Hoe De Boeddha Het Zag (6)

De ware natuur van het leven… en wij?

 

Men hoeft beslist geen Boeddha te zijn om rondom zich ten allen kante de veranderlijkheid der dingen aan het werk te zien. We mogen dan ook nooit zeggen dat we nergens de uitwerking van de Karma-wet kunnen vaststellen.

Misschien is het dan ook juister te zeggen dat we wčl bewust zijn van de werking van het Karma, maar dat we van dit ‘Karma’ slechts enkele bepaalde aspecten wensen te aanvaarden: precies die aspecten die ons “liggen”, die ons bijzonder aangenaam zijn.

Voor de andere aspecten steken we liefst zo gauw mogelijk ons hoofd diep in het zand van niet-willen-weten.

Maar om eerlijk met onszelf te blijven, moeten we toch de bedenking maken dat het “Karma” (wat toch ‘activiteit’ betekent!) op zichzelf noch ‘goed’ noch ‘slecht’ is.

Het ‘goede’ of ‘slechte’ dat uit die voortdurende maalstroom van veranderlijkheid voortspruit, dat is uiteindelijk een stellingname van onszelf, een eigen opvatting van onze geest, die wij vergoelijkend funderen in onze eigen activiteiten.

Wij zijn het die aan de dingen een etiket geven.

In de schemering zingt de nachtegaal. In feite doet hij dat om zijn “terrein” af te bakenen, om eventuele mede-nachtegalen op veilige afstand te houden. Zijn zang is een bedreiging. Maar doordat die bedreiging niet op ons gericht is, geven wij er de betiteling ‘bekoorlijke melodische zang’ aan. En zo werd het gevarieerde lied van die onopvallende zangvogel het symbool van de heerlijkste muziek, in sommige culturen zelfs van de goddelijke stem.

Nog een ander voorbeeld: bij ondergaande zon vallen de lichtstralen zowat parallel op de aarde; door de lichtbreking in luchtlagen van verschillende dichtheden worden die stralen op uiteenlopende wijze ontbonden, gebroken en weerkaatst. Dat verwekt een betoverend spel van vormen en kleuren. Stil van bewondering staan we dan naar die ‘hemelse schoonheid’ te staren.

En toch gaat het hier doodgewoon om een fysisch, neutraal gebeuren.

Dat waren dan twee kleine voorbeelden van interpretaties in de “goede” zin. Maar we zouden er even gemakkelijk (en een boel meer!) kunnen opsommen: neutrale feiten die wij, als ‘individu’ of als ‘mens’, in de slechte zin zullen interpreteren.

Van belang is evenwel dat we steeds goed voor ogen moeten houden dat er, van buiten uit bekeken, een oneindige afstand bestaat tussen het naakte feit en de interpretatie, het etiket dat wij eraan geven.

Ons interpreteren en discrimineren geschiedt steeds in verband met onze persoonlijke emoties van het ogenblik, van ons karakter, van ons milieu, van het cultuurpatroon waarmee we via onze opvoeding vertrouwd en vergroeid zijn, van ingewortelde gewoontes waaruit we ons niet kunnen of willen losmaken, - of zelfs van ons mens-zijn.

Houdt een veranderde of veranderende toestand voor ons lijden in, of zien we dat hij ons naar enige vorm van lijden voert, dan weigeren we dit feit te aanvaarden. We vinden die toestand onbegrijpelijk en onrechtvaardig.

Zo weigeren we te aanvaarden dat een in-goed mens als Mahatma Gandhi door een landgenoot vermoord kon worden. Onze menselijke taal beschikt over talrijke woorden om dat gevoel uit te drukken: onbegrijpelijk, onverwoordbaar, onaanvaardbaar…  maar al die woorden beschrijven niet het feit zčlf, wčl onze houding ertegenover.

Als we dan vertrouwd zijn met een Godsgedachte, zullen we beginnen te twijfelen aan de al-liefde of zelfs aan het bestaan van dergelijke god die al het kwade op de wereld mogelijk gemaakt heeft. Een Boeddhistische parabel zegt dat géén vader zijn kleine kind op de rand van een waterput zal laten spelen. En de vraag rijst dan ook in menig mens hoe de ‘Goede God’ al het kwaad in de wereld laat gebeuren. Of we noemen “Gods wegen onpeilbaar”. Toch stellen we vast dat de God-Schepper meer en meer ervaren wordt als ook de Schepper van het Kwaad.

Voor de Boeddhist stellen dergelijke vragen zich niet. Voor hem is er geen God-Schepper. Het verklaren van een schepping laat hij aan de wetenschapsmensen over. Voor hem is alle ‘goed’ en ‘slecht’ een gevolg van handelingen en reeksen van handelingen waarbij elk mens betrokken is, evengoed als elk ander wezen…

Zolang we de waarheid dat veranderlijkheid een onmisbaar, noodzakelijk en zelfs essentieel onderdeel van alle levensactiviteiten uitmaakt, niet diep in onszelf kunnen realiseren, blijven we vastkleven aan verschijnselen die we ‘goed’, ‘dierbaar’, ‘mooi’ vinden. En in diezelfde geestesgesteldheid stellen we ons afkerig op tegenover de dingen die wij als ‘onaangenaam’, ’pijnlijk’, ‘schadelijk’, ‘slecht’ ervaren. Zo scheppen wij in ons gemoed een fundamentele tegenstelling; wij stellen ‘goed’ en ‘kwaad’ tegenover elkaar op. Het resultaat is dat we daarmee een wereld van tegenstellingen en tegenstrijdigheden geschapen hebben. En in die wereld moeten wij dan leven.

