De Oceaan Van De Grote Overgave - I

Zuiken Saizo Inagaki

Onze trouwe lezers hebben in vorige afleveringen kennis gemaakt met een werk van deze zelfde auteur, Prof. Dr. Zuiken Saizo INAGAKI, één van de grootste geleerden en predikers in Japan op gebied van Shin-Boeddhisme.

Tijdens het verblijf van Sh. A. Peel in Japan vorig jaar, werd hem o.a. het handschrift van een ander werk van Prof. Inagaki overhandigd: DAISHINKAI, de Oceaan van de Grote Overgave, bedoeld als een serie pamfletten voor gebruik in Japan, maar door de auteur zèlf omgezet in het Engels. Buiten de uit gebreide inleiding, bevat onze tekst twee van de geplande “pamfletten”. Ofschoon deze dateren uit het jaar 1965, geloven we niet dat er nog meer zullen volgen. De auteur die op dit ogenblik 95 jaar oud is (en zwaar ziek bovendien, zodat elk ogenblik voor zijn leven mag gevreesd worden) beschouwt evenwel deze teksten belangrijk genoeg om ze door te geven. Ze zijn bedoeld als uiteenzetting in aforistische vorm van de diepe waarheden en aspecten van het Boeddhisme zoals het ervaren wordt in de Jōdo-Shinshū-traditie. Dergelijke uiteenzettingen zijn meestal van een “zware” filosofische inhoud. In zijn Daishinkai heeft Prof. Inagaki echter ernaar gestreefd de Leer van Shinran Shōnin duidelijk te maken in “ language easily understood by the layman” , maar toch voegt hij er verwittigend aan toe “but as the Faith of Shin Buddhism is so profound, the “Daishinkai” may be difficult for the reader”…

De inleiding, die we hier niet weergeven, definieert enkele fundamentele begrippen en omschrijft in hoofdzaak het concept “Reine Overgave”, maar kan gelden als een filosofische hoewel niet bepaald intellectuele introductie tot het Shin Boeddhisme. Moest ooit deze Daishinkai in volledige vorm gepubliceerd worden, dan zal vanzelfsprekend ook deze inleiding er weer bijgevoegd worden. Misschien ook - wie weet? - komt ze wel eens afzonderlijk in ekō?

1.
Tracht nooit gewelddadig je eigen opvattingen te verjagen: je geest verandert toch naargelang de omstandigheden.

2.
Amida’s heilsdaad heeft niets te maken met het goede of het kwade dat de mensen verrichten.

3.
De drie fases van de menselijke handelingen: lichamelijke daden, spreken en denken, zijn alle zondig en bezoedeld, zozeer dat ze niet door enige menselijke kracht kunnen uitgezuiverd worden.

4.
Wees maar niet prikkelbaar in je verlangen spoedig de Vrede des Gemoeds te verwerven!

5.
Het Reine Land kan je toch niet binnentreden door steeds maar op die gemoedsvrede te beuken.

6.
Tracht ook niet teveel van je eigen opvattingen af te hangen, noch van uw kennis noch van de manier waarop je de dingen begrijpt. De geest, die stroom van bewustzijn, verandert voortdurend, zoals een rivier; hij kent geen stilstand, zelfs niet voor één ogenblikje.

7.
Hang niet af van de dag van morgen: de “Koning van de Angst” kan elk ogenblik tevoorschijn komen.

8.
De Wet van de Oorsprong in Afhankelijkheid (van oorzaak en gevolg) is onherroepelijk. Ze is het enige dat echt te vrezen is. Goede daden brengen goede vruchten voort, slechte daden brengen slechte vruchten voort. Niemand ontkomt aan deze wetmatigheid.

9.
Probeer niet de Overgave intellectueel te vatten.

10.
Denk over jezelf na en vraag je af wie toch die meester is die verIangt de Overgave te bereiken.

11.
Is hij geen pomp (een gewoon, zondig, zwak persoon) wiens gemoed vol zonden en zwakheden steekt, doorweekt van jiriki (eigen-Kracht)? Is hij in staat de Overgave te vatten?

12.
De Grote Geest van de Tathāgata, de Volmaakt Verlichte, is als de maan, helder en sereen. Deze Geest kan niet gevat worden door de geest van een bombu, die onwetend en zelfzuchtig is.

13.
We kunnen in onze geest het in onze eigendunk geschapen geloof niet opstapelen.

14.
Laat je niet misleiden door je eigen opvattingen.

15.
Laat je niet verstrikken in je eigen verstand noch in je eigen herinnering.

16.
Ben ik het niet die lig te kreunen onder de zware last van zonden en leed: een dwaas wiens geest al maar door vertroebeld wordt  door passies en begeertes?

17.
Laat je geloof niet beïnvloed worden door je daden, of deze nu goed of slecht zijn.

18.
Hou je voor ‘n ogenblikje afzijdig van moreel gedrag of dit nu goed of slecht is en ontdek dààr het Pad waardoor je van het lijden verlost kan worden.

