “materie” voor de meeste stervelingen bijzonder moeilijk te begrijpen is. Maar het mededelen van zijn Verlichtingservaring aan anderen, zou dezen eventueel kunnen helpen in hun hunkeren naar Verlichting en Volmaakte Vrede.

We hebben gezien hoe Prins Siddharta, als opgroeiend kind, als jongeling, als jonge man verontrust werd door overtalrijke gedachten en gevoelens die niet direct betrokken waren bij zijn eigen persoonlijk bestaan, maar die terugsloegen op de bestaansvoorwaarden van alle wezens.

Nu is het in zekere zin zo, dat elk van ons in zijn jonge jaren dergelijke bekommernissen gekoesterd heeft. We hebben ons rijkelijk zorgen gemaakt over het lijden rondom ons, over ziekte en leed, dood en verval, angst en obsessies.

Heel jong nog hebben we ons misschien afgevraagd waarom Grootvader, die lieve, in onze ogen onberispelijke man, na zoveel pijnen gestorven is. We hebben ons ook afgevraagd waarom sommige mensen zo lief voor ons waren, terwijl anderen zich gemeen en kwaadaardig gedroegen. En misschien hebben we ons zelfs afgevraagd waarom ook wij, op onze beurt, toch ook vaak gemeen en kwaadaardig tegenover anderen opgetreden zijn?

Als volwassenen maken we ons meer dan eens van dergelijke vragen af door ze te bestempelen als een soort jeugdziekte. Maar de jeugd - of liever: een bepaald, bewuster deel van de jeugd - zolang ze nog niet betrokken is bij de wereldse processen van geldverdienen, ambten bekleden, achting winnen bij de medeburgers, die jeugd beseft overduidelijk dat de wereld beheerst wordt door onrecht en onrechtvaardigheid, dat bezitsdrang en machtswellust de menselijke maatschappij conditioneren. Later, als de “jaren van wijsheld” gekomen zijn, worden deze edele gevoelens onder de druk van het leven afgestompt…

Toch blijven sommige mensen, vaak marginalen of als marginalen bestempeld, zich ook in hun volwassen jaren vragen stellen over geluk en ongeluk, over goedheid en rechtvaardigheid zonder daarbij hun allerpersoonlijkste aangelegenheden te betrekken en grote woorden te gebruiken om een zelfzuchtige lading te vergoelijken.

Daarbij hebben we ook kunnen vaststellen hoe gelukkig wij ons toch voelen als we iets krijgen dat we graag hebben of wanneer er iets gebeurt dat we gewenst hebben. Maar daarbij moeten we meteen toegeven dat de meeste van onze wensen en verlangens eigenlijk op sissers uitgelopen zijn…

Na enkele ogenblikken van euforie, bleek dat “grote geluk” al maar verderaf te liggen, vlak buiten het bereik van onze handen weg te vluchten, als de vruchten van Tantalus.

Het beetje vluchtig plezier dat we gevoeld hebben, is ons maar heel kort bijgebleven. Bewust of onbewust zijn we dan op een zeker ogenblik begonnen aan te voelen dat er toch iets aan dit leven (ons leven!) wreed en un-fair is…

Prins Siddharta, die blijvend vreugde en vrede vond als resultaat van zijn Volkomen Verlichting, heeft ons als Boeddha geleerd dat het leven ook volmaakt gelukkig kan zijn. En onvermijdelijk rijzen hierdoor nieuwe vragen vóór ons op.

Wat toch heeft die gewezen prins, in dat Indië van de zesde eeuw vóór onze tijdrekening, ontdekt waardoor hij als het ware met één slag is gaan beseffen dat ditzelfde leven dat wij als lijden ervaren, ook volmaakt en vredevol kan zijn?

Kan het leven dan echt zo maar plots van zin veranderen dat het lijden in geluk omslaat en dat geluk dan zijn enig merkteken is?

Houden, in zo’n geluksleven, de mensen op oud te worden, ziek te zijn, te sterven?

Houden de vogels dan meteen op wormen te eten en aan hun jong te voeren? Worden diezelfde vogels dan niet meer door roofdieren (ook al is het onze allerliefste poes!) besprongen? Wordt in de natuur dan alles opeens braaf, geweldloos, veilig, harmonisch - in de zin die wij mensen in onze ijle dagdromen aan ons begrip “harmonie” geven?

NEEN.

Het is zeker niet op deze wijze dat we de Verlichting dienen op te vatten. Het lijden, dat zowel wij als Prins Siddharta en alle wezens ervaren en ondergaan, is ook voor de Boeddha blijven bestaan. Het lijden, en dat onderlijnt de Boeddha telkens weer in elk facet van zijn onderricht, het lijden is een noodzakelijk deel van dit leven hier en nu en zal steeds een deel van dat leven blijven uitmaken.

Wat is dan de betekenis van de Verlichting?

De Verlichting heeft in dit lijdensbestaan een nieuw element ingeplant.

Wat Prins Siddharta in zijn Boeddhaschap ontdekte, dat is een nieuw inzicht in het leven, een nieuwe belichting op dit leven. Een nieuwe wijze van aanpakken, begrijpen en beschouwen van het bestaande. Daardoor heeft de Verlichte zich boven en buiten het alledaagse lijden geplaatst. Zelfs als mens levend in deze lijdenswereld, ondergaat de Boeddha ziekte, veroudering en afsterven, maar daarbij kent hij ook de volkomen innerlijke vrede die aan de lijdensdingen een nieuwe dimensie geeft,

Immers: de wereld, alle dingen en wezens in de wereld kan hij nu zien door de ogen van een Verlichte.

En wij dan, wij die geen Boeddha zijn?

Hoewel we niet “verlicht” zijn, kunnen we toch dank zij de Leer van de Boeddha, eveneens proberen het leven te bekijken vanuit een “verlicht” standpunt!

Ekō 11
Hoe de Boeddha Het Zag

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home