De Plaats van Shinran Shonin In Het Boeddhisme - II

Bij de behandeling van die voor de Westerse mens (voor wie het religieuze fenomeen steeds triomfantelijk uitmondt op een apotheose: komst van de Messias, laatste Oordeel, opname in Allahs paradijs) toch wel vreemde opvatting van de ondergang van de heilsdiscipline, doet men er steeds goed aan voor ogen te houden dat deze conceptie geenszins beperkt is tot de Reine-Landscholen.

Ze wordt uitgesproken en beklemtoond in praktisch alle stromingen en is b.v. één van de doctrinale dominanten in het Tibetaanse Boeddhisme.

Er zijn hierop slechts heel weinig uitzonderingen. De meest markante is allicht gevormd door de lering van Meester Dōgen (1200-1253), stichter van de Sōtō-Zen-school: in zijn Shobogenzo stelt hij de mening voorop dat alle tijdperken even goed en even slecht zijn, dat ze fundamenteel overeenkomen met de Periode van de Juiste Leer doordat de Leer van alle tijden her aanwezig is in de geest.

Toch is Dōgens standpunt een alleenstaand feit in die troebele periode uit Japans geschiedenis (Kamakura-periode 1192-1333). Alle andere grote vernieuwers van het Boeddhisme in Japan, zoals b.v. Hōnen, Shinran, Ippen, Nichiren, hebben die Decadentie van de leer a.h.w. aan den lijve ervaren als een historische realiteit en als een steeds maar meer pijnlijke existentiële positie van de mens tegenover het gebeuren in en rondom hem.

Maar het is in de Reine-Landscholen dat de opvatting van de Decadentie van de leer een geheel eigen klank krijgt.

Met het vergroten van de tijdsafstand tussen de prediking van Buddha Sakyamuni en het verkondigen van de leer door de meesters in China en Japan, kent het Pad Der Wijzen (Shōdo-mon) een groeiend pessimisme. Dat verklaart voor een groot gedeelte hoe het komt dat in China in de Boeddhistische middens een bipolarisering ontstond: rondom de Ch’an-scholen met hun optimistische inslag èn rondom de Reine-Landscholen, vaak zelfs beide verenigd in één enkele tempeldiscipline. De andere stromingen zijn blijkbaar aan het besef van de doctrinale neergang ten onder gegaan. Vanaf het moment dat de zg. Zelf-Kracht-scholen door dit pessimisme aangegraven worden, drukt op elk gelovige de sterker wordende druk van de moeilijkheid de ‘grote taak’ tot het goede einde te brengen.

Toch was het moeilijk aan te nemen dat de Al-Wijze en Al-Meedogende Boeddha de wezens in de steek zou gelaten hebben. Dat was immers in strijd met de eigen woorden van de Geloften, door diverse bodhisattva’s in verschillende sutra’s uitgesproken. Bij de ‘gewone’ bodhisattva-geloften die dagelijks door talloze monniken en leken uitgesproken wordt, staat het voornemen de uiteindelijke intrede in het volkomen nirvāna uit te stellen totdat alle wezens de Verlichting bereikt hebben. Bovendien behoorden de ‘bijzondere geloften’ eveneens tot de dagelijkse lectuur van de Boeddhist: tot de meest populaire figuren in deze zin moet men Samantabhadra rekenen en zeker Dharmākara, die in de Grote Sukhāvatīvyūha-sūtra de 48 Geloften aflegt welke betrekking hebben op alle wezens zonder enige beperking in ruimte of tijd.

Het is bovendien begrijpelijk dat de aandacht van de gelovige steeds meer en meer toegespitst werd op de 18de Gelofte:

“Indien, na mijn verkrijgen van het Boeddhaschap, niet alle wezens in de tien richtingen die met oprecht gemoed en diepe overgave verlangen in mijn land geboren te worden en mijn naam ook maar tienmaal uitspreken, aldaar niet geboren worden, moge ik dan de Hoogste Verlichting niet deelachtig worden…”

en dat het besef sterker werd dat de Boeddha het ‘slechter worden van de tijden’ wel zou ondervangen en uitbalanceren door de inzet van Zijn kracht.

In de stijgende golf van vertrouwen op het heil mogelijk gemaakt door de Boeddha, wordt het verklaarbaar dat Shinran Shōnin vooropstelt dat het Ander-Kracht-Boeddhisme inderdaad aan vermogen en doeltreffendheid wint naar mate de mogelijkheden van de Zelf-Kracht Dharma afnemen.

