De Plaats Van Shinran Shōnin in het Boeddhisme - I

Als men het geheel van het Mahayana Boeddhisme in zijn historische ontwikkeling en in zijn diversiteit van leerstelsels overschouwt, bemerkt men verschillende, schijnbaar divergerende hoofdstromingen, - waarbij in het hedendaagse Boeddhisme er zeker drie van doorslaggevend belang zijn, gelet op hun doctrinale inhoud en de belangrijkheid van hun aanhang.

Door een opeenvolging van politieke gebeurtenissen is het Tibetaanse Boeddhisme dat verkeerdelijk Lamaïsme genoemd wordt, in zekere mate populair geworden in het Westen. Het beantwoordt volledig aan een mystiek ervaringselement dat geheel uit ons Westerse Christendom verdwenen is.

Op een ander niveau heeft de zelfvernietigende kritiek van de Westerse cultuur, verstard in logisch formalisme en materialisme, geplaatst voor het dreigende faillissement van intellect en technologie, geleid tot een open belangstelling voor de Zen-stroming. Dit treft men hoofdzakelijk aan in intellectuele middens, maar de waarnemer wordt getroffen door het feit dat velen van die belangstellenden gecentreerd zijn rondom één aspect van de Zen-leer, nl. haar zogenaamde anti-intellectualisme en van de Za-Zen beoefening hoofdzakelijk een stillen van hun problemen verwachten, zonder het geheel van de Boeddhistische lering zoals die in de Zen-scholen geformuleerd wordt, in overweging te nemen.

De derde hoofdstroming heeft totnutoe nog niet de grote belangstelling van de Westerse mens weten te wekken. Er zijn talrijke redenen om dat te verklaren. Maar toch is het juist déze stroming die door leerinhoud en inslag in de dagelijkse realiteit van het Boeddhisme wellicht de grootste rol gespeeld heeft.

Deze strekking wordt meestal aangeduid als het Reine-Land Boeddhisme naar de typisch emotionele en esthetische conceptie van het nirvāna als Boeddha-land, het leedloze bestaan gevisualiseerd als een imaginair paradijs geschapen door de grenzeloze wijsheid en het oneindige mededogen van de Boeddha. Het is deze strekking die aan de basis ligt van zoveel kunstwerken in China en Japan: rotsschilderingen, beeldhouwwerken, rolschilderijen.

Deze Reine-Land strekking wordt doctrinaal bebakend door een reeks meesterdenkers uit Indië, China en Japan. Maar deze reeks mag niet vergeleken worden met de ononderbroken transmissielijnen via patriarchen, waarbij de leerinhoud a.h.w. onveranderd overgeleverd wordt van meester (guru) tot leerling (discipel). Dergelijke “lineages” treft men aan in de diverse scholen van het Zen-boeddhisme (de Zen-Patriarchen) en voornamelijk in het Tibetaanse Boeddhisme, waar ze instaan als ‘n soort garantie van echtheid en oorspronkelijkheid van de esoterisme leerelementen.

In de Reine-Land scholen heeft de Patriarchen-reeks evenwel niet dezelfde functie: zij vertegenwoordigen er de diverse, opeenvolgende etappes van doctrinale uitdieping. Dit verdiepen van de leer is een progressief verschijnsel dat enerzijds voortspruit uit een steeds verschrijdend onderzoeken en beleven van de lering die teruggaat op de historische Boeddha. Deze evolutie berust niet op opeenvolgende “revelaties” van “hogerop”, maar is gegrond op de waardigheid van de menselijke geest, vertrekkende van een gegeven waarheid, verdere conclusies uit te bouwen in aanpassing aan de historische of plaatselijke omstandigheden. Deze evolutie is immers ook de geleidelijke optelling en samenvoeging van de denkresultaten en de meditatie-ervaringen rondom de werkzaamheid van niet-historische Boeddha-figuren.

Deze meditaties en contemplaties bewegen zich op een noodzakelijkerwijze menselijk d.i. relatief en beperkt niveau van benadering van het absolute Boeddhaschap. Dit is immers bij bepaling onbeschrijfbaar en onverwoordbaar, geheel buiten ons cognitieve weten; het overtreft de begrenzingen van ons intellect en van onze verbeelding, ook de meest subtiele.