19.
Dat Pad is Namu-Amida-Butsu, de Gezegende Naam. Het Is de stem van de Vader die ons roept; deze Roep is de belichaming van zijn Gelofte-Kracht. Het is enkel door deze Roep dat we gered worden.

20.
De verdiensten en de kracht van Tathāgata Amitābha, wiens licht uitstraalt over alle werelden in de tien richtingen, alle wezens zonder onderscheid verlicht en het duister in de geesten verdrijft, die zijn waarlijk wonderbaar. Zijn Gelofte-Kracht manifesteert zich in de Gezegende Naam van de “Boeddha van het Licht van Geen-Hindernis”. Hij is onze toevlucht. Onze Overgave is niets anders dan de verdiensten en de kracht van Zijn Verlichting.

21.
Heel wat mensen zeggen: “Ik geloof in de Boeddha”, maar de ware geloofsovergave is een gave, een gratis geschenk van de Boeddha. Ze is niet het resultaat van hun eigen intellectuele inspanning of van morele moeites, maar ze is de vrucht van de werking van Zijn Mededogen en Wijsheid.

En die mensen zeggen: “Ik zing en verheerlijk de Gezegende Naam”. Maar die verheerlijking is niet hun eigen wil of kracht, maar de verdienste van de Naam zelf.

Daardoor komt het dat de Gezegende Naam Namu-Amida-Butsu almachtig is, onafhankelijk van de menselijke vermogens en krachten.

22.
De Boeddha Amitābha, die als een vader voor ons is, ziet tot in het diepste van ons gemoed, daar waar de tijdloze duisternis van de onwetendheid vertoeft. De kwade daden die we begaan hebben sedert ontelbare kalpa’s, die kent Hij alle. Wij hebben de mogelijkheden niet het Pad te vinden dat naar de Verlichting voert, met andere woorden, wij zijn onbekwaam het Grote Nirvāna op eigen kracht te verwezenlijken. Daarom zijn we gedoemd de eeuwige pijnen van de kringloop van geboortes en dood te ondergaan. Gelukkig kunnen we toch zijn Roep horen: “Kom tot mij!”

23.
Hij staat altijd vóór ons; Hij roept ons zonder ophouden, zijn Roep is zijn Naam Namu-Amida-Butsu. In zijn Naam horen wij zijn stem: “Kom onmiddellijk, ik laat je nooit vallen!” Horen wij zijn stem, dan rusten wij in zijn boezem. In zijn Roep, daar rust onze Overgave, onze Praktijk (het uiten van zijn Naam), de vrede en bovendien ons heil, zodra de nevels van de twijfel verdreven zijn.

24.
Het is Tathāgata Amida, onze vader, die ons in zijn Licht omhult. Het “Licht van de Omhulling” manifesteert zich volkomen in zijn Naam Namu-Amida-Butsu. Hij staat met zijn kinderen in zijn armen. Dit is de ware gedaante van onze vader, dit is de ware betekenis van zijn Gezegende Naam.

25.
Amida’s heilsdaad heeft niets te maken met onze eigen opvattingen of gedachten. De heilsdaad wordt gemotiveerd door Zijn Kracht. Daarom is het van belang niet af te hangen van je eigen gedachten en geheugen, noch van je eigen opvattingen inzake horen en geloven. We worden niet bevrijd door onze geestelijke faculteiten, maar enkel doorheen zijn Gelofte-Kracht.

26.
Niet meer afhangend van onze eigen opvattingen inzake geloof of van onze berekeningen in functie van het heil, horen we onvermijdelijk de grote Wet van Amitābha. Hoe meer we die aanhoren, hoe dieper ook we de mysterieuze kracht van de Wet ontdekken, zijn Gezegende Naam.

27.
Hoe diep en bodemloos is de Oceaan van zijn Wijsheid! Wonderbaarlijk en onverwoordbaar is de kracht van zijn Naam! Geheel zijn Wijsheid is belichaamd en gemanifesteerd in zijn Gezegende Naam. Laat ons die Naam zingen, laat ons zijn Stem verheerlijken. Zijn Naam is zijn Stem - een voortdurend roepen naar ons, zondaars en onwetenden. En wij, kinderen, verheugen ons ten zeerste de stem van onze Vader te horen, een Stem die vol leven is.

Onze Vader roept ons onophoudelijk en wij, zijn kinderen, horen dag en nacht zijn Stem. Hij zegt: “Wees niet bekommerd over uw toekomstige leven; wees niet beangstigd over uw heil.”

In zijn Roep kunnen wij rust vinden. Zijn Roep, zoals wij hem horen, is meteen ook onze Nembutsu, het uitspreken van Namu-Amida-Butsu.

28.
Wees verheerlijkt, Buddha Amthābha: de Hoogst-Meedogende! Hoe uiterst verheugd ben ik toch zijn Naam te horen!

Enkel door overgave aan Hem en aan zijn Naam worden ons al zijn verdiensten en kracht geschonken, zonder beperking en onbegrijpelijk.

