Hoe De Boeddha Het Zag - IV

De Wereld Een Een-heid

Vóór onze ogen is alles in de wereld getekend door veranderlijkheid. Maar voor de ogen van de Verlichte is er een waarheid over het leven die niet veranderlijk is.

Voor de ogen van de Verlichte is er een natuurlijke orde in het leven, - maar dan het leven zoals het waarlijk, in zichzelf, op zichzelf is, in absolute realiteit. En niet zoals het leven zich aan ons voordoet.

De Verlichte is vervuld van volmaakte vrede. Hij heeft immers kunnen vaststellen dat de natuurlijke orde in het leven reeds in het verst denkbare verleden bestaan heeft, “in het beginloze verleden” zeggen de schriften, en ook tot in de verst denkbare toekomst zal blijven bestaan.

De ogen van de Verlichte zien bijgevolg alle wezens, alle bestaansvormen en alle bestaansfactoren in het grote licht van Wijsheid en Mededogen.

In dit allesdoordringende licht - in het Reine-Land Boeddhisme noemt men dit licht de Gelofte-Kracht van de Boeddha van de Oneindigheid - ontdekte de Boeddha voor ons dat er in het leven, zoals het op zichzelf is, een zekere vorm van harmonie, een natuurlijke orde bestaat. Deze orde duiden de Boeddhisten aan als de “Wet van het Karma”.

Hier moeten we wel even bij die termen stilstaan. We dienen goed te beseffen wat we heel precies verstaan onder “Wet”.

De Boeddha heeft nooit en nergens gesproken over een “God” die schepper van hemel en aarde zou zijn, almachtig, wijs en liefdevol, maar toch zo in contramine met zichzelf dat hij toch het kwade in de wereld zoniet geschapen, dan toch zou gedoogd hebben om zijn schepselen op de proef te stellen. In het Boeddhisme bestaat er bijgevolg dan ook niets dat zou kunnen gelijken op een ‘goddelijk gebod’ of een ‘goddelijk verbod’.

Wanneer Boeddhisten over “Wet” spreken, dan wijst dit begrip nooit op een verplichting door een goddelijke macht uitgevaardigd. We moeten deze term opvatten zoals hij in de wetenschap gebruikt wordt: de Wet van Archimedes, de Wetten van Newton en Kepler…

‘Karma’ betekent zoveel als ‘handeling, daad, activiteit’. Het verloop van alle dingen en wezens in de wereld wordt bepaald door ‘handelingen’. Het geheel van deze ‘handelingen’, dat we ook als ‘actie’ of, wetenschappelijker, als ‘dynamiek’ kunnen omschrijven, maakt dat alle dingen voortdurend veranderlijk zijn.

Misschien is het de eerste maal dat we met dit woord “karma” kennismaken, maar de werking van dit ”karma” hebben we dikwijls genoeg (eigenlijk voortdurend) rondom ons kunnen opmerken of zelfs aan den lijve ondervonden.

Zo b.v. volstaat het even naar de natuur te kijken, wat er dààr zoal gebeurt. Daar vinden we het karma a.h.w. afgebeeld in elke bloem die ontluikt en weer verwelkt, of in het aan- en af rollen van de golven op het strand.

Andere karma-verschijnselen kunnen we niet op het eerste gezicht volgen: het afslijten van de hoogste bergen, het verschuiven van de continenten of het uit elkaar vluchten van de melkwegstelsels.

Het is op het menselijke niveau dat wij, mensen, het karma nog het best waarnemen. De lieve kraaiende baby van gisteren wordt morgen de van kanker in vereenzaming wegkwijnende grijsaard.

Het goede humeur van de vroege ochtend wordt enkele uren later bittere gramschap of zuur verdriet.

Na regen komt zonneschijn, zegt ons spreekwoord, - maar diep in zich weet elk van ons ook dat er na zonneschijn toch ook weer regen komt…

De achtste abt van de Hongwanji, Rennyo Shonin, heeft in één van zijn brieven deze toestand zeer roerend beschreven:

Als we wat aandachtiger dit vergankelijke aspect van de menselijke wezens beschouwen, dan besluiten we gewoonlijk dat hetgeen vergankelijk is (zoals een illusie, vanaf het begin, via het midden, tot het einde toe), onze levensduur is. Zo hebben we immers nooit gehoord van iemand die een menselijk lichaam dat 10 000 jaar meeging, had. Onze levensduur gaat vlug voorbij en hoevelen onder ons zijn er die dat menselijke lichaam honderd jaar hebben kunnen aanhouden? Ben ik het of is het een andere die eerst zal heengaan? Zal het vandaag zijn of morgen? Het leven is even broos als de druppels van de morgendauw rondom de voet van de planten of het rijm op de punt van de bladeren. Wij zijn dan ook wezens met een stralend gezicht in de ochtend - maar ‘s avonds slechts een hoopje witte as.

