Hoe De Boeddha Het Zag - V

Laten we dit “samenstellen en weer ontbinden” van de combinaties die ons bestaan uitmaken even van naderbij bekijken.

We dienen daarbij goed vóór ogen te houden dat we hier zeker niet te doen hebben met een zogenaamd “objectief” of “rationeel” onderzoek, maar dat ons beschouwen wèl dieper wil gaan dan de uiterlijkheden.

Ons “onderzoek” ligt immers op het religieuze vlak: dat reikt bij bepaling veel verder, dieper, hoger, breder, zwarter en witter dan alle mogelijke wetenschappelijke, psychologische of sociaal-economische overwegingen, waarbij telkens maar één facet van de werkelijkheid in de kijker valt.

Wanneer we op dit religieuze niveau ergens een vergelijking maken, een gelijkenis vermelden, dan dienen we meteen ook, als automatisch, de innerlijke beperking ervan plus de beperking in haar draagwijdte voor ogen te houden. Zo’n gelijkenis dient in de allereerste en meestal ook unieke plaats als een poging het gestelde probleem te benaderen. Ze geeft een zekere belichting en biedt ons zo de mogelijkheid iets meer te verstaan, te begrijpen van een wereld die niet zo maar in onze menselijke woorden of beelden kan uitgedrukt worden.

Dat houden we vóór ogen als we volgend klassiek voorbeeld bekijken:

Een meubelmaker neemt stukken hout, nagelt, schroeft, boort, klinkt ineen, plaatst op de hoeken telkens een vertikale houten spijl. Door deze materialen op een bepaalde wijze bij elkaar te voegen, heeft hij een “tafel” gemaakt. Deze “tafel” is een combinatie van stukken hout, nagels, schroeven, lijm, pennen, gebruik van werktuigen, vakkennis èn de vooropgezette, veel vroeger ‘samengestelde’ idee van het voorwerp ‘tafel’.

Wat gebeurt er als we planken, schroeven, poten, enz. weer uit elkaar nemen? Dan bestaat er geen tafel meer, tenzij het begrip ‘tafel’ dat in functie van onze geest beschikbaar blijft.

Zo ontdekken we dat er in feite niet zoiets als een tafel bestaat, tenzij een vakkundig meubelmaker de diverse stukken in een bepaalde structuur weer samenstelt. Waarbij we die meubelmaker kunnen voorstellen als het karma van de ‘tafel’.

Op een gelijkaardige wijze stelde de Boeddha voor dat er in feite geen geboorte, geen dood, geen ontstaan, geen vergaan is!

Door zijn mogelijkheid alle dingen te herleiden tot op een punt waar geen discriminatie meer bestaat doordat men verder gegaan is dan wat in de dagelijkse ervaring als tegenstelling beleefd wordt, dus: waar alle waarde-onderscheid vervangen wordt door gelijkwaardigheid, gemeenschappelijkheid en beschikbaarheid, zag de Boeddha de wereld als een EEN-heid, die zich in ruimte en tijd tot in elke denkbare oneindigheid uitstrekt.

De Boeddha ziet de mens dan ook niet als een biologisch of psychologisch scherp afgerond individu. De mensheid ziet hij niet in functie van verschillen in ras of rijkdom, in domheid of begaafdheid, noch ingedeeld in ‘goeden’ en ‘slechten’.

Voor de Boeddha is de gehele mensheid één gemeenschap, die ingekapseld is in de gemeenschap der levende wezens. Vanuit Boeddha’s standpunt zijn alle wezens, dus ook wij, allen zijn kinderen.

Voor de Verlichte is er immers geen fundamenteel onderscheid meer tussen een zachte lentedag en een woeststormende herfstnacht. Elke dag, elke seconde wordt een dag, een seconde van innerlijke vrede.

Alle dingen en wezens in de wereld - onze wereld! - de bomen, de dieren, de nachtelijke hemel, maar ook de pijn, de wreedheden, de onrechtvaardigheid, worden aldus gezien in een grenzeloze harmonie het EEN-zijn.

Boeddha’s wereld van EEN-heid is geen onverwezenlijkbaar ideaal. Het is geen onbereikbare utopie. Alleen kunnen wij dat ideaal niet realiseren met de middelen waarover wij beschikken.

Boeddha’s wereld is hier. De EEN-held is in deze zelfde wereld waarin wij worstelen met pijn, haat en illusie.

Maar die wereld van EEN-heid kan enkel gezien worden door de ogen van de volledige overgave aan de Verlichting, waarbij alle individuele berekeningen en berekeningetjes opgegeven zijn.

(wordt vervolgd)

Ekō 13
Hoe De Boeddha Het Zag

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home