Uiten zich onze verlangens door gehechtheid aan bepaalde dingen en door afkeer voor andere bepaalde dingen, dan moeten we die zaak toch even verder voor onszelf uitdiepen. We zijn immers in de allereerste plaats gehecht aan onze eigen opvattingen, denk- en leefgewoontes.

Is het dan niet “natuurlijk” dat we gehecht blijven aan dingen en aan het verlangen naar die dingen, vermits die ‘dingen’ uiteindelijk slechts ervaren worden als verlengingen van onszelf?

Het is hoofdzakelijk door deze gehechtheid, die een zekere vorm van spirituele verstarring inhoudt en die ons bewustzijn geheel op onszelf afstemt, dat we (meestal buiten ons weten om) onszelf in de miserie storten. Uit zelfbehoud wensen wij dan dat de dingen waaraan we gehecht zijn nooit of nimmer zulten vergaan, breken, wegkwijnen, sterven: “ons” voor “altijd” ontglippen.

Daarom zegt de Boeddha dat al onze gehechtheden en passies aan de basis zelf liggen van al het lijden dat we ondergaan.

Ons dagelijkse leven is vol van die begeertes en begeertetjes van de meest diverse aard. Wij zijn er zo aan gewend geraakt dat de meeste ervan zelfs niet eens meer als begeerte of gehechtheid opvallen. Ofschoon ze echt tegen-natuurlijk zijn, vinden wij ze erg natuurlijk.

Hoewel we weten dat de tijd voor ons nooit stilstaat, willen we altijd jong blijven. Hoewel we weten hoe blootgesteld we zijn, willen we nooit ziek of gebrekkig worden. Hoewel we weten dat we vroeg of laat toch het hoekje moeten omgaan, willen we niet sterven - of liefst toch zo laat mogelijk.

We willen de eerste van de klas zijn, de beste op ons werk, de rijkste uit de straat, de mooiste van gans het land…

Het is immers onze voetbalploeg die kampioen moet worden, onze politieke partij (de beste!) die aan de macht moet komen, ons leger dat de oorlog moet winnen…

Mijn roman moet het meest gelezen worden, mijn popzanger moet het meest op teevee komen.

Mijn kinderen zijn de slimste, mijn huis is het mooiste, mijn slee de snelste, mijn gazon het vlakst geknipt, mijn hond is de trouwste.

En zelfs wanneer we dit alles ontkennen en luidop schreeuwen: “Zo ben IK niet!“ dan sluimert daaronder de gedachten “… want IK ben beter dan dŕt!”

Alle activiteiten, oorzaken en omstandigheden produceren onophoudelijk verandering. Dus kunnen de dingen die zoveel voor ons betekenen, ook niet bij ons blijven.

“Bij ONS blijven”? Maar wie of wat zijn we dan, om van onszelf te denken dat WIJ blijvend zijn?

Geestelijk of lichamelijk, hoe men het ook draait of keert, steeds zijn we aan het veranderen. Het “ik” van vóór 10 jaar is al lang niet meer het “ik” van gisteren, dat soms tot het onherkenbare toe verschilt van wat “ik” nu zie als mijn “ik” van vandaag. Een zó blijvend “ik” kan de mens zich enkel voorstellen door aan zijn gedachtegang en gedachtestructuur een bepaalde draai te geven. Als in een lachspiegel wordt ook hier een feitelijke, neutrale waarheid verwrongen voorgesteld.

In de wereld rondom ons, zien we wat voor een verbeten strijd de mensen toch moeten voeren over zaken die alle onvermijdelijk tot verandering en ondergang gedoemd zijn. Zij maken onderscheid, scheppen verschillen, trekken grenzen en lijnen.

Zelfs over de hele aardbol en doorheen gans de menselijke maatschappij werden zo ontelbare begrenzingen, scheidingen en tegenstellingen doorgetrokken: dit is van mij, dŕt is van jou.

Maar geen mens kan het eens worden met de eigen grenzen. Ieder trekt die zowat enkel voor zichzelf zonder rekening te houden met de anderen.

Zo komt men tot onenigheid, ruzie, haat, geweld, moord, oorlog. Is dat zó verbazend?

Zouden we liever niet toegeven dat het toch dom is die gehechtheden van ons zo lekker in de wade te leggen, dingen als eeuwig te koesteren, dan wanneer ze onvermijdelijk, net als alles in de wereld wijzelf inbegrepen, aan veranderlijkheid onderworpen zijn.

Zoals elke steen die we in de lucht smijten aan zwaartekracht onderhevig is en terug op de aarde neerploft.

In onze verblinding koesteren we verkeerde opvattingen die met geheel ons wezen vergroeid zijn. We leven in een milieu van denkfouten. We willen tegen elke realiteit opzwemmen in naam van ons “recht op persoonlijkheid”. We weigeren de veranderlijkheid als een natuurlijke factor te accepteren. We zouden beslist wel willen dat geheel het heelal aan onze verlangens zou gehoorzamen.

En op die manier maken we de toestand voor ons almaar moeilijker. Wat lastig is het toch de ‘donkere kant’ van de realiteit te slikken.

Maar zolang we onwillig blijven aanvaarden dat de dingen, alle dingen en wijzelf daarbij, veranderlijk zijn, blijven we lijden over onszelf brengen.

(wordt voortgezet)

Ekō 14
Hoe De Boeddha Het Zag

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home