Het heil wordt geheel door Overgave bereikt. De Overgave is niets anders dan de kracht van de Gezegende Naam - Namu-Amida-Butsu.

29.
Door Overgave aan de Gezegende Naam, op het ogenblik zelf van het verkrijgen van de Overgave, verdwijnt achter ons de “Oceaan van Geboorte en Dood”, het bestaan vol lijden; en we worden bevrijd van de boeien van het onheilzame Karma dat we sedert onnoembare tijden opgestapeld hebben. Want zo groot is de Kracht van de Gezegende Naam! Die kracht gaat alle denken, en alle uitdrukking te boven.

30.
De bevrijding van het onheilzame Karma ligt geheel aan de kracht van Amitābha. Deze kracht is niets anders dan de werkzaamheid van de Gezegende Naam. Deze Naam te horen is meteen het horen van de verdiensten die zich in deze Naam manifesteren.

Wanneer we zijn Naam horen, wordt alle twijfel verdreven en zo treedt de vrede voor immer in ons gemoed.

31.
De kracht van Amitābha is de kracht van de Namu-Amida-Butsu. In zijn Naam liggen, immanent, zijn verdiensten, zijn deugden en zijn kracht. Daarom is het heil van alle wezens niets anders dan de zelf-activiteit van de Gezegende Naam.

In het mythische begin sprak Amida Buddha de gelofte uit dat hij zijn Naam aan alle wezens zou schenken en dat hij in de Naam zou verblijven.

De Overgave is “ons” maar is ook “Uw”. De Nembutsu, het uiten van zijn Naam, is bijgevolg niets anders dan de kracht van de Gezegende Naam .

32.
Onze Overgave en de Geboorte in het Reine Land verschijnen alsof ze door onze eigen kracht zouden verworven zijn, maar In werkelijkheid liggen ze als het ware voorbereid in zijn Geloftes en in zijn Naam te onzer intentie.

Bedanken we Amitābha Buddha! Zijn onophoudelijke Roep komt tot ons onder de vorm van de Gezegende Naam.

Hoe groot is dan ook onze vreugde zijn Naam te horen: Namu-Amida-Butsu! Zijn Stem van Mededogen en Wijsheid is hoorbaar geworden sedert de tijden zonder begin!

33.
Het Shin-Boeddhisme is een religie van verlossing door overgave. Wij worden bevrijd uitsluitend door vertrouwen in Amida Buddha, in zijn Gelofte en in zijn Naam. Dit vertrouwen is het horen van zijn Mededogen, is het horen van zijn Gelofte-Kracht zonder enige twijfel te behouden.

34.
Amida, onze Vader, heeft de gelofte afgelegd: “Worden zij niet zo geboren, moge ik dan nooit het Hoogste Volmaakte Weten verwerven!” Onze vreugde is het horen van zijn Grote Gelofte. Wij kunnen onze toevlucht zoeken in de Gelofte en rusten aan zijn boezem.

35.
Sedert ontelbare kalpa’s worden we heen en weer geslagen op de Oceaan van Geboorte en Dood; we worden op en neergeworpen door de nijdige golven van het lijden in de wereld. Maar gelukkig voor ons werd door onze Vader, de Volkomen Verlichte, de eenvoudige levenslijn Namu-Amida-Butsu geconcipieerd. Dit is de enige heilskracht voor alle wezens, die toch zo zondig en onwetend zijn.

36.
Wanneer je zijn Roep Namu-Amida-Butsu in en om je hoort, luister er dan terstond naar; schuif al je nutteloze twijfels, berekeningen en discriminaties terzijde.

Involgen is horen; horen is vertrouwen. “Horen” en “Vertrouwen”, dat is net hetzelfde. De vrede van het gemoed ligt in het vertrouwen; het vertrouwen ligt in de kracht van Namu-Amida-Butsu. Al die zaken zijn de overdracht op ons van de Verdiensten van Amida, onze vader.

37.
Hij legde de gelofte af dat hij al zijn verdiensten en kracht zou manifesteren in zijn Gezegende Naam, Namu-Amida-Butsu en dat hij de wezens zou laten horen en vertrouwen voor hun heil, en dat hij ze zijn Naam zou laten uitzingen ter verheerlijking. Luister daarom met nederigheid naar zijn Naam, volg gewillig zijn Gelofte. Door eenvoudig-weg doorheen zijn Gezegende Naam zijn Gelofte-Kracht: zo doven onze twijfels en angsten vanzelf uit.

36.
Hoor! Alle werelden en alle wezens worden omhuld in het “Licht van Geen-Hindernis”.

Hoe heerlijk is de Gezegende Naam!

Wees dankbaar voor deze vrijgevige Gelofte, zo almachtig!

Namu-Amida-Butsu.

Namu-Amida-Butsu.

(Einde van het eerste deel. Tweede deel in een volgend nummer)

Ekō 12
De Oceaan Van De Grote Overgave

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home