Deze evolutie-etappes, die zo karakteristiek zijn voor de Reine-Land stroming, staat ook in nauw verband met de overtuiging dat hoe verder we in tijd van de historische Boeddha afstaan, hoe moeilijker het ons wordt door eigen streven het uiteindelijke doel van geheel de Boeddhistische leer, het nirvāna, de verlossing uit het lijdensbestaan te verwezenlijken.

Met betrekking tot dit concept van Verval van de Leer, dient onderlijnd te worden dat het reeds in de Pali-kanon kan teruggevonden worden (o. a. in de Culla-Vagga, X, waar gezegd wordt dat de Goede Leer slechts 500 jaar zou duren) evenals in de niet-kanonische Anāgata-Vamsa (Geschiedenis van de toekomstige gebeurtenissen): na 1 000 jaar vergaat de kans op de verwezenlijking.

Deze traditie loopt door in het Mahāyana. Ze wordt verdeeld in meerdere belangrijke sūtra’s. Daar Is sprake van een opeenvolging van drie periodes waarin de Leer geleidelijk aan impact verliest. Een eerste periode, van 500 of 1 000 jaar volgens de bronnen, is die van de Juiste Leer. Dan komt de periode van de Schijnbare Leer (weer 500 of 1 000 jaar) waarin enkel de symboliek aangehouden wordt, de leer nog als voorwerp van speculaties verkondigd wordt, maar geen verwezenlijking van het nirvāna nog mogelijk is. Daarop volgt de Periode van de Decadente Leer, die ‘n slordige 10 000 jaar duurt: en waarin elk beoefenen van de Leer verdwenen is, ook al blijven de uiterlijke tekenen ervan nog bestaan. Dan komt een periode van onbepaalde duur, waarin elke vorm van de leer totaal verdwenen is (Leerloze Periode).

Het impact van deze conceptie der drie Dharmaperiodes (triyāma , san-szu, sanji), die voorkomt in sūtra’s van aanzien en grote populariteit, zoals de Lotus-sūtra en de Bloemenkrans-sūtra, was zo groot dat tijdens de Sui-dynastie in China een zekere monnik Hsin-hsing (540-594) zelfs een aparte sekte opgericht werd om het hoofd te bieden aan de problemen eigen aan die eindperiode van de Leer. Deze sekte hield er theorieën op na die sterk afweken van de conventionele opvattingen; ze was trouwens één van de eerste stromingen in het Boeddhisme om te benadrukken dat de Boeddha-natuur in elk wezen werkzaam is. De sociale begaanheid van deze Drie-Stadia-school was zodanig dat ze op zeker ogenblik indruiste tegen de in het keizerlijke China gangbare gewoontes, totdat ze in 600 verboden werd. In 725 werd een nieuw verbod gepubliceerd wat er op wijst dat ze terug de kop had opgestoken; maar de vervolging van 845, die geheel het Boeddhisme in China zwaar getroffen heeft, kon de Drie-Stadia-School niet overleven.

Ondertussen echter had de opvatting vaste theoretische voet gekregen. Tao-cho (562-645) had ze doctrinaal ingeplant in de Reine-Land lering. De vraag die zich daarbij immers stelde was hoe iemand naar het heil kon streven in de periode van de Decadente Leer, waarvan men algemeen meende dat ze in 550 aangebroken was. In zijn An-lo-chi (Verzameld Werk over het Westerse Paradijs, saku-shū) beantwoordt Tao-cho deze vraag door als enig volwaardig middel de nien-fo (nembutsu), het uitspreken van de Naam van de Boeddha, aan te bevelen. Doet men dit met een onverdeeld gemoed, dan wordt alle kwaad overwonnen en wordt men in het Reine Land herboren.

Deze opvatting van het onvermijdelijke verval van de leer heeft zich in de loop der eeuwen doorgezet. Meer dan eens verwekte ze een gevoel van hopeloosheid, zeker in die scholen waar de Eigen-Kracht als absoluut middel beschouwd werd. Men ziet dan ook het uitspreken van de Nembutsu zijn intrede doen in de filosofische (T’ien-t’ai ,Tendai) en meditatieve (Ch’ang, Zen) leerstrekkingen.

