Hoogtepunten Uit De Boeddhistische Kanon (6)

De Parabel van de Twee Rivieren

Deze tekst is ontnomen uit Shan-tao’s Sanzen-Gi. De parabel zelf wordt hier in haar totaliteit weergegeven, Shan-tao’s commentaar erop wordt echter ingekort weergegeven. Shan-tao (Japans: Zendō , 613-681) is één van de grote denkmeesters-patriarchen van de Reine-Landscholen. Beroemd is zijn commentaar op de Meditatie-Sūtra.

Veronderstel een man die 100 000 ‘li’ naar het westen reist. Op zijn weg komt hij plots te staan voor twee rivieren: de ene is een stroom van vuur die naar het zuiden vloeit, de andere is een rivier van water die naar het noorden stroomt. Elk ervan is wel honderd stappen breed en onschatbaar diep, en beide strekken zich eindeloos naar het zuiden en naar het noorden uit. Tussen beide rivieren van water en vuur, daar loopt een smal wit pad, amper vier of vijf duim breed. Ook dit pad is wel honderd stappen lang, van de éne kant naar de andere. De watergolven slaan vervaarlijk over het pad, maar ook de hooglaaiende vlammen van de vuurstroom verschroeien het pad, onophoudelijk elkaar opvolgend, nu eens vuur, dan weer water.

Achter onze reiziger strekt zich een eindeloze vlakte uit, eerst verlaten, maar plots duiken er woeste roversbenden en hongerige wilde beesten op, met de duidelijke bedoeling onze reiziger te doden of te verslinden. Beangstigd voor zijn lot, begint onze man naar het westen te rennen tot hij vlak voor de twee rivieren komt te staan. Daar zegt hij bij zich zelf: “Die rivieren strekken zich zo ver het oog reikt naar noord en zuid uit; tussen ze in, in het midden een wit pad dat uiterst smal is. Ofschoon beide kanten niet zo ver uit elkaar liggen, hoe kan ik hierover geraken? Waarlijk, vandaag is de dag van mijn dood! Keer ik op mijn stappen terug, dan word ik het slachtoffer van de bandieten en van de wilde beesten. Loop ik noord- of zuidwaarts, daar staan boze wezens en giftige insecten klaar om mij aan te vallen. En als ik naar het westen kijk, daar is enkel dat smalle pad: daar val ik zeker in één van de twee rivieren”.

Zijn benauwdheid kent op dat ogenblik geen uitdrukking meer. Hij denkt: “Keer ik terug, dan sterf ik; blijf ik hier staan, dan sterf ik; ga ik verder, dan sterf ik ook! Vermits ik alleszins moet sterven, kan ik nog best proberen dit smalle witte pad te volgen. Als er een pad is, moet er toch een kans zijn over te geraken!”

En terwijl hij de eerste stappen op het pad zet, hoort hij plots in het oosten achter zich een stem: “ Betreed met vaste tred dit pad. Er is echt geen doodsgevaar. Maar blijft ge staan, dan sterft ge zeker”. En tegelijkertijd hoort onze reiziger een stem die komt van de westelijke kant: “Kom meteen, met vast gemoed en beslissing. Ik zal je beschermen; vrees niet in het onheil van water of vlammen te vallen”.

En wanneer onze man die twee stemmen hoort, de ene achter zich en de andere vóór, besluit hij met vast gemoed het smalle pad te nemen en zonder angst of vrees voort te lopen. Nauwelijks is hij twee of drie stappen verder, of hij hoort de kreten van de rovers in het oosten: “Kom terug, dat pad is verraderlijk. Je geraakt toch niet over, je sterft vóór je over bent. En wij willen je geen kwaad doen”. Maar onze reiziger, die stemmen horend, draait zelfs het hoofd niet om. Vastberaden, met geconcentreerde geest stapt hij verder. Op korte tijd bereikt hij de andere kant en is nu buiten alle gevaar. Daar ontmoet hij zijn goede vriend en zijn vreugde kent geen grenzen meer.

Dit is een parabel. De betekenis is als volgt: de oostelijke kant, dat is het brandende huis van deze lijdenswereld; het westen, dat is het Reine Land. De rovers en de wilde beesten, dat zijn de zes zintuigen, de zes vormen van bewustzijn, de zes objecten van zintuiglijke waarneming, de vijf groeperingen van het bestaan en de vier elementen. De wijde vlakte die verlaten is, is het gebrek aan een goede wijze vriend. De rivieren van water en vuur, dat zijn de menselijke passies en gehechtheden die als water zijn, en haat en boosheid die als vuur zijn. Het witte pad tussenin is het Middenpad van de leer, de kleine breedte ervan wijst op de moeilijkheid van midden in passies en haat het zuivere verlangen naar nirvāna te wekken; vermits het gemoed zo zwak is, wordt het vergeleken bij het smalle witte pad. De watergolven en de vlammen zijn steeds weer oplaaiende passies ondanks het feit dat men het Pad van de leer reeds betreedt.

De stem in het oosten, achter de man, dat is de stem van Boeddha Sākyamuni. De stemmen van de rovers die proberen onze man terug te laten komen, dat zijn de verkeerde praktijken en onvolledige inzichten. De stem die uit het westen komt verwijst naar Amida’s Oorspronkelijke Gelofte. Het ‘bereiken van de andere kant’ en ‘het ontmoeten van de goede vriend’ zijn de geboorte in het Reine Land en de vereniging met Amida. 

Ekō 14
Hoogtepunten Uit De Boeddhistische Kanon

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home