Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme (1)

 Onder deze hoofding zal de redactie van Ekō, in samenwerking met professoren en hoogwaardigheidsbekleders van de Jōdo-Shinshū, schetsmatig en punctueel, de verklaring geven voor een serie termen die in het Shin-Boeddhisme een belangrijke rol spelen. Vanzelfsprekend zal deze verklarende woordenlijst geen aanspraak op volledigheid kunnen maken.

Om aan dit Glossarium een bepaalde structuur te geven, ging de voorkeur naar een alfabetische volgorde van de termen en begrippen naar de geromaniseerde omzetting van Sino-Japanse tekens. Nadeel hiervan is wel dat een systematisch opzoeken gebaseerd op vertaling in een Westerse taal bemoeilijkt wordt. Voordeel is evenwel dat verwijzingen in andere teksten meestal toch refereren naar het Sino-Japans woordgebruik.

En al bij al is die alfabetische volgorde toch maar een voorwendsel… Good luck!

 

Aku (het kwade)

Dit begrip wordt gebruikt als tegenstelling tot ‘het goede’, inhoudend:

1°        een besef van hetgeen goed (heilzaam) is en van hetgeen slecht (onheilzaam) is,
2°        de mogelijkheid tussen beide begrippen een vrije keus te doen,
3°        de zin voor morele en individuele verantwoordelijkheid.

Zo komt het dat er in de teksten uitdrukkingen voorkomen zoals “enkel het kwade begunstigen”,“verkiezen het kwade te doen”, “zijn leven lang het kwade verrichten”, “tot het kwaad ontwaken”, “prat gaan op het kwade”, enz.

Specifieke referenties, Shin-Boeddhistisch gezien, verwijzen in dit verband naar de “5 grote vergrijpen” en de “10 overtredingen”, maar het ‘kwade’ is niet beperkt tot deze twee categorieën.

Het besef van het kwade, d.i. het lijden in oorzaak en gevolg, is een essentieel onderdeel van de dagelijkse beleving van het Boeddhisme, en zeker van het leven in de Nembutsu. De besproken term kan terecht ook gebezigd worden t.o.v. mensen die geen enkel zedelijk of religieus bewustzijn vertonen.

Het kwade waarvan de mens tot duidelijk besef komt, is in feite niets anders dan het menselijke bestaan zelf, en dit bestaan is op zijn beurt dan ook de oorzaak van al het kwade dat expliciet en impliciet in de moraliteit besloten ligt.

“Kwaad” dient in geen geval verward te worden met “zonde” dat helemaal geen Boeddhistisch begrip is. Immers: de Christelijke zonde kan fundamenteel omschreven worden als zijnde een overtreding van een goddelijke wet. Daarentegen is de “kwade daad” in het Boeddhisme een handeling veroorzaakt en geconditioneerd door de drie “vergiften” begeerte, haat en onwetendheid, eigen aan de wezens. Daarenboven impliceert de Christelijke “zonde” het begrip “de vreze Gods”, hoe men die ook theologisch omschrijft, maar waarin God als Opperwezen almachtig bestraffend of belonend optreedt. Het Boeddhisme kent geen Opperwezen en dus ook geen “vreze Gods”. In de plaats hiervan kent het Boeddhisme enkel de individuele verantwoordelijkheid van elk wezen, dat instaat voor de gevolgen van de verrichte daden: verantwoordelijkheid tegenover zichzelf, maar ook tegenover het geheel van alle wezens.

Hierdoor krijgt AKU een bijzondere dimensie die volkomen eigen is aan de Boeddhistische leer.

 

Amida

Naam van de Boeddhafiguur die centraal staat in het Reine-Land-Boeddhisme. AMIDA is de Japanse benaming die overeenstemt met het Sanskriet a-mita wat “niet-maat” betekent (Chinees: O-mi-t’o, Vietnamees: A    DI DŔ). Dit begrip is de verkorte en samenvattende benaming voor de Boeddha van het Onmeetbare leven (Amitāyus) en van het Oneindige licht (Amitābha). De term Amitāyus kan in zekere zin (en met de nodige reserves) gekoppeld worden aan “tijd” en “mededogen”, Amitābha aan “ruimte” en “wijsheid”, als aspecten van het Oneindige, Naamloze, Vormloze van de Absolute Verlichting, de Zo-heid (tathāta), de leegheid (sūnyāta).

AMIDA is dan ook de dharmakāya (lichaam van de leer, hosshin) beschouwd als mededogen: de vormloze dharmakāya wordt in en door dit mededogen gemanifesteerde vorm en betekend als Naam (myōgō, nembutsu). Men dient in dit verband AMIDA dan ook te beschouwen als zijnde de gedynamiseerde uitstraling van de dharmakāya.

Deze ‘dynamisering’ wordt gevisualiseerd als de verschijning in ruimte/tijd van Dharmākara Bodhisattva (Hōzō Bosatsu) die een reeks bijzondere geloften (hongan) niet enkel aflegt, maar ook vervult met de unieke bedoeling alle wezens uit dit lijdensbestaan te verlossen. Dharmākara is dus de oorzakelijke vorm van AMIDA, die zelf de vervulling is. Om deze reden wordt AMIDA dan ook de ‘Tathāgata van het Vervulde lichaam’ genoemd.