Nauwelijks spreekt de wind van de vergankelijkheid ons aan en reeds gaan onze ogen toe. De adem stokt, de beste gezondheid houdt op te stralen, we verliezen de laatste trilling van het leven. Onze familie en onze vrienden komen dan bijeen en hoe hard ze ook huilen en weeklagen, aan die toestand kunnen ze niets veranderen.

Niet bij machte de dingen te laten voor wat ze zijn, vergezellen ze ons lichaam naar het brandstapelveld. En als midden in de nacht een rookzuil ten hemel gestegen is, blijft er niets anders meer over dan een hoopje witte as.

Men kan zich bovendien de vraag stellen hoe men zich het leven zou kunnen inbeelden zonder dat alles rondom ons, maar ook aan en in ons in een voortdurend verderdwarrelende verandering is. Noch wij noch de andere wezens en dingen kunnen aan zichzelf gelijk blijven, al was het maar één klein ogenblikje.

En om deze crue vaststelling tot haar eenvoudigste uitdrukking te herleiden:

“geboorte, ziekte, ouderdom en overlijden zijn gewone passen, fases, schakels in de veranderlijkheid van ‘s mensen bestaan. Er is niets buitensporigs aan, niets onrechtvaardigs.”

De Wet van het Karma werd aan Prins Siddharta duidelijk toen hij diepe meditatie onder de Bodhi-boom zat, die nacht van zijn grote Verlichting.

Achter hem lag een lange tijd van bittere beproevingen en ontgoochelingen. Jarenlang had hij het uiterste ascetisme beoefend in pijn en smart, maar ook in hopeloosheid. Maar toen hij het nutteloze en ijdele van dergelijke zelfmartelingen had ingezien (en dergelijke vaststelling van mislukking moet op zichzelf al een nieuwe geestelijke marteling geweest zijn!), hebben zijn bewonderaars hem in de steek gelaten. Zij veranderden meteen in kwaadsprekers in naam van de gevestigde, weldenkende opvattingen: de asceet Gautama had de moeilijke weg opgegeven… hij maakte zich het leven wat gemakkelijker!

Enkele weken later begrepen ze echter de ware betekenis van die daden, toen ze in Vanarasi luisterden naar Boeddha’s eerste prediking. Ook zij moeten dan duidelijk beseft hebben hoe de wisselvalligheid van het menselijke gemoed ervan getuigt, dat de Karma-wet werkzaam is overal waar wij veranderlijkheid waarnemen.

Prins Siddharta kon in zijn meditatie heel duidelijk dit vaststellen: vermits in de wereld alles beweeglijk, werkzaam, actief is op één of andere wijze, dan is ook het voortdurend optreden, van veranderingen onvermijdelijk.

En achter die veranderingen is een wetmatigheid werkzaam: noch toeval noch noodlot spelen hier een rol.

Het is in deze constatering dat hij de geestesrust vond. Niet langer werd hij vertroebeld door de wispelturigheid van het leven, niet langer was hij onzeker tegenover de existentiële veranderingen die hij niet begrijpen kon en dus als dreigende demonen optreden voor wie hun ware aard niet doorzien heeft.

De veranderlijkheid van het leven en van de wereld in al zijn uitingen en verschijnselen is gewoonweg niets anders dan de natuurlijke orde van het leven.

Die orde is noch goed noch kwaad. Goed en kwaad zijn relatieve, menselijke maatstaven. Een natuurwet staat buiten alle beperkingen eigen aan menselijke geest, dus ook buiten de beperkingen van goed en kwaad.

Doorheen deze veranderlijkheid zien de ogen van de Boeddha de uiteindelijke realiteit nu in een kosmische EEN-heid.

Hierbij belanden we dan bij een reeks grote woorden die veel gebruikt worden, die veel misbruikt worden en die vaak enkel moeten dienen om een niet-duidelijk-inzien te verdoezelen of tegenstrijdigheden te overbruggen. We moeten bijgevolg proberen deze EEN-heid te benaderen en te omschrijven in de mate van het mogelijke. Wat betekent in kader van Boeddha’s leer eigenlijk zo’n zin als:
“de wereld in EEN-heid zien?”

