Hoe De Boeddha Het Zag (7) - Ekō 15, september 1981 - © 2003 jikōji

Hoe De Boeddha Het Zag (7)

De wereld zien… hoe?

In plaats van in het leven de EEN-heid te zien, houden wij het liever bij de ons zo vertrouwde verschillen en etiketteringen. Op deze wijze bouwen wij, elk voor onszelf, voor ons privé-gebruikje, een eigen maar ingewikkelde wereld van VEEL-heden op, zo ingewikkeld dat wijzelf er niet meer aan uit kunnen.

Wij kunnen zo b.v. geen twee personen zien zonder terstond tussen beide een onderscheid te maken. Bij dit onderscheid zetten wij de punten van verschil veel duidelijker in de verf dan de punten van gelijkheid, gelijkaardigheid of overeenkomst. Het is net alsof we bevreesd zijn die twee personen niet uit elkaar te kunnen houden. Dus leggen we onze vinger op wat de mensen uit mekaar houdt.

Als we ons nog maar konden tevreden stellen met dat onderscheid.

Maar we knopen er bovendien nog allerlei ideetjes aan vast. Uit de onvermijdelijke verschillen tussen twee personen trekken wij op de koop toe heelder series conclusies die neerkomen op een interne stellingname wij discrimineren.

 

Deze hier is

Die daar is

Jan

Ahmed

hij heeft blauwe ogen

hij heeft donkere ogen

en blond haar

en zwart kroezelhaar

hij is netjes en beleefd

hij is stuntelig en onbeholpen

diploma handelsingenieur

kan amper Nederlands lezen

Dus:

Dus:

Jan is Goed

Ahmed is Slecht

Zo mondt ons ‘onderscheiden’ uit op waardeoordelen die zich in onze geest vestigen en er vaak evenveel betekenen als definitieve veroordelingen.

Zonder dat we het erg bewust zijn, geven we in onze vergelijkingen hoofdzakelijk een eigen voorkeur te kennen.

We zeggen niet: dag en nacht zijn twee noodzakelijke aspecten van éénzelfde tijdcyclus, maar we zeggen: ik heb liever de dag dan de nacht. Al onze vergelijkingen komen neer op een verbloemd definiëren: “Ik heb liever dit dan dàt. Dit vind ik goed, dààr hou ik niet van”.

Dat doen we ten opzichte van alle verschijnselen. En zo scheppen wij een VEEL-heid, onze eigen VEEL-heid want door ons geschapen en in onze geest geborgen.

En vermits elk van ons op één of andere manier zo zijn eigen veel-heidswereld schept, loopt dat uit op een onoverzichtelijke chaos.

Wie is verantwoordelijk voor die chaos? We weten niet graag dat het aan onszelf ligt. Dus geven we de schuld ervan aan anderen, aan de andere generatie die weigert ons te verstaan, aan de politici die het land de afgrond in sturen, aan God die heel die rotzooi geschapen heeft en duldt…

Maar het is niet omdat we dat schuldgevoel wel eens kunnen afwentelen dat die ellendige chaos ophoudt.

Geen wonder dus dat we hier een licht van EEN-heid missen.

Elkeen vindt van zichzelf dat hij toch wel de belangrijkste persoon op aarde is. In zekere zin is het zelfs helemaal waar: het is vanuit onze persoonlijkheid dat we tot contact en bekendheid met de buitenwereld komen. Buiten dit communicatie-aspect om, is onze persoonlijkheid echter geen geldige maatstaf voor die buitenwereld. Toch wordt alles nogal heel simplistisch herleid tot die ‘belangrijkste persoon’.

Temeer daar men geneigd is te vergeten dat elke ‘andere’ op net dezelfde wijze denkt, zichzelf de allerbelangrijkste persoon vindt die net als iedereen het recht heeft met eigen maatstaven en vooroordelen de wereld af te meten.

Wat gebeurt er in zo’n conflictsituatie?

We weten het maar al te goed omdat we het dagelijks aan den lijve ondervinden.

Heel ons dagelijks bestaan, heel de geschiedenis van de mensheid leert het ons: een ononderbroken serie botsingen, de ene zachtjes, de andere ruw, andere verpletterend.

Wanneer er twee mensen zijn, komen die twee ‘allerbelangrijkste personen’ met elkaar in een conflictsituatie te staan.

Maar op de mensenwereld zijn er op het ogenblik zo’n vier miljard ‘allerbelangrijkste personen’. Hoeveel conflictsituaties geeft dat wel? En we houden ons dan nog braafjes beperkt tot het beschouwen van de mensenwereld…

Het is onvermijdelijk: de conflictsituaties met de ‘anderen’ typeert de menselijke gedragingen, in agressie zowel als in het defensief. Maken we een beeld van deze totale conflictsituaties, dan komen we tot wat de Boeddha het lijden heeft genoemd.

Maar de Boeddha opent hier een optimistisch perspectief: deze conflictsituatie houdt op te bestaan zodra wij erin slagen voor onszelf de dingen en de wezens in hun EEN-heid te zien.