Waar de andere Boeddhafiguren (die elk ook weer ‘andere’ aspecten van de Dharmakāya manifesteren) de wezens bijstaan in het verrichten en verzamelen van verdienstelijke daden, meditatieve praktijken en volmaakte wijsheid, daar viseert AMIDA (als Oneindig licht = Wijsheid en als Oneindig leven = Mededogen) het verlossen van alle wezens zonder enig onderscheid, uit hun verblinding, gehechtheid en karmisch onheil, via zijn “vorm” (= de Oorspronkelijke Gelofte) en zijn “naam” (Namu-Amida-Butsu).

Dit houdt dan ook in dat de mens, die van zichzelf het volkomen besef van zijn totale en hulpeloze menselijkheid (onwetendheid, morele en religieuze machteloosheid) verwerft, door dit besef echt zichzelf-mens wordt en zo door de natuurlijke werkzaamheid van Amida het Boeddhaschap verwerft.

“Amida is het medium door hetwelk wij ertoe gebracht worden natuurlijk (jinen) te worden (Shinran, in Mattōsho, 5). Dat betekent dat we door Amida’s “vorm en naam” de vormloze dharmakāya als zo-heid realiseren.

 

Anraku-koku (het rijk van vrede en geluk)

Synoniem voor het “Reine Land”, afgeleid van het Sanskriet sukhāvatī, het “Verblijf van Welbehagen”. In de meeste Mahāyāna-scholen geldt ANRAKU-KOKU als een verlichtingsveld waarin het nirvāna verwezenlijkt wordt door de wezens. In de Japanse Reine-Landscholen (Jōdo-shū en Jōdoshin-shū) wordt Het Rijk van Vrede en Geluk echter aan nirvāna gelijkgesteld en als synoniem ervoor gebruikt.

 

Bodaishin (het gemoed ter verlichting)

“Shin” (Chinees hsin) staat hier voor het Sanskriet citta waarvan de betekenis moeilijk in het Nederlands met één woord kan omgezet worden. Het is het geďntegreerd totaal van de emotionele en intellectuele factoren in de mens; daarom wordt deze term in het Engels gewoonlijk weergegeven door heart and mind. Voor het Nederlands gaat onze voorkeur (met voorbehoud!) naar gemoed.

Het “Grote Gemoed ter Verlichting” is de basisvereiste voor de Mahāyāna Bodhisattva, de bodhicitta. Bodhicitta is niet zomaar het besluit of de wil het Boeddhistische heiIspad te betreden en te vervullen, maar is de totale reoriëntering van gans het leven, uitgaande vanuit een nieuw energetisch centrum: niet meer vanuit de fundamentele zelf-begoocheling, maar vanuit het eigenlijke hart van de Verlichting. Wanneer deze sluimerende religieuze aspiratie opgewekt is geworden, kan niets meer het wezen weerhouden de uiteindelijke en volmaakte verlichting te verwezenlijken.

Naar de Jōdo-Shinshū is evenwel de gewone mens niet in staat zulk een verheven aspiratie in zichzelf op te wekken. Deze opwekking is het resultaat van Amida’s werkzaamheid in het diepste van ‘s mensen gemoed. Zo komt het dat B0DAISHIN in dit verband ook gebruikt wordt als synoniem van het “ware, grote mededogen”; d.i. het ‘hart’ zelf van Amida.

Wanneer het ‘grote hart van Amida’ in het gemoed van de mens kan intreden, wordt het er shinjin, de vertrouwensvolle overgave. Het is dan in shinjin dat de mens het Grote Gemoed ter Verlichting verwezenlijkt.

 

Bombu (dwaas wezen)

Eén van de Sanskriet equivalenten voor “dwaas wezen” is bāla , dat talrijke bijbetekenissen en connotaties heeft: onrijp, kinderachtig, onredelijk, dom, gek, onwetend, onbekwaam. Toch mag deze term in de Boeddhistische religieuze literatuur niet enkel begrensd worden tot de conventionele betekenis ervan, - want BOMBU is ook het resultaat van een diep religieus ontwaken, waarbij zelfs de z.g. verstandige mens, wanneer hij door het Mateloze licht verlicht wordt, door de wijsheid eigen aan ‘shinjin’ tot het besef komt dat hijzelf toch maar een dwaas wezen is: altijd maar gemotiveerd door verblinde, egocentrische begeertes, gekluisterd aan de fascinerende begoochelingen van een vergankelijke wereld, en onbekwaam om de contradicties van het menselijke bestaan op te lossen.

Shinrans standpunt is dat ware wijsheid slechts voortspruit uit het gemoed van de persoon die totaal voor zichzelf gereveleerd werd als zijnde een fundamenteel dwaas wezen.

Deze openbaring, dit ontwaken vertoont naar buitenuit twee schijnbaar tegengestelde aspecten: het éne is de realisering van de dwaasheid en van de slechtheid van het eigen wezen, - het andere is de realisering van het Grote Mededogen van de Ander-Kracht.

De trots en de eigendunk van het menselijke wezen hinderen in de mens de werkzaamheid van de Oorspronkelijke Gelofte; ze beletten hem zich zelf te zien als een BOMBU. Vandaar ook dat het synoniem gusha - onwetend wezen - gebruikt wordt.

Ekō 14
Glossarium Voor Het Shin-Boeddhisme

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home