Meteen ook DIT duidelijk stellen:

Het gaat echt helemaal niet om een verstandelijke verklaring van het wereldbeeld. Het Boeddhisme streeft niet naar een ontologische of wetenschappelijke benadering. Dat heeft de Boeddha overgelaten aan de speculaties van beroepsfilosofen en aan de wetenschapsmensen.

De bedoeling van de heilsleer is immers in de eerste plaats te komen tot een globaal inzicht waarbij alle menselijke faculteiten betrokken zijn. Het intellect is daarbij, maar bovendien en allicht belangrijker ook, geheel ons emotioneel bewust, onderbewust, on- of bovenbewust of hoe men al onze menselijke bewustzijnstoestanden ook mag benoemen… Het geheel van onze ervaring is belangrijk, niet een onderdeel daarvan.

Of eigenlijk - maar dàt is precies één van de grootste moeilijkheden om het Boeddhisme met ons verstand te begrijpen - noch met ons intellect noch met onze gevoelens, maar met méér dan dat. Met hetgeen geenzijds van verstand of gevoel ligt. Misschien praten we er later nog wel eens over.

“De wereld in EEN-heid zien” geeft een antwoord op een reeks van fundamentele vragen, zoals:

Wat is Realiteit met de grote R?

Wat is Waarheid?

Wat is de Grote Waarheid van het leven?

En wat is de Grote Waarheid van het leven zoals Gautama de Boeddha die gerealiseerd heeft?

Dat geeft ons een hele serie hoge woorden met heel wat hoofdletters. Laten we ons dààr zeker niet blind op staren. Noch op hoge woorden noch op hoofdletters.

In de vaststelling en in de beleving van het feit dat de onderlinge aansprakelijkheid van de wezens in lijden, geboorte en dood een noodzakelijk onderdeel van de natuurlijke wereldwet is, ervoer de Boeddha ook dat alle levensvormen en alles in de wereld niets anders zijn dan min of meer gestructureerde combinaties van uiteenlopende elementen, die elk op hun beurt ook weer en tot in het oneindige ontleed kunnen worden, elk op hun beurt weer combinaties, groeperingen, samenstellingen van uiteenlopende oorsprong zijn.

En al die min of meer gestructureerde combinaties ontstaan in afhankelijkheid van voorhanden zijnde oorzaken, aanleidingen en omstandigheden. Doordat we dit in ons menselijk bestaan van het dichtstebij meemaken, kunnen we zeggen dat deze vaststelling bijzonder goed opgaat wat de menselijke wezens betreft.      -

Even een voorbeeld.

We worden uit onze ouders geboren - en onze ouders op hun beurt zijn uit hun ouders geboren en zo gaat het voort tot in het verste verleden, een achter-ons dat in de nevels van het beginloze tijdsverloop verloren is.

Onze kinderen worden uit ons geboren - en hun kinderen (als alles wat meevalt en als ondertussen onze wereld niets ergs overkomen is!) op hun beurt… en zo strekt dat netwerk zich verder uit, mogelijk tot in de verste toekomst, in de nevels van het eindloze tijdsverloop.

We staan niet alleen in de wereld. Wij leven ons leven van hier en nu in afhankelijkheid van het bestaan van elk van onze voorouders. En elk van onze nakomelingen in de verre toekomst zal bestaan in afhankelijkheid van onszelf hier-en-nu. Zo zijn we verbonden aan het verleden en aan de toekomst.

En elke verbondenheid houdt aansprakelijkheid in…

Deze samenhang van wezens en dingen kunnen we ook op een andere wijze proberen te belichten.

Als mensen leven we in volkomen afhankelijkheid van de levensbehoeften: voedsel, kleding, huisvesting, vervoer, opvoeding… Voor àl wat we doen (en doen is karma) hangen we af van een ontelbaar aantal wezens, voorwerpen, situaties. Niet enkel van onze medemensen (die samen onze maatschappij uitmaken), van de dieren en van de planten, maar ook van de zogenaamde levensloze elementen als lucht, water, warmte, licht.

Ons leven, dat gevolg en oorzaak is van ‘Karma’ zou onbestaande zijn zonder deze oneindig ver reikende netwerken van omstandigheden en afhankelijkheden.

Ekō 12
Hoe De Boeddha Het Zag

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com
 

          home