In zijn Verlichting ervoer de Boeddha dat de mens het leven moet leren kennen, ervaren en aanvaarden zoals het werkelijk is. Enkel op deze wijze (de VEEL-heid opgeven om in de EEN-heid te treden), de vrede en de vreugde van het nirvāna vinden.

Accepteert men innerlijk dat wat gebeuren moet, dan neemt men een zekere afstand ten opzichte van de ups en downs van het leven. Door deze afstand, die onthechting betekent, kan men op aarde in dit leven een glimp van de ware vrede opvangen.

Zulk aanvaarden betekent niet dat we er passief moeten gaan bij zitten, dat we niets moeten doen, niets ondernemen, en onverschillig worden, alles maar slikken zonder kikken, alles laten vlotten en zweven.

Dat is helemaal niet de bedoeling van de Boeddha.

Vaak hoort men beweren dat het Boeddhisme zijn volgelingen aanzet tot een passief zich neerleggen bij het lijden in de wereld, alsof er niets tegen te doen zou zijn.

Integendeel: de Boeddha spoort iedereen aan zich te verzetten, niet zozeer tegen het lijden dat slechts een symptoom is, maar tegen de oorzaken van het lijden. Hij aanvaardt bv. dat men zich tegen onrecht verzet, maar dan zonder haat tegen de onrechtvaardige en zeker zonder zèlf in onrecht te vervallen.

De Boeddha leert dat we de tegenslagen (en ook de vreugden… ) van het leven met gelijkmoedigheid moeten opvangen.

Gelijkmoedigheid is helemaal geen onverschilligheid, men vergisse zich niet!

Afstand nemen ten opzichte van de troebelen in het leven betekent dat we in ons doen en laten ons innerlijk distantiëren van wat ons overkomt, van het prettige zowel als van het pijnlijke. We nemen ook afstand tegenover hetgeen wij zelf doen: onze eigen daden, woorden en gedachten, die we nu meer en meer leren zien in een zekere relativiteit.

We handelen dan zeer bewust naar onze (hopelijk beste) bedoelingen, maar ergens in ons gemoed houden we een waardevol voorbehoud tegenover de drukte en de belangrijkheid van onze daden.

De waarheid dat lijden een onvermijdelijk karakteristiek van het leven is, die zouden we goed in ons moeten opnemen. Daarin zullen we beter slagen als we, elk momentje van ons bestaan, zo spontaan mogelijk de Karma-wet en het principe van de veranderlijkheid der dingen duidelijk beleven. Niet enkel hun werking in de wereld rondom ons vaststellen, maar ook in onze eigen handelingen en gedachten. Goed zien dat er voortdurend verandering optreedt doordat het leven zelf handelen, activiteit, dynamisme is.

Zo’n veranderingen kunnen “goed” of “slecht” zijn naargelang de manier waarop we ze beschouwen, volgens het standpunt en de verwachtingen die we innemen. Als de jager een konijn schiet, verheugt hij zich over zijn “goed” schot. Wat het konijn ervan zou denken…

Als een “vijandelijk” vliegtuig een bom op ons huis werpt, zien wij er een “slechte” daad is, maar de piloot wordt misschien een medaille rijker…

Doordat wijzelf die etiketten “goed” en “slecht” op de dingen en omstandigheden kleven, worden wijzelf in zekere zin de scheppers van goed en slecht, van onze vreugde of van onze ellende. Gelukt het ons het leven vanuit deze opvatting te bekijken, dan zal het er misschien niet gemakkelijker om worden, maar wij zullen dan toch de diverse gestalten en vormen van verandering beter kunnen accepteren.

De “ongelukkige” veranderingen zouden we evengoed moeten kunnen aanvaarden als de “voorspoedige”. Maar in ons discrimineren doen we dat niet. Het “goede” accepteren we graag: we doen dan alsof dat goede nu inderdaad en uitsluitend aan onszelf te danken is, - omdat wij zo braaf, zo slim, zo vooruitziend zijn dat we dat “goede” verdiend hebben.

Maar is er tegenspoed, dan passen we vlug een andere redenering toe het “slechte” komt niet van ons, maar van de anderen…

De monotheïst zal zijn God ervan verdenken, of de Duivel. De verdrukte zal de maatschappij waarin hij leeft beschuldigen, de proletariër de kapitalist…

Lost dat beschuldigen iets op? Wel nee: op die wijze ontstaat weer opnieuw haat en nijd, die op hun beurt weer oorzaak zullen zijn van ander “kwaad”, en weer andere haat en nijd en bitternis. Een hopeloze kringloop waarvoor niemand de aansprakelijkheid op zich wil nemen en waarvoor iedereen slechts de “andere” kan beschuldigen.

Waarlijk, hatelijkheden door hatelijkheden,
die komen hier nooit tot rust;
enkel door niet-hatelijkheid komen ze tot rust:
dat is een oude wet!

(Dhammapadam 5)

(wordt voortgezet)

Ekō 15
Hoe De Boeddha Het Zag

jikōji - 慈光寺

© 2003

info-at-jikoji.com

          home