De natuurlijke, onzegbare activiteit van de Boeddha vult de gapingen en leegtes, zoals de regen het eerst de diepste putten in de grond vult. Vandaar dat in de Reine-Land-optiek de denkers en de wijze leraars geleidelijk aan dieper en beter begrip tonen voor een andere opvatting van de Dharma die niet meer uit de mens komt als een gevolg van diens verdiensten, diens wil en inspanning, diens meditatie en moraliteit, - maar die opborrelt uit het naamloze kleur- en vormloze.

Merkwaardig is hoe Shinran het verloop van die ontwikkeling ziet. Elk van die patriarchen (zie Ekō 12, pag. 16) “vindt” en “openbaart”. De functie van elk van hen lezen we duidelijk in de Shoshin-ge:

“De grote wijzen uit Indië, China en Japan belichtten dat de Tathāgata’s Oorspronkelijke Gelofte past hij ‘s mensen mogelijkheden (vs. 48).

(Nāgārjuna) onthulde dat de moeilijke praktijken uitputtend zijn (vs. 55).

(Vasubandhu) leerde dat … (vs. 6l), openbaarde (vs. 63) en verduidelijkte (vs. 64).

(T’an-luan) openbaarde dat... (vs. 78).

(Tao-cho) maakte duidelijk dat… (vs. 85).

(Shan-tao) belichtte dat … (vs. 93) en onthulde dat… (vs. 95).

(Genshin) toonde duidelijk aan dat… (vs. 104).

(Genkū)verkondigde… (vs. 112).”

De rol van de Patriarchen in de optiek van dit Tijdperk van de Decadente Leer is daarmee duidelijk: enerzijds een neergang, een verlies, maar daar tegenover een aanwinst, een nieuw-openstellen van de heilsmogelijkheden. In zijn Shōzōmatsu (Hymnen over de Verworden Tijden), schrijft Shinran:

(11)
In deze decadente periode, de 5de van 500 jaar,
Tenzij alle wezens hun vertrouwen stellen in
Tathāgata’s meedogende Gelofte,
Hebben ze geen kans meer ter bevrijding.

(18)
In de verworden wereld van schijnbare en decadente leer,
is het onderricht van Shakyamuni verdwenen,
maar de meedogende Gelofte van Amida bloeit rijkelijk
en geboorte door de nembutsu is ontloken.

(29)
Zelfs de wijzen uit de tijd van de schijnbare leer
hebben de zelf-kracht-leringen opzij geschoven
en zijn de poort van de nembutsu ingegaan,
want deze is geschikt voor hun tijd en hun mogelijkheden.

Niettemin is het belangrijk op dit niveau een onderscheid te maken en niet in vlakke veralgemeningen te vervallen. Weliswaar deelt Shinran Dōgens a-historisch standpunt niet volgens hetwelk elke positieve of negatieve evolutie van de geschiedenis zonder invloed blijft op het spirituele proces dat naar de verlossing leidt. Maar hij vervalt evenmin in het andere, wat naïeve, uiterste volgens hetwelk de concrete gebeurtenissen en historische situaties dienen beschouwd te worden als zovele symptomen eigen aan een tijdperk van verval van de Boeddhistische Leer.

Shinran Shōnin meent immers dat de geschiedenis van de mensheid en, daar binnenin, de ontwikkelingen van de Buddha-dharma een continu proces daarstellen waarin de fundamentele geestelijke aspiraties van de mensheid (het Gemoed ter Verlichting = bodhi-citta) zich onophoudelijk verder ontplooien.

Met andere woorden: hij beschouwt het verloop van de historische evenementen als een voortdurende uitdieping, een telkens nieuwe bewustwording, een onophoudelijke uitbreiding en openvouwen van de bodhicitta.

Dit Gemoed ter Verlichting wordt algemeen opgevat als zijnde een voortbrengsel van de geestelijke inspanningen van de mens. Maar voor Shinran is dit niet meer zo vanzelfsprekend. Het komt hem juister voor te stellen dat de bodhicitta spontaan, d.i. door Amida’s werking, in de mens opkomt.

Hij situeert de oorsprong van de bodhicitta niet in de mens, dat relatieve wezen, maar in de dharmadhātu, het bereik van de spirituele realiteit die éénmakend ten gronde ligt aan alle wezens en dingen, het absolute waarin alle relatieve ervaringselementen hun ontstaan hebben, het onpersoonlijke kosmische niveau van de Verlichting, dat elke menselijke cognitie transcendeert.

De bodhicitta behoort tot dit domein van het Boeddhaschap dat aan het menselijke discursieve weten of zelfs de objectiverende verbeelding ontgaat.

(wordt vervolgd)

Ekō 13
De Plaats van Shinran Shonin In Het Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home