Anderzijds echter is deze stelling in heel veel gevallen de drijfkracht geworden voor een hernieuwd overwegen van het heilsprobleem. De spirituele rijkdom van het Chinese en Japanse Boeddhisme is voor een groot gedeelte aan dit besef van de Decadente Dharma verbonden.

De lijsten van de Reine-Land Patriarchen zijn een soort weerspiegeling van deze evolutie. Zo komt het dat Hōnen Shōnin , de eerste meester die een “sekte” oprichtte geheel gewijd aan de Nembutsu-beoefening als zijnde de Reine-Land leer in zijn meest markante vorm: het heil door volledige Overgave aan de Nembutsu (Jodo-shu School van het Reine Land), een lijst opstelde van 5 Patriarchen, allemaal Chinese meesters: T’an-luan, Tao-cho, Shan-Tao, Shao-kan en Huai-kan. Deze serie komt niet overeen met een doorlopende traditie die instaat voor een statische leeroverdracht, maar met “sprongen voorwaarts” in de heilsoverdenking en -verwezenlijking, ook in periodes van Schijnbare of Decadente Leer.

Voor Hōnens discipel Shinran Shōnin , die (zeer tegen zijn eigen voornemen in…) beschouwd wordt als de stichter van de nu aanzienlijkste Reine-Land strekking in Japan (Jōdo-Shinshū = de Ware School van het Reine Land) bleek deze lijst wel te beperkt. Hij breidde ze uit tot 7 Meesters, en dan niet enkel uit China (3), maar daarbij 2 uit Indië en 2 uit Japan, waarmee hij geheel de doctrinale geschiedenis van het Boeddhisme omvat en voorstelt als een vooruitschrijdende aanpassing aan het verloederen der tijden.

In zijn hymne Shōshin-Nembutsu-ge, verklaart Shinran hoe Amida Buddha zich in ons tijd/ruimtelijk verband gemanifesteerd heeft als de historische Boeddha Siddharta Gautama Shakyamuni, die dan in zijn tijd aan de mensheid de heilsboodschap verkondigd heeft: die van de verlossing door de Diepe Overgave aan de Oprechte Gedachte aan de Oneindige Boeddha.

Naar Shinrans zienswijze, evolueerde deze heilsboodschap dynamisch, d.i. in functie van het historische voortschrijden der tijden en, evenwijdig daarmee, van de ervaren moeilijkheden.

Ziehier nu de lijst van meester-denkers zoals Shinran die opstelde om:

1° de evolutie van de heilsleer via de Nembutsu te bebakenen,

2° de traditionele verantwoording te vestigen:

 

Indië

Nāgārjuna

2de eeuw

 

 

Vasubandhu

5de eeuw

 

China

T’an-luan

476-542

(Donran)

 

Tao-cho

562-645

(Doshaku)

 

Shan-tao

613-681

(Zendo)

Japan

Genshin

942-1017

 

 

Hōnen

1133-1212

 

 

In zijn hoofdwerk Kyō Gyō Shin Shō omschrijft Shinran de specifieke bijdrage van elk van deze Reine-Land Patriarchen bij de uitbouw van de Nembutsu-doctrine. Hierin volgt hij de rade draad die vanaf Amida, over Shakyamuni en via de interpretatie door de verschillende meesters in functie van de zin der geschiedenis, tot zijn eigen tijd, de rumoerige Japanse 13de eeuw (en tot onze tijd toe) ononderbroken maar niet ongewijzigd doorloopt. Hij toont, aan de hand van hun uitspraken, duidelijk aan dat zijn persoonlijke visie, die (terecht!) beschouwd wordt als de uiterste doortrekking en het punt van niet-terugkeer van geheel de Reine-Land doctrine, niets anders is dan de vanzelfsprekende uitdrukking van deze doctrinale geschiedenis.

(wordt vervolgd)

Ekō 12
De Plaats Van Shinran Shōnin in het Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home